Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-19
ECLI:NL:RBAMS:2024:8618
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,638 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/108998-24
Datum uitspraak: 19 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 7 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 februari 2024 door the Regional Court in Gliwice, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 14 augustus 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. D.C. Dorrestein, advocaat in Houten.
De opgeëiste persoon heeft uitdrukkelijk afstand gedaan van zijn recht om bij de inhoudelijke behandeling van het EAB aanwezig te zijn. De schriftelijke afstandsverklaring van 14 augustus 2024 is in het dossier gevoegd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd en voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Gelet op het lopende onderzoek naar de detentieomstandigheden voor voorlopig gehechten in Polen, heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen op de zitting nogmaals met dertig dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid (oud), OLW, met gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding voor de duur van dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Tussenuitspraak van 28 augustus 2024
De rechtbank heeft op 28 augustus 2024 een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om via de officier van justitie vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden.
Bij tussenuitspraak is de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid (oud), OLW met dertig dagen verlengd en is de gevangenhouding ook met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 17 oktober 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.C. Dorrestein, advocaat in Houten, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak 31 oktober 2024
De rechtbank heeft op 31 oktober 2024 opnieuw een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen met betrekking tot de detentieomstandigheden.
Bij tussenuitspraak is de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met zestig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 5 december 2024
De rechtbank heeft het onderzoek - met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling - hervat op de zitting van 5 december 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.C. Dorrestein, advocaat in Houten, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en opnieuw vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
2Tussenuitspraken
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraken van 28 augustus 2024 en 31 oktober 2024. De daarin opgenomen overwegingen dienen hier alle als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen zij in dit kader heeft overwogen in haar tussenuitspraken van 28 augustus 2024 en 31 oktober 2024. De rechtbank achtte de tot dusver gegeven antwoorden op vragen over de detentieomstandigheden onvoldoende concreet. Kort samengevat heeft de rechtbank in dat kader overwogen dat van belang is om duidelijkheid te verkrijgen over hoeveel uren per dag de opgeëiste persoon, indien hij dat wil (al dan niet door deelname aan activiteiten), in het Huis van Bewaring in Gliwice minimaal buiten zijn cel zal kunnen/mogen verblijven. Met de mededeling over het tijdsbestek waarbinnen de activiteiten worden georganiseerd, is die duidelijkheid niet verschaft. Uit de verdere informatie volgt namelijk dat de vraag of de opgeëiste persoon uiteindelijk ook aan de activiteiten zal kunnen/mogen deelnemen, afhankelijk is van het dagelijkse rooster dat intern wordt bepaald, binnen het Huis van Bewaring in Gliwice. Afgezet tegen de informatie uit het CPT rapport van 22 februari 2024 dat voorlopig gehechten, die doorgaans niet meer dan tussen de 3 en 4 m2 levensruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel hebben, gemiddeld genomen 23 uur per dag doorbrengen in hun cel, bieden de tot dusver gegeven antwoorden onvoldoende zekerheid dat het algemene gevaar dat eerder door de rechtbank is aangenomen, is uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon.
De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, de beslissing over de overlevering aangehouden.
Naar aanleiding hiervan zijn vanuit het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) nadere vragen gesteld betreffende de tijd dat een voorlopig gehechte dagelijks gegarandeerd buiten de cel mag verblijven. Ter verduidelijking, is een voorbeeld van beantwoording van de vragen die voor de rechtbank voldoende was, meegezonden. Op 26 november 2024 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt.
In response to your enquiries, contained in the email sent on 20 November 2024, concerning how much time per day a provisionally detained person may spend outside the residential cell related to a Polish citizen [opgeëiste persoon] , who, after his surrender to the Polish authorities, will be detained in the Remand Prison in Gliwice, I kindly provide the following additional information.
Based on the data made available by the abovementioned penitentiary unit, we inform you that the detainee will be able to spend two and a half hours outside his cell per day. This time includes a one-hour outdoor walk and participating in common room activities or interest circles.
The two-and-a-half-hour time does not include other activities during which the detainee also remains outside his residential cell.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende informatie van 26 november 2024, inhoudende de garantie dat de opgeëiste persoon tweeënhalf uur per dag buiten zijn cel zal kunnen verblijven, voldoet om het gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon als gedetineerde in het remand regime weg te nemen. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verstrekte garantie. Daarmee is sprake van gewijzigde omstandigheden. De persoonlijke celruimte zal hiermee voor de opgeëiste persoon immers tussen de 3 en 4 m2 zijn, terwijl de opgeëiste persoon daarnaast gegarandeerd tweeënhalf uur per dag buiten zijn cel zal kunnen verblijven door te wandelen (één uur) en deel te nemen aan activiteiten. Daarnaast zal de opgeëiste persoon nog extra tijd buiten zijn cel kunnen verblijven in het kader van bezoeken of beloningen voor goed gedrag. De rechtbank is daarom van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).
De detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon in Polen na overlevering staan dus niet in de weg aan het toestaan van de overlevering.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 11 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gliwice, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. A.J. Scheijde en J.B. Oreel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2024:5368.
ECLI:NL:RBAMS:2024:7596