Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-09
ECLI:NL:RBAMS:2024:8744
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,853 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/208715-24
Datum uitspraak: 9 oktober 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 12 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 maart door the Regional Court of Toruń (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De zitting van 11 september 2024
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 11 september 2024, in
aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen en de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
De tussenuitspraak van 19 september 2024
De rechtbank heeft op 19 september 2024 een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5.2 van die tussenuitspraak geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ter beantwoording voor te leggen. De inhoud van die vragen dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De zitting van 2 oktober 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 2 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag van het EAB
Het EAB vermeldt in onderdeel B:
een vonnis van the Regional Court in Toruń van 25 juni 2019, definitief geworden op 21 juni 2021 (II K 37/18);
een vonnis van the District Court in Zlotów van 28 juni 2017, definitief geworden op 26 oktober 2017 (II K 507/16).
Bij het vonnis vermeld onder 1 is een vrijheidsstraf van vier jaar opgelegd, waarvan nog twee maanden en twaalf dagen resteren. Bij het vonnis genoemd onder 2 is een limitation of freedom opgelegd voor de duur van één jaar en twee maanden. Deze straf is bij beslissing van
9 juni 2022 van the District Court in Toruń omgezet naar een vrijheidsstraf van 212 dagen. Uit het EAB onderdeel f) volgt dat die omzetting het gevolg was van het niet nakomen van afspraken met de reclassering.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van (het resterende deel van) de hiervoor genoemde vrijheidsstraffen.
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat op het moment dat uitspraak wordt gedaan, de opgeëiste persoon in de zaak II K 37/18 langer dan de resterende straf in overleveringsdetentie heeft verbleven. Omdat de overleveringsdetentie moet worden verrekend met die resterende vrijheidsstraf is de grondslag aan het EAB komen te ontvallen, zodat de overlevering voor de tenuitvoerlegging van dat strafrestant moet worden geweigerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het hier gaat om een executiekwestie die aan de Poolse autoriteiten is, zodat de grondslag niet aan het EAB is komen te ontvallen.
De rechtbank is van oordeel dat de vraag naar het restant van de straf die de opgeëiste persoon nog uit moet zitten een aangelegenheid is die aan de orde komt bij de tenuitvoerlegging van de straf. De rechtbank is niet bevoegd daarover in deze procedure te oordelen. Nu de opgelegde vrijheidsstraf vier jaar is (en dus langer dan vier maanden) en niet is gebleken dat vonnis 1 niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar zou zijn, is aan de vereisten van artikel 2 OLW en artikel 7 OLW voldaan. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw
4Tussenuitspraak van 19 september 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 19 september 2024. Hierin heeft de rechtbank de strafbaarheid van de feiten en de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ten aanzien van de zaak II K 37/18 al beoordeeld. Deze overwegingen en beoordelingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van de zaak II K 507/16
Inleiding
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 27 augustus 2024 blijkt dat tegen het vonnis van the District Court in Zlotów van 28 juni 2017 beroep is ingesteld en dat the Regional Court in Poznań op 26 oktober 2017 in hoger beroep uitspraak heeft gedaan met het kenmerk IV Ka 957/17. Daarbij is de bij vonnis van 28 juni 2017 opgelegde straf van limitation of freedom voor de duur van één jaar en twee maanden gehandhaafd. Bij beslissing van the District Court in Toruń van 9 juni 2022 (met kenmerk IX Ko 1199/22) is deze straf omgezet (“changed”) in een gevangenisstraf van 212 dagen.
4.1
Dictum
the District Court in Toruń
van 9 juni 2022 met kenmerk IX Ko 1199/22
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft – kort samengevat – betoogd dat de genoemde omzettingsbeslissing aan artikel 12 OLW moet worden getoetst nu geen sprake is van een ‘kale omzetting’ en dat ten aanzien van die beslissing niet kan worden afgezien van weigering. Juist ook wat betreft deze beslissing uit 2022 kan er niet van worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon nog aan een adresinstructie uit 2015 gebonden is.
Standpunt van de officier van justitie
De omzettingsbeslissing valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, nu duidelijk is dat de straf is omgezet vanwege het niet naleven van bijzondere voorwaarden, en dus geen sprake is van een nieuw strafbaar feit dat ten grondslag ligt aan de omzetting.
