Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-30
ECLI:NL:RBAMS:2024:819
Strafrecht
Beschikking
1,983 tokens
Dictum
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats 1] ,
woonplaats kiezend op het kantooradres van mr. M.W.J. Rosendaal,
Velperweg 78, 6824 HL Arnhem,
hierna te noemen: de bezwaarde.
Procesgang
Namens de bezwaarde heeft de raadsman op 25 april 2023 de rechter-commissaris verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, te weten het horen van de navolgende getuigen:
- de heer [getuige 1] , geboren op [geboortedatum 1] ;
- de heer [getuige 2] , geboren op [geboortedatum 2] ;
- de heer [getuige 3] , geboren op [geboortedatum 3] ;
- de heer [getuige 4] , geboren op [geboortedatum 4] ;
- de heer [getuige 5] , geboren op [geboortedatum 5] ;
- de heer [getuige 6] , geboren [geboortedatum 6] ;
- de heer [getuige 7] , geboren op [geboortedatum 7] ;
- de heer [getuige 8] , geboren op [geboortedatum 8] ;
- de heer [getuige 9] , geboren op [geboortedatum 9] te [geboorteplaats 2] ;
- de heer [getuige 10] , geboren op [geboortedatum 10] ;
- de heer [getuige 11] ;
- de heer [getuige 12] , geboren op [geboortedatum 11] ;
- getuige [getuige 13] , geboren op [geboortedatum 12] ;
- getuige [getuige 14] , geboren op [geboortedatum 13] en
- medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 14] .
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 26 juli 2023 het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 10] , [getuige 11] , [getuige 9] , [getuige 8] , [getuige 7] en [getuige 12] afgewezen.
Tegen de weigering van de rechter-commissaris de hiervoor genoemde getuigen te horen is een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is op 28 juli 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 1 december 2023 een aanvang genomen met de behandeling van het bezwaar in besloten raadkamer. De raadsman, mr. M.W.J. Rosendaal, heeft eerst in raadkamer de gronden van het bezwaar naar voren gebracht. Ook heeft de raadsman kenbaar gemaakt af te zien van het verzoek tot het horen van getuige [getuige 11] . De behandeling van het bezwaarschrift is aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op de door de raadsman aangevoerde gronden.
De officier van justitie, mr. S. van der Hart, en de raadsman van de bezwaarde hebben respectievelijk op 27 december 2023 en 11 januari 2024 een nader schriftelijk standpunt ingenomen. Met instemming van de officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank op 16 januari 2024 de behandeling in raadkamer hervat in de stand waarin dat zich bevond bij de schorsing ervan op de zitting van 1 december 2023.
Inhoud van het bezwaarschrift
Het bezwaar richt zich tegen de weigering van de rechter-commissaris de door de bezwaarde gewenste onderzoekshandelingen te verrichten, te weten het horen van de navolgende getuigen:
- De heer [getuige 3] , geboren op [geboortedatum 3] ;- De heer [getuige 4] , geboren op [geboortedatum 4] ;- De heer [getuige 5] , geboren op [geboortedatum 5] ;- De heer [getuige 6] , geboren [geboortedatum 6] ;- De heer [getuige 7] , geboren op [geboortedatum 7] ;- De heer [getuige 8] , geboren op [geboortedatum 15] ;- De heer [getuige 9] , geboren op [geboortedatum 9] te [geboorteplaats 2] ;- De heer [getuige 10] , geboren op [geboortedatum 10] ;- De heer [getuige 12] , geboren op [geboortedatum 11] .
De rechter-commissaris heeft de weigering als volgt gemotiveerd: ‘Over al deze onderwerpen zullen de toegewezen, meer betrokken getuigen worden gehoord. Voor dit moment is niet in te zien dat de overige personen in aanvulling daarop gehoord moeten worden’. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechter-commissaris onvoldoende en niet begrijpelijk is gemotiveerd. Bovendien heeft de rechter-commissaris een onjuiste maatstaf aangelegd en de verzoeken niet getoetst aan het verdedigingscriterium.
De raadsman heeft ten aanzien van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] aangevoerd dat zij kunnen verklaren over de rechtmatigheid en de grondslag van het geldbedrag van € 135.000,- dat zou zijn overgemaakt op de bankrekening van de bezwaarde, over de zes overschrijvingen van in totaal € 100.000,- en over een totaalbedrag van ongeveer € 238.672,- aan vermeende valse facturen.
Ten aanzien van de getuigen [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 10] heeft de raadsman gesteld dat zij zouden kunnen verklaren over de grondslagen en eventuele onderliggende werkzaamheden bij de eerder genoemde vermeende valse facturen.
De raadsman heeft betoogd dat de getuigen [getuige 9] en [getuige 8] zouden kunnen verklaren dat medeverdachte [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode regelmatig kwam afrekenen op het kantoor van [bedrijf] in verband met ingehuurd personeel in Frankrijk.
De getuigen [getuige 7] en [getuige 12] zouden kunnen verklaren over werkzaamheden die zijn verricht door [medeverdachte] aan het pand [adres] , aldus de raadsman.
De raadsman heeft verzocht het bezwaar gegrond te verklaren en het verzoek tot het horen van deze getuigen alsnog toe te wijzen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Het Openbaar Ministerie ziet geen enkel aanknopingspunt in het dossier dat de verzochte getuigen daadwerkelijk wetenschap zouden hebben over de ten laste gelegde feiten. Het verzoek tot het horen van de getuigen is daarom terecht door de rechter-commissaris afgewezen.
Beoordeling
Vooropgesteld wordt dat de rechter-commissaris een verzoek als het onderhavige weigert indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. De rechtbank zal moeten toetsen of de beslissing van de rechter-commissaris in het licht daarvan stand kan houden.
De rechter-commissaris heeft overwogen dat op dit moment niet is in te zien dat de overige personen in aanvulling op de reeds toegewezen getuigen gehoord moeten worden. Daarmee heeft de rechter-commissaris naar het oordeel van de rechtbank een opening gelaten voor eventueel aanvullend onderzoek als dat kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing.
De rechtbank overweegt dat de verdediging ook in de aanvulling van de gronden, in het licht van de tenlastelegging, onvoldoende heeft gemotiveerd dat en op welke wijze het horen van deze getuigen kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. De rechtbank ziet, net als de officier van justitie, namelijk geen aanknopingspunten in het dossier dat de verzochte getuigen wetenschap zouden hebben van de ten laste gelegde feiten. Ook anderszins is niet gebleken dat de gevraagde onderzoekshandelingen voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv van belang kunnen zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beslissing van de rechter-commissaris stand kan houden en het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.
Het voorgaande staat niet in de weg aan het indienen van verzoeken tot het verrichten van nadere onderzoekshandelingen, nadat de verhoren van de toegewezen getuigen hebben plaatsgevonden.
Dictum
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 30 januari 2024 door:
mr. J.W.H.G. Loyson, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.