Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-31
ECLI:NL:RBAMS:2024:8244
Strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,594 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/062571-24
Datum uitspraak: 31 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 23 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2023 door the Circuit Court in Katowice, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 april 2024 en daarna
voortgezet op de zittingen van 4 juni 2024, 4 juli 2024, 30 oktober 2024 en op 12 december 2024. Op de zittingen waren achtereenvolgens de volgende officieren van justitie aanwezig: mr. A.L. Wagenaar, mr. M. al Mansouri, mr. S.J. Wirken, mr. K. van der Schaft en mr. W.H.R. Hogewind. De opgeëiste persoon is aanwezig geweest op de eerste drie zittingen en werd toen bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.M. Steller, advocaat te Schiphol. Op de laatste twee zittingen was de opgeëiste persoon niet aanwezig. Hij is toen vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman.
De rechtbank heeft op 24 april 2024, 18 juni 2024, 18 juli 2024 en op 13 november 2024 tussenuitspraak gedaan. De heropeningen van het onderzoek waren steeds in verband met nader onderzoek naar de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon in Polen. Op 9 augustus 2024, 6 september 2024 en 9 oktober 2024 is de zaak in raadkamer behandeld in verband met de verlenging van de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen en de overleveringsdetentie. De rechtbank heeft die beslistermijn eerst met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, derde lid. OLW en daarna steeds, de laatste keer op 30 oktober 2024, met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid. OLW.
De rechtbank heeft op de zitting van 10 april 2024 voor sluiting van het onderzoek ter zitting
de gevangenhouding bevolen. De gevangenhouding is bij de verlengingen van de
Dictum
van artikel 27, derde lid, OLW. Bij beslissing van 9 augustus 2024 is de gevangenhouding
geschorst.
De rechtbank heeft op de zitting van 12 december 2024 de onderbreking van het onderzoek bevolen en medegedeeld dat het onderzoek zal worden hervat op de zitting van 31 december 2024 rond 12:15 uur waar de behandeling met toestemming van partijen unus zal worden gesloten en direct uitspraak zal worden gedaan.
De rechtbank heeft op 31 december 2024 met toestemming van partijen het onderzoek hervat in de stand waarin het zich voor de onderbreking op 12 december 2024 bevond.
De rechtbank heeft op 31 december 2024 het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak
De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 24 april 2024 reeds is
geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de dubbele strafbaarheid van de feiten. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 24 april 2024, onder punt 4 van de tussenuitspraak van 18 juni 2024, onder punt 4 van de tussenuitspraak van 18 juli 2024 en onder punt 4.4 van de tussenuitspraak van 13 november 2024. De overwegingen uit voornoemde uitspraken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Naar aanleiding van de laatste tussenuitspraak is de directeur van de detentie-instelling in Myslowice gevraagd om de telefonisch verstrekte garantie – inhoudende dat de opgeëiste persoon over vier vierkante meter exclusief sanitaire voorzieningen zal beschikken – schriftelijk te bevestigen. Bij brief van 5 november 2024 heeft de gouverneur bij de penitentiaire inrichting in Myslowice bevestigd:
‘I refer to the letter concerning the planned surrender of a Polish national, [opgeëiste persoon] , son of [naam vader] (born on [geboortedag] 1992), from the territory of the Kingdom of the Netherlands, which was received in this penitentiary unit on 4th November 2024. Please be advised that in case the above named is surrendered to the Detention Centre in Myslowice, he will be placed in a cell with an area of a minimum of 4 square meters.’
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit bovengenoemd antwoord niet duidelijk blijkt dat het gaat om 4 m2 exclusief sanitair. Om die reden is het algemene gevaar van een behandeling in strijd met artikel 4 Handvest voor de opgeëiste persoon niet weggenomen met bovenstaande informatie. Daarnaast heeft de raadsman verzocht zijn verweren ten aanzien het contact met de buitenwereld als herhaald te beschouwen. De overlevering dient daarom te worden geweigerd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat met de laatste aanvullende informatie voldoende gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon een cel van 4 vierkante meter exclusief sanitair zal krijgen, zodat de detentiegarantie voldoende is en de overlevering kan worden toegestaan.
Beoordeling
Met betrekking tot het door de raadsman herhaalde verweer ten aanzien van het contact met de buitenwereld, overweegt de rechtbank dat zij daarover al heeft geoordeeld onder nummer 4 van haar tussenuitspraak van 13 november 2024 en zij geen aanleiding ziet om dat oordeel te heroverwegen.
Gelet op de e-mail van 25 oktober 2024 van the judge of the Circuit Court in Katowice – dat de opgeëiste persoon over een celruimte van minimaal 4 m2 zal beschikken –, de bevestiging in de e-mail van 29 oktober 2024 – dat dit exclusief sanitaire voorzieningen is – en gelet op de vraag aan de gouverneur bij de penitentiaire inrichting in Myslowice om voornoemde garantie te bevestigen, en zijn voornoemde bevestiging van 5 november 2024, gaat de rechtbank ervan uit dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering over een celruimte van 4m2 exclusief sanitaire voorzieningen zal beschikken. De rechtbank is, gelet op deze toezeggingen van de Poolse autoriteiten in samenhang met de gestelde vragen gelezen, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in de detentie-instelling waar hij na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Poolse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garanties ten aanzien van de opgeëiste persoon in deze detentie-instelling immers weggenomen. De Poolse detentieomstandigheden staan daarom niet aan overlevering in de weg.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 45, 47, 287 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Katowice, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mr. J.P.W. Helmonds en mr. D.A. Segbedzi rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede en mr. E.A. Harland, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
ECLI:NL:RBAMS:2024:6922.
ECLI:NL:RBAMS:2024:2694, ECLI:NL:RBAMS:2024:4276, ECLI:NL:RBAMS:2024:4661.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).