Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:8838
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,201 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/314901-24
Datum uitspraak: 4 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 3 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 oktober 2021 door the Regional Court of Law in Częstochowa in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1966,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. R. Zilver, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist
zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
3.1
Grondslag EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgement of the Regional Court of Law in Częstochowa of 22nd March 2018, handed down in case file reference II K 26/17. Uit het EAB blijkt dat deze zaak in hoger beroep is beoordeeld in het arrest van the Appeal Court in Katowice van 29 november 2018, met kenmerk II Aka 369/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis en arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.2
Ten uitvoer te leggen straf
Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat hij de hem opgelegde straf al in zijn geheel in voorarrest heeft uitgezeten. Hij heeft dit van meet af aan stellig verklaard en dit is niet weersproken. Het onderhavige overleveringsverzoek heeft ook in Duitsland gespeeld. De overlevering is toen geweigerd. Volgens de opgeëiste persoon zou nog worden onderzocht of hij de opgelegde straf nog moest ondergaan. Hij was in de veronderstelling dat hij de straf niet meer hoefde uit te zitten. Gelet op het vorenstaande moet het onderzoek worden aangehouden voor het stellen van vragen over dit punt.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen grond voor aanhouding is. Niet de duur van het (nog) te executeren deel van de vrijheidsstraf, maar de duur van de opgelegde vrijheidsstraf is doorslaggevend bij de beoordeling van het overleveringsverzoek en bovendien is door de opgeëiste persoon niet aannemelijk gemaakt dat na aftrek van het voorarrest in Polen geen strafrestant overblijft. De enkele betwisting van de in het EAB verstrekte informatie biedt geen aanknopingspunt om nader onderzoek te verrichten. De rechtbank verwerpt daarom het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft geen verweer betreffende artikel 12 OLW gevoerd.
De officier van justitie heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat.
Uit het EAB blijkt dat door de advocaat van opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en dat hier op 29 november 2018 door the Appeal Court in Katowice op is beslist.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon
rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op het vorenstaande en hetgeen in het EAB en de aanvullende informatie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 14 oktober 2024 is meegedeeld, de procedure in hoger beroep onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a en c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Uit het EAB en de eerder genoemde aanvullende informatie en de aanvullende informatie in de brief van 12 november 2024 blijkt het volgende:
de opgeëiste persoon is in eerste aanleg op één zitting aanwezig geweest, samen met zijn (ex officio benoemde) advocaat;
tijdens die eerste zitting heeft de opgeëiste persoon een verklaring afgelegd;
ondanks dat de opgeëiste persoon op de zitting de datum van de volgende zitting is aangezegd, is hij vanaf dat moment niet meer ter zitting verschenen;
zijn advocaat heeft alle volgende zittingen wel bijgewoond tot en met de dag dat het vonnis werd uitgesproken op 22 maart 2018;
Dezelfde advocaat heeft na het vonnis in eerste aanleg hoger beroep ingesteld;
in hoger beroep is de zaak op één zittingsdag, op 29 november 2018, behandeld;
de opgeëiste persoon heeft tijdens de voorgeleiding voor deze rechtbank verklaard dat hij op de hoogte is geraakt van het hoger beroep omdat het hof hem op enig moment heeft bericht;
volgens de aanvullende informatie is de oproeping voor de zitting in hoger beroep op 24 augustus 2018 aan een “adult household member” uitgereikt;
ter zitting in hoger beroep is de verdediging gevoerd door dezelfde advocaat als in eerste aanleg.
Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat de advocaat ten behoeve van het proces in hoger beroep stukken aan het hof heeft overgelegd betreffende de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, namelijk:
(…) As regards the hearing before the Court of Appeal, which was held on 29.11.2018, the defence counsel of the accused filed at the Court documents written in German with certified translations thereof into Polish, showing the family situation of the accused, declared that the accused was living in Germany, all his family members were covered by his insurance and putting him out of his job in Germany would cause great hardship to his family. Specifications of the components of the remuneration of the accused were also submitted to the Court.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
6Evenredigheid
Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de uitvaardiging van het EAB niet evenredig is. Het gaat om feiten die 25 jaar geleden zijn gepleegd. Pas 18 jaar later is vonnis gewezen en het is onduidelijk waarom dat zo lang heeft geduurd. Als de procedure in Nederland had plaatsgevonden was het recht tot strafvordering al ruimschoots verjaard. Gelet op de problemen met de Poolse rechtsstaat is het heel wel mogelijk dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad.
Na de veroordeling van de opgeëiste persoon heeft het EAB nog eens drie jaar op zich laten wachten. De opgeëiste persoon heeft echter niet onder de radar geleefd want hij staat al tien jaar in Duitsland ingeschreven met zijn gezin en heeft daar een leven opgebouwd. Eén van zijn dochters is ziek en dat heeft veel impact op zijn familie. Verder heeft er ook in Duitsland een overleveringsprocedure plaatsgevonden. De overlevering is door de Duitse rechter geweigerd omdat de opgeëiste persoon daar woonde en de Duitse rechter het niet redelijk vond dat de opgeëiste persoon nog naar Polen moest. Ten slotte verkeerde de opgeëiste persoon in de veronderstelling dat hij de straf niet meer hoefde uit te zitten. Daarom is er sprake van een onevenredig overleveringsverzoek.
De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. Het besluit van de Poolse rechter om in deze zaak een EAB uit te vaardigen gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd maakt dit niet anders. De tenuitvoerlegging van het EAB kan onder uitzonderlijke omstandigheden onevenredig worden geacht ten opzichte van de opgeëiste persoon, maar van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 225 en 326 Wetboek van Strafrecht 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Law in Częstochowa in Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.