Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-25
ECLI:NL:RBAMS:2024:8349
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,630 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/016546-24
Datum uitspraak: 25 september 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L.A. ter Veer, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.R. Ytsma, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de deskundige J. van der Meer (psychiater) naar voren heeft gebracht.
2De tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 15 januari 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1. het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] ( [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;
2. het schenden van de eerbaarheid op een niet openbare plaats terwijl [naam vader] daarbij zijns ondanks tegenwoordig was.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3De waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman vindt dat verdachte van het plegen van ontucht (feit 1) moet worden vrijgesproken, omdat het betasten van de billen van [slachtoffer] en het in bed gaan liggen naast [slachtoffer] handelingen zijn die niet zijn te kwalificeren als ontuchtige handelingen. Ten aanzien van het plegen van schennis der eerbaarheid (feit 2) heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Beoordeling
De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het met [slachtoffer] plegen van ontuchtige handelingen door in zijn bed, tegen zijn billen, te gaan liggen en zijn billen met de hand te betasten (feit 1) en het plegen van schennis der eerbaarheid terwijl [naam vader] daarbij zijns ondanks tegenwoordig was (feit 2).
In tegenstelling tot de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 tenlastegelegde handelingen zijn aan te merken als ontuchtig. Het midden in de nacht een slaapkamer van een minderjarige jongen binnendringen, vervolgens de billen van die jongen te betasten en naast die jongen in bed te gaan liggen is in strijd met een sociaal ethische norm. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte, nadat de jongen uit bed is geklommen en zijn vader heeft gehaald, in de kamer is aangetroffen, terwijl hij zichzelf aan het bevredigen was. Hieruit volgt dat verdachte seksuele intenties had. Het verweer van de raadsman wordt op dit punt verworpen.
4De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1
op 15 januari 2024 te Amsterdam met [slachtoffer] ( [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het in bed gaan liggen bij voornoemde [slachtoffer] , het tegen de billen aanliggen en het met de hand betasten van de billen;
ten aanzien van feit 2:
op 15 januari 2024 te Amsterdam de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten een slaapkamer, terwijl een ander, te weten [naam vader] , daarbij zijns ondanks tegenwoordig was, door zijn ontblote geslachtsdeel in zijn hand te nemen en aan voornoemde [naam vader] te tonen en zichzelf in het zicht van voornoemde [naam vader] bevredigen.
5De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 5 juli 2024 opgesteld door J. van der Meer (psychiater). De deskundige heeft, kort gezegd, geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. Deze stoornis was ten tijde van het bewezenverklaarde aanwezig en beïnvloedde de gedragskeuzes en de gedragingen van verdachte. Ten tijde van het van het ten laste gelegde was bij verdachte sprake van een psychose. Alhoewel het bestaan van een andere stoornis als oorzaak niet volledig kan worden uitgesloten, acht de deskundige het meest waarschijnlijk dat die door middelengebruik is ontstaan.
Doordat betrokkene zich het tenlastegelegde niet herinnert, is het niet duidelijk geworden op welke manier de psychose van invloed is geweest op het tenlastegelegde en of het tenlastegelegde bij een bewezenverklaring volledig of gedeeltelijk werd veroorzaakt door de psychose.
De rechtbank stelt op basis van het voornoemde rapport vast dat ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde sprake was van een psychose en dat het handelen van verdachte door deze psychose werd beïnvloed. Daarbij stelt de rechtbank ook een causaal verband tussen de psychose en het bewezenverklaarde vast. Daarentegen kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen of de psychose tot gevolg heeft gehad dat verdachte de wederrechtelijkheid en de morele ongeoorloofdheid van het bewezenverklaarde niet heeft kunnen begrijpen, dan wel dat hij die wederrechtelijkheid en die morele ongeoorloofdheid wél heeft kunnen begrijpen maar niet in overeenstemming met dat besef heeft kunnen handelen of dat erbij verdachte al dan niet sprake was van enige keuzevrijheid.
Op basis van de bevindingen van de deskundige komt de rechtbank echter wel tot de conclusie dat de psychose (mede) moet zijn veroorzaakt door het middelengebruik van verdachte, nu immers alles in die richting wijst. Met betrekking tot het gebruik van middelen stelt de rechtbank bovendien vast dat verdachte daar een zekere keuzevrijheid had. Naar het oordeel van de rechtbank kan hij daarmee ook in enige mate verantwoordelijk worden gehouden voor zijn handelen tijdens de als gevolg van dat middelengebruik opgetreden psychose (culpa in causa). Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij eerder door het gebruik van alcohol en drugs in de toestand is geraakt dat hij zich nadien in het geheel niet meer kon herinneren wat er rond het moment van dat gebruik is voorgevallen. Dat verdachte niet heeft geweten of kunnen voorzien dat bij deze specifieke gelegenheid door zijn alcohol- en drugsgebruik een psychose zou optreden als gevolg van het middelengebruik doet hier niet aan af.
