Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-16
ECLI:NL:RBAMS:2024:8018
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,716 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6511
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
16 december 2024 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], uit Amsterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr. J. Nijssen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de intrekking van zijn bijstandsuitkering.
1.2.
Met het bestreden besluit van 31 oktober 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker vanaf 17 september 2024 ingetrokken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat het college verzoeker een bijstandsuitkering, dan wel voorschotten krachtens de Participatiewet (Pw) verstrekt.
1.3.
Met het besluit van 12 november 2024 heeft het college het bestreden besluit herzien. Het college heeft de einddatum van de bijstandsuitkering veranderd naar 17 oktober 2024 in plaats van 17 september 2024. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bezwaar van verzoeker tegen het bestreden besluit van 31 oktober 2024 mede gericht tegen het herziene bestreden besluit van 12 november 2024.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, A. Bentaib als tolk en de gemachtigde van het college.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
3.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering van het college en dat betekent dat hij een aantal uit de Pw voortvloeiende verplichtingen heeft, waaronder de inlichtingenplicht. Verzoeker moet hier het nodige voor doen, maar verzoeker krijgt daar ook veel voor terug: namelijk een bijstandsuitkering.
3.3.
Het college heeft verzoeker met de brief van 18 juli 2024 opgeroepen voor een gesprek op 31 juli 2024 over de mogelijkheden die er zijn op het gebied van werk, arbeidsre-integratie en participatie. Verzoeker is niet verschenen. Het college heeft verzoeker met de brief van 31 juli 2024 nogmaals opgeroepen voor een gesprek op 7 augustus 2024. Verzoeker is wederom niet verschenen. Met de brief van 7 augustus 2024 heeft het college verzoeker opgeroepen voor een verweergesprek op 14 augustus 2024. Verzoeker is wederom niet verschenen.
3.4.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder in de gegeven omstandigheden een huisbezoek afleggen wegens twijfel over de feitelijke woon- en leefsituatie van verzoeker. Tijdens de zitting heeft verweerder toegelicht dat doordat verzoeker drie keer zonder afmelding niet is verschenen op de oproepen van het college, twijfel ontstond of hij wel hoofdverblijf heeft op zijn uitkeringsadres. Blijkbaar heeft verzoeker de uitnodigingsbrieven niet gelezen, aldus het college.
3.5.
Dat verzoeker de uitnodigingsbrieven niet heeft gelezen en niet is komen opdagen op de eerste twee gesprekken, omdat hij van 31 juli 2024 tot en met 10 augustus 2024 in het buitenland verbleef, is niet verschoonbaar. Verzoeker heeft dit verblijf namelijk niet vooraf gemeld bij het college, terwijl hij dit wel had moeten doen. Dat hij dit niet heeft gedaan omdat hij naar eigen zeggen gestrest was in verband met de gezondheidssituatie van zijn moeder, is geen rechtvaardiging.
3.6.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestond er onder deze omstandigheden voldoende reden voor het college om een huisbezoek af te leggen en is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig.
Belangenafweging
4.
4.1.
De voorzieningenrechter weegt ten slotte de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt af.
4.2.
Verondersteld wordt dat het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening aanzienlijk is, alleen al vanwege het feit dat verzoeker in de bijstand zit. Het is de voorzieningenrechter echter niet gebleken dat verzoeker acuut in financiële problemen komt zonder het treffen van een voorlopige voorziening. Daar staat tegenover het belang van het college om de verstrekking van een bijstandsuitkering op juistheid en volledigheid te controleren aangezien het gaat om de uitgave van publiek geld. Dit is een abstract belang, maar het weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval zwaarder dan het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie
5.
5.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5.2.
Tegen deze mondelinge uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2024 door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.