Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-20
ECLI:NL:RBAMS:2024:8777
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,185 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats], België, eiser
en
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder
(gemachtigde: mr. M. Schuurman).
Procesverloop
Met het primaire besluit van 21 augustus 2023 heeft de Svb de maandelijks door [eiser] te betalen (aflossings-)termijnbedragen in verband met een schuld aan de Svb, opnieuw vastgesteld. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 heeft de Svb dit bezwaar ongegrond verklaard. [eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en een aanvullend verweerschrift. [eiser] heeft hierop nog gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2024. [eiser] is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op 24 oktober 2024 heropend om [eiser] alsnog in de gelegenheid te stellen (digitaal) aan de zitting deel te nemen. De rechtbank heeft de zitting voortgezet op 25 november 2024. [eiser] was aanwezig door middel van een telefonische verbinding, de Svb, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, door middel van een beeldverbinding.
Overwegingen
1. [eiser] ontvangt een AOW-pensioen van de Svb en een bedrijfspensioen van het ABP, Aegon en Nationale Nederlanden. Bij besluit van 15 maart 2019 heeft de Svb € 6.786,16 aan teveel betaalde toeslag op het AOW-pensioen van [eiser] teruggevorderd en hem tevens een boete van € 2.057,10 opgelegd. Bij besluit van 22 september 2021 heeft de Svb het maandelijks door [eiser] te betalen aflossingsbedrag vastgesteld op € 51,80, zijnde 5% van zijn totale inkomen inclusief vakantiegeld. Per december 2021 heeft de Svb [eiser] AOW-pensioen voor gehuwden, na scheiding van zijn partner, omgezet in een AOW-pensioen voor ongehuwden. Bij besluit van 9 juni 2023 heeft de Svb, bij gebreke van nadere informatie van [eiser] , het aflossingsbedrag met ingang van juli 2023 vastgesteld op € 745,-
2. [eiser] heeft het verschuldigde griffierecht niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldaan. De rechtbank acht dit verschoonbaar, omdat [eiser] tijdig vragen heeft gesteld over de verschillende procedurenummers op griffierechtnota’s, welke vragen onbeantwoord zijn gebleven. De rechtbank acht het aannemelijk dat daardoor bij [eiser] verwarring is ontstaan. Het beroep is daarom ontvankelijk.
3. Met het primaire besluit heeft de Svb de aflossingscapaciteit van [eiser] vastgesteld op € 629,- en uit coulance de helft daarvan, € 314,50, per augustus 2023 als aflossingscapaciteit gehanteerd. Met het bestreden besluit heeft de Svb het bezwaar van [eiser] , dat de beslagvrije voet, gebaseerd op de som van zijn maandhuur (€ 1.525,-) en energierekening (€ 267,-), € 1.892,73 bedraagt en dat de Svb slechts de “5% regeling” mag toepassen die steeds is toegepast, ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. De Svb heeft de aflossingscapaciteit opnieuw berekend en daarbij een (Belgische) belastingschuld op [eiser] (maand)inkomen in mindering gebracht. De aflossingscapaciteit is vervolgens vastgesteld op € 469,24, maar de Svb heeft uit redelijkheidsoverwegingen het maandelijks af te lossen bedrag van € 314,50 gehandhaafd.
4. In beroep voert [eiser] , samengevat, aan, naar de rechtbank begrijpt, dat als beslagvrije voet de som van zijn maandelijkse huurlasten en zijn energierekening in acht had moeten worden genomen, dat de 5% regeling had moeten worden toegepast bij het vaststellen van zijn aflossingscapaciteit, en dat ten onrechte door de Svb ingehouden bedragen op zijn rekening dienen te worden (terug)gestort.
5. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat [eiser] een schuld aan de Svb dient terug te betalen. In geschil is of de voor [eiser] gehanteerde aflossingscapaciteit niet te hoog is. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van [eiser] .
