Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-31
ECLI:NL:RBAMS:2024:8195
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,005 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/65
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Alicante (Spanje), eiser
en
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Pieterse).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om herziening van zijn AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen met het besluit van 12 juni 2023, omdat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat sprake is van duurzaam gescheiden leven.
1.1.
Met de beslissing op bezwaar van 24 november 2023 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2024 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Feiten
2. Eiser ontvangt per juli 2009 een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde. Hij is getrouwd met [naam] (hierna: zijn echtgenote).
2.1.
Op 30 december 2019 heeft eiser verzocht om zijn AOW-pensioen te herzien naar de norm voor een alleenstaande, omdat hij en zijn echtgenote sinds 2013 duurzaam gescheiden leven. Op 10 september 2020 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Volgens verweerder is geen sprake van duurzaam gescheiden leven, vanwege de financiële verstrengeling en het contact tussen eiser en zijn echtgenote. Uit de handhavingsrapportage van 22 juli 2020 volgt namelijk dat:
eiser en zijn echtgenote vanaf 2013 niet meer samenwonen;
zij in 2017 gelijktijdig naar Spanje zijn geëmigreerd;
de echtgenote van eiser in een woning verblijft die eigendom is van eiser. Eiser krijgt hiervoor maandelijks een bedrag van € 275,- als tegemoetkoming in de huurkosten;
de echtgenoten ieder de helft van de onroerendgoedbelasting van deze woning betalen, net als de inboedelverzekering;
de autoverzekering van de auto van de echtgenote van eiser op naam van eiser staat, maar door zijn echtgenote wordt betaald;
er op jaarbasis 8 tot 9 keer contact is, omdat eiser zijn echtgenote dan helpt bij het doen van de belastingaangifte;
er sprake is van een testament waarin de langstlevende als begunstigde is opgenomen;
eiser de sleutel van de woning van zijn echtgenote heeft;
al het financiële op naam van eiser zou staan en zijn echtgenote de helft hiervan zou betalen;
er sprake is van een gezamenlijke rekening.
2.2.
Op 4 mei 2022 heeft eiser opnieuw verzocht om zijn pensioen te herzien naar de norm voor een alleenstaande. Volgens eiser leeft hij vanaf 1 januari 2021 duurzaam gescheiden van zijn partner.
2.3.
Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een onderzoek laten uitvoeren. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 5 juni 2023. In deze rapportage is opgenomen dat volgens eiser alles wat gemeenschappelijk geregeld was vanaf 1 januari 2021 volledig gescheiden zou zijn. In de praktijk blijkt dit zich volgens de rapporteur slechts te beperken tot het opheffen van de gezamenlijke bankrekening, het volledig voor eisers rekening nemen van de onroerendgoedbelasting en het geen contact meer met elkaar hebben.
2.4.
Vervolgens heeft verweerder het verzoek om herziening afgewezen.
Toetsingskader
3. Uit artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer die niet worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere beschikking.
4. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4.1.
Bij de uitleg van het begrip ‘duurzaam gescheiden leven’ worden volgens vaste rechtspraak twee situaties onderscheiden, namelijk de ongewilde en de gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Als het gaat om een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving is sprake van een duurzaam gescheiden leven als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
4.2.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feiten en omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet hebben verbroken.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het verzoek van eiser om herziening van zijn AOW-pensioen.
5.1.
De aanspraak op een ouderdomspensioen betreft een zogeheten duuraanspraak. Dit betekent bij dat bij de toetsing van de beslissing op bezwaar een onderscheid gemaakt moet worden tussen het verleden (de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit) en de toekomst (de periode na het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit).
Wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode na het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen.
Het verleden
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn verzoek om herziening van 4 mei 2022 heeft aangegeven dat hij sinds 1 januari 2021 duurzaam gescheiden leeft. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder verduidelijkt dat dit verzoek is opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 10 september 2020 voor wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek. Eiser heeft tijdens het onderzoek naar zijn leefsituatie namelijk opnieuw aangegeven dat hij sinds 2013 duurzaam gescheiden leeft. Volgens verweerder zijn er echter geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht die maken dat het besluit van 10 september 2020 moet worden herzien. Het feit dat de gezamenlijke bankrekening is opgeheven, wordt niet gezien als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Dit feit is wel meegenomen in de beoordeling of eiser vanaf het herzieningsverzoek recht heeft op een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn verzoek om herziening geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld die van invloed hadden kunnen zijn op het besluit van 10 september 2020. Het opheffen van de gezamenlijke bankrekening heeft namelijk na dat besluit plaatsgevonden. Daarom hoefde verweerder, voor de periode vóór het verzoek, het AOW-pensioen van eiser niet te herzien en terug te komen van zijn besluit van 10 september 2020.
