Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:8065
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,825 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1856
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2024 in de zaak tussen
[eiser], te IJsselstein, eiser
(gemachtigde: mr. P. van den Aarsen)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Procesverloop
Met de beslissing op bezwaar van 26 februari 2024 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2024. De gemachtigde van eiser is verschenen. De heffingsambtenaar is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
Overwegingen
1. De heffingsambtenaar heeft eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd wegens het te weinig of niet betalen van parkeergeld. Op 28 maart 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag. Op 3 januari 2023 heeft eiser een aanmaning naar de heffingsambtenaar gestuurd om binnen veertien dagen op het bezwaar te beslissen en aanspraak gemaakt op een dwangsom. Bij besluit van 16 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar het verzoek om toekenning van een dwangsom (hierna: het dwangsombesluit) afgewezen. Eiser heeft op 17 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit. Op 11 april 2023 heeft hij de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. Op 14 juni 2023 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaarschrift van 17 februari 2023. Bij besluit van 24 september 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.
2. In de uitspraak van 14 december 2023 (zaaknummers AMS 23/3357 en AMS 23/3359) heeft rechtbank Amsterdam geoordeeld dat het beroep van eiser tegen het bestreden besluit ten aanzien van de dwangsom gegrond is. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en de rechtbank heeft deze om die reden vernietigd. De heffingsambtenaar moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen met inachtneming van de uitspraak binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak.
3. Op 26 januari 2024 heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een nieuwe beslissing op het bezwaar.
4. Met het besluit van 26 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting om proceseconomische redenen gegrond verklaard. De heffingsambtenaar vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting. De heffingsambtenaar kent een proceskostenvergoeding in beroep toe van € 418,50 en vergoedt het griffierecht van € 50,- aan eiser.
Standpunt van eiser
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar een dwangsom heeft verbeurd. Eiser verzoekt de rechtbank de dwangsom toe te kennen met wettelijke rente. Daarnaast stelt eiser dat de heffingsambtenaar in de beslissing op bezwaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het bezwaar.
Standpunt van de heffingsambtenaar
6. De heffingsambtenaar meent dat eiser inderdaad recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase, nu de naheffingsaanslag alsnog is vernietigd. Verder merkt de heffingsambtenaar op dat eiser ook voor deze beroepsprocedure recht heeft op een proceskostenvergoeding.
Beoordeling
7. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.
8. Uit vaste rechtspraak volgt dat er niet langer sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan, indien de heffingsambtenaar tijdens een procedure voor de belastingrechter geheel aan de klachten van eiser tegemoetkomt en de naheffingsaanslag vernietigt. De belastingrechter moet dan overgaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de procedure niet meer tot een voor eiser gunstiger resultaat kan leiden.
9. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting van eiser vernietigd. Daarom kan de procedure voor eiser niet meer tot een gunstiger resultaat leiden. Niet is gebleken dat er nog sprake is van procesbelang. De rechtbank zal het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Dit betekent dat de rechtbank geen inhoudelijk oordeel zal geven in deze zaak. Wel bestaat er aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten bezwaar en beroep.
10. Voor zover eiser de rechtbank heeft verzocht de maximale dwangsom toe te kennen met wettelijke rente, overweegt de rechtbank dat zij hierover geen uitspraak kan doen, omdat die procedure over het dwangsombesluit nog loopt. De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 december 2023 (zaaknummers AMS 23/3357 en AMS 23/3359) geoordeeld dat een nieuwe beslissing genomen moet worden op het bezwaar tegen het dwangsombesluit. De heffingsambtenaar heeft aangegeven dat eiser daartegen hoger beroep heeft ingesteld. Dit is niet door eiser betwist.
Conclusie
11. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag heeft vernietigd en niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een oordeel van de rechtbank. De heffingsambtenaar heeft toegezegd het betaalde bedrag aan naheffingsaanslag aan eiser terug te betalen, de proceskosten in bezwaar van (€ 624,- x 0,5) € 312,- te vergoeden en de proceskosten in beroep. De kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken wordt door de rechtbank forfaitair vastgesteld op € 875,- als kosten van verleende rechtsbijstand.
12. De heffingsambtenaar heeft aangeboden het griffierecht te vergoeden. De rechtbank zal gelet daarop de heffingsambtenaar opdragen het griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt de heffingsambtenaar op de naheffingsaanslag aan eiser terug te betalen;
- draagt de heffingsambtenaar op de proceskosten in bezwaar van € 312,- aan eiser te vergoeden;
- draagt de heffingsambtenaar op de proceskosten in beroep van € 875,- aan eiser te vergoeden;
- draagt de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2024.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
onder toepassing van de artikelen 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend: 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 0,5 x € 875,-.