6. De rechtbank stelt voorts voorop dat vanaf 1 januari 2021 nieuwe regels bestaan om te bepalen hoeveel iemand kan aflossen. De beslagvrije voet is daarbij verhoogd van 90 naar 95% van de geldende bijstandsnorm. De hogere bijstandsnorm voor personen met de AOW-gerechtigde leeftijd speelt geen rol meer. In een uitspraak van 26 januari 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) bepaald: “Zolang de artikelen 3 en 4, tweede lid, van de Regeling niet zijn aangepast of in ieder geval de positie van personen die de AOW gerechtigde leeftijd hebben bereikt niet deugdelijk en kenbaar is heroverwogen, zal -los van eventuele toepassing van de hardheidsclausule- toepassing van een beslagvrije voet van 95% met inachtneming van de voor pensioengerechtigden geldende bijstandsnorm de toets van de Raad kunnen doorstaan.”
7. In het aanvullend verweerschrift heeft de Svb de aflossingscapaciteit van [eiser] in overeenstemming met het voorgaande berekend en dat heeft geleid tot een beslagvrije voet van € 1.354,47 en een aflossingscapaciteit van € 336,66. Omdat de Svb ervoor heeft gekozen om de uitspraak van de Raad tijdelijk op een andere wijze in te vullen, heeft hij de aflossingscapaciteit van [eiser] ook met inachtneming van de bijstandsnorm voor een alleenstaande tot 65 jaar berekend en het aflossingsbedrag vastgesteld op 75% van de aflossingscapaciteit. Dit heeft geleid tot een beslagvrije voet van € 1.219,64 en een aflossingscapaciteit van (75% x € 471,49 =) € 353,62. De rechtbank kan beide berekeningen, waarin de aflossingscapaciteit hoger uitpakt dan de voor [eiser] gehanteerde aflossingscapaciteit van € 314,50, volgen.
8. De beroepsgrond dat de Svb de door [eiser] voorgestane beslagvrije voet had moeten toepassen kan, gezien hetgeen hiervoor onder 5 is weergegeven, niet slagen, nog daargelaten dat voor de door [eiser] gekozen samenstelling van de beslagvrije voet geen wettelijke grondslag bestaat.
9. Op de zitting heeft [eiser] overigens aangegeven dat de in de berekeningen van de Svb toegepaste maandelijkse aflossing van een (Belgische) belastingschuld klopt. Voor zover [eiser] als beroepsgrond heeft aangevoerd dat bij de vaststelling van zijn aflossingscapaciteit rekening had moeten worden gehouden met de zorgverzekeringspremie en zijn hoge woonlasten, kan die grond evenmin slagen, omdat, anders dan vóór 1 januari 2021, vanaf 1 januari 2021 de hoogte van de beslagvrije voet niet (meer) afhankelijk is van de betaalde zorgpremie of woonlasten. Met betrekking tot die woonlasten heeft [eiser] ter zitting overigens erkend dat twee van zijn meerderjarige kinderen meebetalen aan de huur.
10. Ook de beroepsgrond dat de Svb bij de vaststelling van [eiser] aflossingscapaciteit de 5% regeling had moeten toepassen kan niet slagen. Voor zover [eiser] daarmee bedoelt dat slechts het initiële aflossingsbedrag van € 51,80 had mogen worden gehanteerd, gaat die stelling al niet op omdat die aflossingscapaciteit was gebaseerd op de omstandigheid dat [eiser] nog een AOW-pensioen voor gehuwden ontving, terwijl dat inmiddels niet meer zo is. Voor zover [eiser] bedoelt te stellen dat slechts 5% van zijn inkomen als aflossings-capaciteit kan worden gebruikt, kan die stelling hem evenmin baten, omdat die regel erop ziet dat bij een minimum inkomen minimaal 5% van het inkomen zal moeten worden afgelost.
11. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door de Svb voor [eiser] gehanteerde aflossingscapaciteit van € 314,50 niet te hoog is.
12. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr.N.L. Adam, griffier.
Dictum
De griffier is verhinderd deze rechter
uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (de Raad).
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Raad worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.
De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet.
ECLI:NL:CRVB:2024:1.
De Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen.