Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-24
ECLI:NL:RBAMS:2024:8205
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,466 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-100307-24
Datum uitspraak: 24 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 14 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 maart 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 december 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. Hij heeft zijn voornemen niet te verschijnen per e-mail aan de rechtbank gemeld, waarna hem nogmaals te kennen is gegeven dat hij wel moest verschijnen. Zijn raadsvrouw, mr. A.T. Segers, advocaat te Rotterdam, heeft verklaard door de opgeëiste persoon niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn namens hem het woord te voeren.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Nu de opgeëiste persoon ondanks de verplichting die hij hiertoe had, niet verschenen is op de zitting, is bij het bevel gevangenhouding geen gelijktijdige schorsing bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgment van the Local Court in Drawsko Pomorskie van 1 maart 2021 met referentie II K 352/20. Uit het EAB blijkt dat bij dit vonnis een voorwaardelijke straf is opgelegd met een proeftijd van twee jaar en dat bij beslissing van het Local Court in Drawsko Pomorskie van 7 maart 2023 tot de tenuitvoerlegging van deze straf is besloten. Uit de aanvullende informatie van 29 oktober 2024 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat een tweetal vonnissen waarbij de opgeëiste persoon veroordeeld is voor feiten, begaan gedurende de proeftijd, tot de tenuitvoerlegging hebben geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en vijf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de procedure die heeft geleid tot de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (het vonnis van the Local Court in Drawsko Pomorskie met kenmerk II K 352/20).
De vonnissen waarin de opgeëiste persoon veroordeeld is voor ‘triggerende feiten’ moeten eveneens getoetst worden aan artikel 12 OLW. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 406/22 volgt uit de aanvullende informatie van 7 november 2024 dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, daarbij een adres in Polen heeft opgegeven en dat de oproep voor de zitting ook daadwerkelijk naar het door hem opgegeven adres is gestuurd. Voor de tweede veroordeling met kenmerk II K 416/22 geldt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting, maar dat artikel 12, sub c, OLW van toepassing is. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich voor die tweede veroordeling dan ook niet voor.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van het EAB vast dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 1 maart 2021 door the Local Court in Drawsko Pomorskie (met kenmerk II K 352/20). De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is ten aanzien van deze procedure niet aan de orde.
Als gevolg van twee veroordelingen voor strafbare feiten begaan gedurende de proeftijd is de tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf op 7 maart 2023 bevolen door the Local Court in Drawsko Pomorskie. De beslissing tot tenuitvoerlegging van 7 maart 2023 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. De rechtbank zal de twee procedures die in onderhavige zaak hebben geleid tot veroordelingen voor nieuwe strafbare feiten hierom ook toetsen aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.
Vonnis van
the District Court in Drawsko Pomorskie
van 17 oktober 2022 met kenmerk II K 406/22
De rechtbank stelt op grond van de aanvullende informatie van 29 oktober 2024 vast dat de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – de beslissing is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 29 oktober 2024 en 7 november 2024 volgt dat de opgeëiste persoon op 26 mei 2022 tijdens een verhoor als verdachte in deze zaak een adresinstructie heeft ontvangen en hiervoor ook heeft getekend. Hij is er in het vooronderzoek onder meer op gewezen dat hij zijn adres moest opgeven waar correspondentie over de strafprocedure naartoe zou worden gezonden en dat een verzuim om naar het opgegeven adres gestuurde correspondentie op te halen tot gevolg zou hebben dat een aan het opgegeven adres verzonden oproeping als rechtsgeldig betekend zou worden beschouwd. Tijdens datzelfde verhoor heeft de opgeëiste persoon een correspondentieadres doorgegeven.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en L.E. Poel, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.)
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).