Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-15
ECLI:NL:RBAMS:2024:830
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Wraking
1,151 tokens
Dictum
[verzoeker] en [verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekers,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.C. Loman, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
het op 12 februari 2024 ontvangen wrakingsverzoek.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
Feiten
2.1.
Bij de rechtbank is een beroepszaak van verzoekers in behandeling (zaaknummer AMS 23/5383).
2.1.
Op 12 februari 2024 om 15:40 uur was de mondelinge behandeling gepland. Om 15:30 uur is het wrakingsverzoek door de rechter ontvangen. De behandeling is geschorst. Verzoekers zijn niet verschenen.
2.2.
In de kern leggen verzoekers aan hun wrakingsverzoek ten grondslag dát een zitting is gepland op 12 februari 2024. Voorts wensen zij verwijzing van de behandeling van het wrakingsverzoek naar een andere rechtbank en willen zij hun verzoek nader toelichten tijdens een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.
Beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat ook de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid grond kan zijn voor wraking.
3.3.
In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat
het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.4.
Dat de mondelinge behandeling op 12 februari 2024 is vastgesteld, betreft een (proces)beslissing die geen grond voor wraking kan opleveren. Hetgeen verzoekers verder nog hebben aangevoerd dienden zij juist op die zitting naar voren te brengen. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
3.5.
Volgens het wrakingsprotocol van deze rechtbank is het uitgangspunt dat een wrakingsverzoek wordt behandeld door leden van de rechtbank Amsterdam. Er zijn geen omstandigheden gebleken die nopen van dit uitgangspunt af te wijzen.
3.6.
Omdat verzoekers het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder redelijke grond, hebben ingezet, is naar het oordeel van de Wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking in de zaak niet in behandeling wordt genomen.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
Dictum
De Wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.