Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-16
ECLI:NL:RBAMS:2024:827
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,360 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/719368 / FA RK 22-3937
Beschikking van 16 februari 2024 betreffende een omgangsregeling, informatieregeling, kinderalimentatie en kostenveroordeling
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. I. Heijselaar te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.M. Stam te Zaandam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam, locatie Amsterdam,hierna te noemen: de Raad.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank houdt rekening met de beschikking van 4 oktober 2023, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het F9-formulier van de man van 18 januari 2024;
- het F9-formulier van de man van 26 januari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari 2024.
Verschenen zijn: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mw J.M. Boom, tolk Portugees,
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- mevrouw [naam] namens de Raad.
1.3.
Mr. Heijselaar heeft tijdens de mondelinge behandeling pleitaantekeningen overgelegd.
2De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar beschikking van 4 oktober 2023. Bij deze beschikking heeft de rechtbank het ouderschap van de man vastgesteld ten aanzien van [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020 en de overige verzoeken, met betrekking tot de omgangsregeling, de informatieregeling, de kinderbijdrage en de kostenveroordeling aangehouden.
Omgangsregeling
2.2.
Ingevolge artikel 1:377a BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
2.3.
De vrouw verzoekt een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] eens in de twee weken op zaterdag van 12:00 uur tot en met 17:00 uur, voorafgegaan door een stapsgewijze opbouw, in eerste instantie onder begeleiding, althans een omgangsregeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt. De vrouw voert voor haar verzoek aan dat [minderjarige] een vader mist en nieuwsgierig is naar de man. Zij begrijpt niet dat haar vader haar niet wil zien. De vrouw verwijst naar rechtspraak waarin een ouder gedwongen kan worden tot omgang.
2.4.
De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek. Hij geeft aan voorlopig geen omgang te willen, mogelijk in de toekomst wel. Hij beroept zich op zwaarwegende belangen aan zijn kant om geen omgang te hebben, te weten de zeer slechte relatie die hij met de vrouw heeft en de daardoor te verwachten spanningen die [minderjarige] zullen belasten en verder het effect op zijn andere dochter, die hem de relatie met de vrouw kwalijk neemt. Hij vindt dat van hem niet kan worden gevergd dat er tegen zijn zin een omgangsregeling met het kind wordt vastgesteld. Daarnaast is de man bang dat bij dit kind weer betrokkenheid van Jeugdzorg zal volgen, iets waar hij slechte ervaringen mee heeft. Hij stelt een nieuw traject met hulpverlening simpelweg emotioneel niet aan te kunnen. Wel wil hij graag informatie over [minderjarige] ontvangen.
2.5.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de weerstand die de man heeft tegen vaststelling van een omgangsregeling in dit geval en onder deze omstandigheden serieus genomen moet worden. Voor [minderjarige] is echter heel belangrijk dat zij in ieder geval weet wie haar vader is en hoe hij eruitziet. De Raad is daarom van mening dat er wel van de man gevraagd kan worden foto’s en/of kaartjes aan [minderjarige] te sturen, zodat haar kan worden uitgelegd wie haar vader is en zij het gevoel kan hebben dat ze een vader heeft. De man hoeft dan nog niet direct fysiek betrokken te worden. De man is bereid om kinderalimentatie te betalen en neemt op dat vlak wel zijn verantwoordelijkheid. Als de man daarin toestemt kan het contact op een later moment wat worden uitgebreid en kan er misschien worden gemaild, waarbij de man en [minderjarige] elkaar over zichzelf vertellen. De Raad adviseert de man om het FIOM te benaderen. Verder is belangrijk dat de vrouw de man kan laten weten hoe met [minderjarige] gaat en wat zij leuk vindt, zodat de man kan reageren op die informatie. Het is belangrijk dat [minderjarige] een positief gevoel bij de man heeft.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] als zij, door middel van regelmatig (maandelijks) foto’s en kaartjes sturen door de man, eerst op de hoogte raakt wie haar vader is en hoe hij eruit ziet. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij daartoe bereid is en de rechtbank zal dit vastleggen in de beschikking. De rechtbank acht het op dit moment niet opportuun om een vaste omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen, gelet op de gevoelens van de man. De verwachting van de rechtbank is dat een afgedwongen regeling in dit geval meer kwaad dan goed zal doen. Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.
Informatieregeling
2.7.
De man verzoekt een informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de vrouw ieder kwartaal, op de eerste werkdag van het kwartaal aan de man per e-mail een update zal geven over:
- de gezondheid van de minderjarige;
- indien van toepassing: de schoolgang en schoolresultaten van de minderjarige;
- indien van toepassing: de sport van de minderjarige;
- indien van toepassing: de hobby’s van de minderjarige;
- de (andere) interesses van de minderjarige;
- en om daarbij een recente goed gelijkende kleurenfoto mee te sturen.
2.8.
De vrouw wenst dat het verzoek van de man om een informatieregeling alleen wordt toegewezen als er een omgangsregeling wordt vastgesteld.
2.9.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] zal zijn als het verzoek van de man om informatie wordt toegewezen. Het contact tussen de man en [minderjarige] zal hopelijk op gang komen als de man op de hoogte is van wat er speelt in het leven van [minderjarige] en hij haar beter leert kennen.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat de vrouw is gehouden ieder kwartaal, op de eerste werkdag van het kwartaal aan de man per e-mail een update zal geven over:
- de gezondheid van de minderjarige;
- indien van toepassing: de schoolgang en schoolresultaten van de minderjarige;
- indien van toepassing: de sport van de minderjarige;
- indien van toepassing: de hobby’s van de minderjarige;
- de (andere) interesses van de minderjarige,
- en om daarbij een recente goed gelijkende kleurenfoto mee te sturen;
3.2.
bepaalt dat de man € 254,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, met ingang van 3 mei 2023, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.3.
veroordeelt de man en de vrouw elk bij helfte in de kosten verbonden aan het deskundigenonderzoek en deze als volgt te voldoen:
aan de griffier van deze rechtbank:
€ 685,- aldus voor ieder € 342,50,-,
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders verzochte af;
3.6.
bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier, op 16 februari 2024
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.