De toekomst
5.4.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in de beslissing op bezwaar ten onrechte alleen heeft beoordeeld of er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Zoals de rechtbank in overweging 5.1. heeft overwogen, had verweerder ook moeten uitleggen of vanaf het moment van het herzieningsverzoek sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Omdat dit niet is gebeurd, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar met toepassing van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.
5.5.
In het verweerschrift heeft verweerder echter alsnog een nadere uitleg gegeven. Daarom zal de rechtbank nu bekijken of zij de zaak zelf kan afhandelen. In dat kader zal de rechtbank eerst de standpunten van partijen weergeven en daarna haar oordeel daarover.
5.6.
Eiser heeft betoogd dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Hij heeft geen contact met haar, zij hebben geen gemeenschappelijke bankrekening, hij betaalt niet mee aan de kosten van haar levensonderhoud, doet geen belastingaangifte voor haar, zij hebben geen levensverzekering op elkaars leven afgesloten, en tot slot zijn zij niet in het bezit van elkaars huissleutel. Verder is de huurprijs die zijn echtgenote betaalt niet slechts een tegemoetkoming in de kosten. Eiser heeft deze huurprijs berekend aan de hand van de prijs die hij voor zijn eigen woning betaalt door daar de helft van te nemen. Eiser verzoekt verweerder om een nieuw onderzoek uit te voeren. De handhavingsrapportage van 5 juni 2023 is niet ondertekend en daardoor is de juistheid van de gegevens niet te controleren.
5.7.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de mate van financiële verstrengeling en het contact tussen eiser en zijn echtgenote nog zodanig aanwezig zijn dat geen duurzaam gescheiden leven aangenomen kan worden. Dit steunt vooral op het feit dat de verklaringen van eiser en zijn echtgenote op veel punten niet overeenkomen. De echtgenote heeft verklaard dat alles hetzelfde is gebleven sinds het vorige onderzoek en heeft bevestigd dat eiser haar nog steeds helpt met de belastingaangifte en een sleutel van haar woning heeft. Daarnaast betaalt zijn echtgenote geen commerciële huurprijs aan eiser.
5.8.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat er geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de juistheid van wat is opgenomen in de handhavingsrapportage van 5 juni 2023. De rapportage is weliswaar niet ondertekend, maar dat betekent niet dat de inhoud ervan niet juist zou zijn. Eiser heeft dat niet aannemelijk gemaakt.
5.9.
De rechtbank stelt voorts vast dat eiser en zijn echtgenote per 4 mei 2022 nog gehuwd waren. Aangezien een huwelijk een echtelijke samenleving veronderstelt, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat van duurzaam gescheiden leven sprake is. Eiser is hier niet in geslaagd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verklaring van eiser en zijn echtgenote, beiden van 30 mei 2023, tegenstrijdig zijn. Volgens de echtgenote van eiser is immers alles hetzelfde gebleven als tijdens het vorige onderzoek in 2020. De enkele stelling van eiser dat de verklaring van zijn echtgenote niet klopt, omdat zij in de war is, is voor de rechtbank niet voldoende om niet van de juistheid van die verklaring uit te gaan. Het had op de weg van eiser gelezen om (met stukken) te onderbouwen dat de situatie anders is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook uit kunnen gaan van de verklaring van de echtgenote van eiser van 30 mei 2023 en kunnen concluderen dat de situatie hetzelfde is gebleven als ten tijde van het onderzoek in 2020.
5.10.
Die situatie is als volgt. De echtgenote van eiser woont in de woning van eiser. Eiser heeft een sleutel van die woning. De echtgenote van eiser betaalt eiser € 275,- per maand aan huur. Eiser verzorgt de bankzaken van zijn echtgenote en zoals de echtgenote van eiser heeft verklaard, beperkt zij zich ‘gewoon tot leven’. Eiser en zijn echtgenote betalen ieder de helft van de onroerendgoedbelasting van de woning, net als de inboedelverzekering. Verder hebben eiser en zijn echtgenote een testament opgesteld waarin de langstlevende als begunstigde is opgenomen, om veilig te stellen dat zijn echtgenote na het overlijden van eiser in de woning kan blijven wonen. Tot slot staat de autoverzekering van de auto van zijn echtgenote op naam van eiser en is er 8 tot 9 keer per jaar contact, omdat eiser zijn echtgenote dan helpt bij het doen van de belastingaangifte.
5.11.
Uit deze feiten en omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang bezien blijkt niet ondubbelzinnig dat eiser vanaf 4 mei 2022 duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW. Daarom is hij voor de toepassing van die wet niet aan te merken als ongehuwde. Ten aanzien van de huur merkt de rechtbank nog op dat dit niet gezien kan worden als een commerciële huurprijs voor een woning van 83 m2, maar als een financiële tegemoetkoming in de kosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 november 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.Y. Exterkate, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2024.
De griffier,
De rechter,
is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene Ouderdomswet.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3273, r.o. 4.2.
Uitspraak van de Raad van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB: 2012:BX9932.
Uitspraken van de Raad van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8262.