Oordeel van de rechtbank
Bij brief van 24 september 2024 heeft de Vice-president of the Penal Division II Judge van the Regional Court in Toruń de in de tussenuitspraak onder punt 5.2 gestelde vragen beantwoord. Uit de gegeven antwoorden blijkt dat de straf van limitation of freedom voor de opgeëiste persoon inhield een werkstraf van 30 uur per maand voor de duur van één jaar en twee maanden. Verder blijkt dat de opgeëiste persoon de tenuitvoerlegging van deze straf heeft ontlopen en daarnaast geen contact heeft gehouden met zijn reclasseringsambtenaar waarop die de rechtbank heeft verzocht de limitation of freedom om te zetten in een vervangende vrijheidsstraf. Deze omzetting is op 9 juni 2022 door the District Court in Torun bevolen overeenkomstig artikel 65 paragraaf 1 van het Poolse Wetboek van Strafvordering. Dat artikel bepaalt dat bij het ontlopen van een limitation of freedom, een vervangende vrijheidsstraf van één dag wordt opgelegd voor elke twee dagen limitation of freedom.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat bij beslissing van 9 juni 2022 de vervangende hechtenis van 212 dagen is bevolen, omdat de opgeëiste persoon niet de aan hem bij het arrest van 21 juni 2021 opgelegde (taak)straf heeft uitgevoerd en zich ook niet heeft gehouden aan de voorwaarden. De rechtbank stelt verder vast dat bij die beslissing geen beoordelingsbevoegdheid bestond ten aanzien van de aard en de duur van de vervangende straf. Dat betekent dat de omzettingsbeslissing van 9 juni 2022 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt.
4.2
Arrest van
the Regional Court in Poznań
van 26 oktober 2017 met kenmerk IV Ka 957/17.
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 19 september 2024 ten aanzien van de procedure in hoger beroep vastgesteld dat het arrest is gewezen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid, en dat het arrest - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en ook geen garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In de aanvullende informatie van 24 september 2024 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld dat de opgeëiste persoon over het aan het EAB ten grondslag liggende feit is verhoord tijdens pre-trial proceedings en dat toen aan hem een adresinstructie is verstrekt op 31 augustus 2015. Ook op 1 september 2016 is hem een adresinstructie verstrekt. Daarin is de opgeëiste persoon gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten hiervan. Deze instructies gelden voor de gehele procedure en zien dus ook op de procedure in hoger beroep, iets waar de opgeëiste persoon zich bewust van was, temeer omdat hij bijgestaan werd door een advocaat.
Uit de aanvullende informatie van 27 augustus en 3 september 2024 blijkt verder dat de oproeping voor de procedure in hoger beroep naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd en daar twee keer is aangeboden. Deze correspondentie kon echter niet aan de opgeëiste persoon op het adres worden betekend en vervolgens is de aan hem gerichte correspondentie ook niet door de opgeëiste persoon opgehaald op het postkantoor. De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 2 oktober 2024 verklaard dat hij toen tijdelijk op een ander adres in Polen verbleef, maar dat zijn moeder nog wel woonde op het opgegeven adres en dat de opgeëiste persoon toen contact had met zijn moeder. Zijn moeder had een mededeling ontvangen dat een voor de opgeëiste persoon bestemd poststuk kon worden opgehaald. Zijn moeder wilde het stuk ophalen maar het stuk werd niet aan zijn moeder afgegeven omdat het door de opgeëiste persoonlijk zelf moest worden opgehaald.
De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat de oproeping voor de procedure in hoger beroep naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres van zijn moeder is verstuurd en dat de opgeëiste persoon contact onderhield met zijn moeder. De opgeëiste persoon kon er dus van op de hoogte zijn dat sprake was van een procedure in hoger beroep. Hij heeft de oproeping voor de procedure in hoger beroep echter niet ontvangst genomen of afgehaald. De omstandigheid dat de oproeping voor de zitting in hoger beroep niet door zijn moeder kon worden opgehaald, komt geheel voor zijn rekening, omdat hij het verblijfsadres van zijn moeder had opgegeven, terwijl hij daar (tijdelijk) niet verbleef. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het proces in hoger beroep en is, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij dat proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie over dat proces.
6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 287 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Toruń (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. C. Klomp en R.W.L. Koopmans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2024:5903.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).