Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-13
ECLI:NL:RBAMS:2024:8516
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,748 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5695
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] [eiseres] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering het maandloon van de WIA-uitkering van wijlen [eiseres] (hierna: de heer [naam] ), de op 10 juni 2024 overleden echtgenoot van eiseres, aan te passen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 8 augustus 2023 op het bezwaar van de heer [naam] is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. Verweerder was niet aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
2. De heer [naam] heeft gewerkt als bakker in dienst van het restaurant bij [bedrijfsnaam] . Met een besluit van 23 maart 2023 heeft verweerder hem een IVA-uitkering toegekend vanaf 7 november 2022 ten bedrage van € 500,37 bruto per maand. Zijn maandloon is daarbij vastgesteld op € 3.890,42. Het dagloon is vastgesteld op € 178,87.
3. In bezwaar heeft de heer [naam] aangevoerd dat zijn inkomen in de referteperiode lager is geweest dan normaal, omdat de werkgever de bonus/winstuitkering die hij voor de coronaperiode elk jaar ontving later heeft uitbetaald. De werkgever had een zware tijd door de lockdowns en mocht op grond van de NOW-regeling geen extra bedragen uitkeren aan werknemers. De heer [naam] is hier enorm door benadeeld, omdat hij hierdoor een uitkering krijgt die veel lager ligt dan waar hij onder normale omstandigheden recht op zou hebben gehad. Dat nadeel blijft bestaan tot aan de datum dat hij met pensioen gaat.
4. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens verweerder is het maandloon van de heer [naam] op juiste wijze vastgesteld. Vanwege de dwingendrechtelijke regelgeving kan de winstuitkering van € 18.641,47, die niet in de referteperiode is uitbetaald, maar pas in december 2020, niet worden meegerekend bij de berekening van het maandloon.
5. In beroep heeft de heer [naam] aangevoerd dat zijn situatie zo bijzonder is dat van strikte toepassing van de wet- en regelgeving moet worden afgeweken.
6. De gemachtigde van eiseres de rechtbank meegedeeld dat de heer [naam] op 10 juni 2024 is overleden en dat eiseres het beroep wenst voort te zetten.
Beoordeling
7. Artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: Dagloonbesluit) luidt: "Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan."
8. In het geval van de heer [naam] liep de referteperiode van 1 november 2019 tot 31 oktober 2020. Vaststaat dat de heer [naam] recht had op een bonus over 2019 die is betaald in december 2020. De hoogte van die bonus is niet in geschil. Ook is niet in geschil dat de bonus, die onlosmakelijk aan de functie van de heer [naam] verbonden was, als loon moet worden aangemerkt als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit.
9. Eiseres heeft niet betwist dat verweerder het dagloon in overeenstemming met het bepaalde in de Dagloonbesluit heeft vastgesteld. Zij is echter van mening dat de omstandigheden van haar overleden echtgenoot zodanig waren dat verweerder hiervan had moeten afwijken en een uitzondering had moeten maken.
10. De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraak van 16 juli 2024 van de Centrale Raad van Beroep, waarin onder meer het volgende is overwogen:
“4.2. Uit de uitspraak van de Grote Kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 20243 volgt dat, wanneer het zoals hier gaat om een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, bijzondere omstandigheden kunnen maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk (‘onder de streep’) moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (evenredigheid ‘stricto sensu’). Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbende(n) onredelijk bezwarend is.
4.3.
Uit de toelichting op het Dagloonbesluit volgt dat dat de besluitgever er bewust voor heeft gekozen de mogelijkheid tot het maken van uitzonderingen op de op grond van het Dagloonbesluit vast te stellen referteperiode te beperken tot de in het Dagloonbesluit gemaakte uitzonderingen. Hiervoor is bewust gekozen omdat het uitgangspunt van het Dagloonbesluit is dat het dagloon op een eenvoudige wijze moet kunnen worden berekend aan de hand van de gegevens uit de polisadministratie. Daarvan is geen sprake als het Uwv telkens moet bezien of er aanleiding bestaat uit te gaan van een andere referteperiode. […].
11. De vraag is of er in dit geval bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat de toepassing van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. Allereerst was er sprake van bijzondere omstandigheden vanwege de COVID-19 epidemie. Ondernemers hadden in die periode te maken met omstandigheden die niet tot het gewone ondernemersrisico behoorden. Dat was ook de reden dat de NOW-regeling tot stand is gekomen. Het uitbetalen van de bonus van € 18.641,47 was, mede gezien de onduidelijkheden rondom de NOW-regeling, een onverantwoord bedrijfsrisico voor de oud-werkgever van de heer [naam] , die toch al in zwaar weer verkeerde door een gedeeltelijke en later een volledige sluiting. Dit volgt uit een schriftelijke verklaring van de oud-werkgever waarin hij toelicht waarom de bonus laat is uitgekeerd. De bonus werd in de jaren 2018 en 2019 daarentegen altijd voor of net na de zomer uitgekeerd. Uiteindelijk heeft de accountant goedkeuring gegeven voor de bonus en is in december 2020 de bonus alsnog betaald. De rechtbank overweegt dat het aannemelijk is dat, indien er geen sprake was geweest van corona, de bonus wel zou zijn betaald in de referteperiode en zou zijn meegerekend bij het bepalen van het dagloon. Dat de omstandigheden in 2020 anders waren, ligt dus volledig buiten de schuld van de heer [naam] of zijn werkgever.
12. De heer [naam] ontving een IVA-uitkering. Deze uitkering is blijkens de memorie van toelichting bij deze wet bedoeld om degene die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, een toekomstbestendige en stabiele sociale verzekering te bieden tot de pensioengerechtigde leeftijd die de inkomensgevolgen van volledig duurzame arbeidsongeschiktheid opvangt. De heer [naam] had geen toekomstperspectief meer op het verkrijgen van inkomen. Het niet meerekenen van de bonus betekent in dit geval een aanzienlijke verlaging van zijn uitkering, die geen redelijke weerspiegeling is van zijn welvaartsniveau. Dit nadeel geldt eveneens voor eiseres en haar kinderen.
13. De rechtbank is dan ook van oordeel dat strikte toepassing van de artikel 15 van het Dagloonbesluit een onevenredig groot nadeel voor eiseres oplevert in verhouding met de in het Dagloonbesluit te dienen doelen en dat de gevolgen daarvan dus moeten worden weggenomen. De toepassing van artikel 15 van het Dagloonbesluit kan in dit geval de onder 10 opgenomen toets niet langer doorstaan wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Deze bepaling moet in dit bijzondere geval buiten toepassing worden gelaten, in zoverre dat de beperking tot de referteperiode niet geldt voor de bonus en de bonus alsnog in de berekening van het dagloon moet worden betrokken. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
14. Het beroep van eiseres is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de berekening van het dagloon betreft.
15. Eiseres heeft recht op terugbetaling van het griffierecht door verweerder.
Verweerder dient tevens de proceskosten van eiseres te vergoeden. Deze kosten worden door de rechtbank vastgesteld op € 1.750,- (één punt voor het beroepschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting, à € 875,- per punt).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de hoogte van het dagloon per 7 november 2022 is vastgesteld op € 178,87;
draagt het Uwv op binnen zes weken in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
griffier
rechter
de griffier is niet in staat
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten.
Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid.
ECLI:NL:CRVB:2024:1495.
Zie de Kamerstukken II 2004/05, 30034, nr. 3, p. 22.