Alles afwegende acht de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het bewezenverklaarde.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit, indien verdachte niet van alle rechtsvervolging wordt ontslagen, dat aan hem geen langere gevangenisstraf moet worden opgelegd dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
7.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee zedendelicten. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een minderjarig slachtoffer door het betasten van de billen van het slachtoffer en door naast het slachtoffer, tegen zijn billen, te gaan liggen. Strafverzwarende omstandigheden zijn dat de ontucht heeft plaatsgevonden in een asielzoekerscentrum, nota bene in de slaapkamer van het slachtoffer en zijn minderjarige zusje en dat verdachte de slaapkamerdeur van binnenuit op slot heeft gedaan. Een asielzoekerscentrum is bij uitstek de plek waar asielzoekers zich, vanwege hun kwetsbare positie, veilig moeten kunnen voelen. Verdachte heeft door zijn handelen het veiligheidsgevoel van het slachtoffer en zijn gezin aangetast. Ook heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijk en psychische integriteit van het minderjarige slachtoffer. Uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt bovendien dat bij het slachtoffer klachten zijn ontstaan die passen bij (partiële) PTSS. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats door zich af te trekken in de slaapkamer van het minderjarige slachtoffer, terwijl de vader van het slachtoffer daarbij aanwezig was. Dit betreft een kwalijk feit waarmee verdachte de eerbaarheid van vader heeft geschonden. Vader is ongewild getuige geweest van het oneerzame handelen van verdachte.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 september 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de onder rubriek 6 genoemde Pro Justitia rapportage waaruit blijkt dat bij verdachte een stoornis is vastgesteld en hierdoor een psychose is ontstaan. De deskundige is van mening dat, indien de psychose in remissie blijft, het recidiverisico laag zal blijven. Bij een nieuwe psychose zal het recidiverisico hoog zijn. Verder heeft verdachte geen verblijfsstatus in Nederland, waardoor hij geen toegang tot zorg heeft en begeleiding vanuit de reclassering niet mogelijk is. Ter terechtzitting van 11 september 2024 heeft de deskundige de conclusies van dit rapport bevestigd.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 17 januari 2024, opgemaakt door [naam reclasseringsmedewerker] (reclasseringswerker). Hieruit blijkt – zakelijk weergegeven – dat de reclassering geen mogelijkheden heeft voor het bieden van passende hulpverlening, omdat verdachte geen geldige verblijfstitel in Nederland heeft.
De strafoplegging
De rechtbank is van oordeel, gelet op het voorgaande, dat met geen andere straf kan worden volstaan dan een gevangenisstraf. Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
8Het beslag
Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen zoals vermeld op de beslaglijst in bijlage III die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Verbeurdverklaring
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven verpakkingsmaterialen (nummers 1 en 2 op de beslaglijst) worden verbeurdverklaard, omdat met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan.
9De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 25,87 aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Materiële schade (reiskosten)
De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van zijn reiskosten komt in aanmerking voor toewijzing, voor zover de benadeelde partij die schade als rechtstreeks gevolg van het onder feit 1 bewezenverklaarde heeft geleden.
De gevorderde reiskosten die de aangifte, gesprekken met de advocaat en de officier van justitie en het bijwonen van de zittingen betreffen, kunnen niet worden aangemerkt als schade die benadeelde rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Het zijn geen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Voor vergoeding van die kosten biedt het BW noch enige andere relevante regeling een wettelijke grondslag. Die kosten zijn in de gegeven omstandigheden evenmin aan te merken als voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Vooropgesteld wordt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een redelijke uitleg van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering (voorheen artikel 592a) met zich brengt dat bij de bepaling van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt de maatstaf voor de toekenning van proceskosten ontleend aan de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Deze proceskostenregeling is een limitatieve en exclusieve regeling, behoudens bijzondere omstandigheden (HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600).
Volgens artikel 238, eerste en tweede lid, in verbinding met artikel 239 Rv komen alleen als kosten voor vergoeding in aanmerking: reis-, verlet- en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Voor andere reis-, verblijfs- of verletkosten – zoals voor het bezoeken van leden van het openbaar ministerie of de advocaat – kent de proceskostenregeling geen vergoeding. De kosten die – als het niet tot een gerechtelijke procedure komt – als schade voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen in de zin van artikel 6:96, tweede lid, onder b BW, zoals kosten ter vaststelling van schadeaansprakelijkheid, vormen onderdeel van en zijn begrepen in de vergoedingen die kunnen worden toegekend op grond van het wettelijk stelsel van proceskosten in civiele zaken, indien het wél tot een procedure komt (vgl. artikel 241 Rv).
Voor vergoeding van andere kosten dan de in deze regeling neergelegde is, behoudens bijzondere omstandigheden, geen plaats. Voor de voeging in het strafproces is geen procesvertegenwoordiging vereist. In dit geval is de benadeelde partij tijdens de zitting bijgestaan door een advocaat.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de gevorderde reiskosten gemaakt voor de gesprekken met de advocaat en de officier van justitie en het bijwonen van de zittingen geen rechtstreekse materiële schade zijn en evenmin toewijsbaar zijn als proceskosten op grond van de genoemde proceskostenregeling. Deze gevorderde materiële schade ter hoogte van € 15,57 zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
Daarentegen acht de rechtbank de reiskosten voor de behandeling bij de psycholoog wel rechtstreeks materiële schade als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. Deze schade is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen voor een bedrag van € 10,30.
Beoordeling
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 1.010,30 bestaande uit € 10,30 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank zal in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen.
10De vordering van de benadeelde partij [naam vader]
De benadeelde partij [naam vader] vordert € 500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De vordering is onvoldoende onderbouwd en het toelaten van nadere onderbouwing en bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
11De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 57, 239, 247 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;
ten aanzien van feit 2:
schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart verbeurd:
1. STK verpakkingsmateriaal (Omschrijving: PL1300-2024011514-G6449413, Dopje van tube)
2. 1 STK verpakkingsmateriaal (Omschrijving: PL1300-2024011514-G6449412, Nivea crème)
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 10,30 (tien euro en dertig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 januari 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.010,30 (duizendentien euro en dertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 januari 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart [naam vader] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. J.M.R. Vastenburg en mr. M. Smeets, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Niemeijer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2024.
[…]
.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]