Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-19
ECLI:NL:RBAMS:2024:7898
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,378 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/6131
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit Vilvoorde (België), eiseres
(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: S. Barto).
Als derde partij neemt deel: [werkgever] uit Utrecht, de werkgever
(gemachtigde: mr. M.N. Guntenaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering om aan haar een WIA-uitkering toe te kennen.
1.1.
Het Uwv heeft met het besluit van 23 augustus 2021 (het primaire besluit) geweigerd om aan eiseres met ingang van 14 juni 2021 een WIA-uitkering toe te kennen. Met het bestreden besluit van 4 november 2022 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de weigering gebleven.
1.2.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv zijn verschenen op de zitting. Namens de werkgever is niemand verschenen.
Geen toestemming voor kennisneming medische gegevens door de werkgever
2. Eiseres heeft de rechtbank geen toestemming verleend voor het aan de werkgever toesturen van stukken die haar medische gegevens bevatten. Vanwege het ontbreken van deze toestemming zal de rechtbank in deze uitspraak geen medische informatie vermelden.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiseres was werkzaam als catering medewerker. Zij is per 2 januari 2018 ziek uitgevallen voor haar werk en ontving daarna een Ziektewetuitkering. Eiseres heeft per einde wachttijd een WIA-uitkering aangevraagd. Met de beslissing van 24 december 2019 heeft het Uwv aan eiseres met ingang van 31 december 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Na een heroverweging op bezwaar van de werkgever heeft het Uwv eiseres met het besluit van 12 oktober 2020 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard.
3.1.
Tegen het besluit van 12 oktober 2020 heeft eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 22 december 2021 het beroep van eiseres gegrond verklaard en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit te nemen. In de navolgende procedure heeft de rechtbank in haar uitspraak van 22 februari 2023 het bezwaar van eiseres alsnog ongegrond verklaard. De al aan haar toegekende loongerelateerde WGA-uitkering eindigde op 15 februari 2021. In verband met een WAZO-uitkering werd eiseres geïnformeerd dat de duur van haar WIA-uitkering verlengd werd tot 15 juni 2021. Met een besluit van 10 juni 2021 heeft het Uwv de WIA-uitkering van eiseres per 15 juni 2021 definitief beëindigd.
3.2.
Eiseres heeft op 14 juni 2021 het Uwv laten weten dat haar gezondheidssituatie is veranderd en dat haar klachten zijn toegenomen. Met het primaire besluit heeft het Uwv eiseres voor 13,87% arbeidsongeschikt geacht. Het Uwv heeft hieraan de rapportage van de verzekeringsarts van 4 augustus 2021 en de rapportage van de arbeidsdeskundige van 18 augustus 2021 ten grondslag gelegd. De beperkingen van eiseres zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 juli 2021.
3.3.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hieraan de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 september 2022 en de rapportage van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 1 november 2022 ten grondslag gelegd. Omdat er volgens het Uwv geen sprake is van toegenomen beperkingen is er geen nieuwe FML opgesteld. Het Uwv heeft dus de FML van 19 juli 2021 aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd.
Standpunt van eiseres
Medische gronden
4.1.
Eiseres kan zich niet verenigen met het besluit van het Uwv. Zij stelt zich op het standpunt dat haar psychische en lichamelijke klachten wel zijn toegenomen.
4.2.
Eiseres is van mening dat er sprake is van ernstige psychische klachten. Volgens eiseres heeft het Uwv ten onrechte de bevindingen uit het rapport van DC VerzuimDiagnostiek als uitgangspunt genomen, gelet op de tegengestelde bevindingen van de behandelaars van eiseres. Eiseres stelt daarnaast dat uit de door haar ingebrachte medische informatie volgt dat haar psychische klachten toegenomen zijn.
4.3.
Voor de fysieke klachten kan eiseres zich niet verenigen met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen contra-indicatie bestaat voor normale belasting op houding- en bewegingsapparaat en dat er geen absolute bewegingsbeperkingen zijn. Zij stelt zich op het standpunt dat haar klachten medisch objectiveerbaar zijn. Eiseres acht zich ook beperkt op de items ‘duwen en trekken’, ‘frequent zware lasten hanteren’, ‘hoofdbewegingen maken’, ‘boven schouderhoogte actief zijn’, ‘lopen tijdens het werk’ en ‘knielen of hurken’. Ter onderbouwing van haar argument heeft eiseres in beroep (nieuwe) medische stukken ingebracht van de behandelend sector.
4.4.
Eiseres voert tevens aan dat er een medisch objectieve noodzaak is om een urenbeperking aan te nemen op energetische en/of preventieve gronden.
Arbeidskundige gronden
4.5.
Eiseres acht zich niet geschikt voor de functies productiemedewerker textiel en assemblagemedewerker. Eiseres is in de FML beperkt geacht voor samenwerken. Volgens eiseres overschrijden deze functies haar belastbaarheid op dit punt.
Beoordeling
5.1.
In de Wet WIA is een bepaling opgenomen dat het recht op uitkering kan herleven als de verzekerde binnen vijf jaar na de eerdere beëindiging van de uitkering weer minimaal 35% arbeidsongeschikt blijkt te zijn. Hieraan zijn twee voorwaarden verbonden: er moet sprake zijn van een toename van de medische beperkingen en de arbeidsongeschiktheid moet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan hij of zij eerder recht op een WIA-uitkering had. Dit wordt ook wel een “Amber-beoordeling” genoemd.
5.2.
De kern van het geschil is of het Uwv juist heeft vastgesteld dat eiseres op 14 juni 2021 voor 13,87% arbeidsongeschikt is.
Is de medische beoordeling juist?
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapportages.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek aan deze voorwaarden voldoet. Beide verzekeringsartsen hebben het dossier en de beschikbare medische informatie bestudeerd en eiseres gezien op een spreekuur. De conclusie dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen, is inzichtelijk gemotiveerd.
5.5
De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst onder meer naar het rapport van DC VerzuimDiagnostiek van 14 april 2022. In de uitspraak van 2 maart 2023 heeft de rechtbank al geoordeeld dat het onderzoek van DC VerzuimDiagnostiek zorgvuldig is geweest. In dit onderzoek is geconcludeerd dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor onderpresteren en overrapportage van klachten door eiseres. Er wordt door de specialisten van DC VerzuimDiagnostiek geen ziekte of stoornis gevonden bij eiseres op de onderzochte data 18 en 28 maart 2022. Dit geldt volgens de specialisten ook voor de periode daarvoor. De rechtbank kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat de conclusie van DC VerzuimDiagnostiek ook van toepassing is voor de datum die hier in geding is, daarom goed volgen.
5.6.
Volgens eiseres zijn de bevindingen van DC VerzuimDiagnostiek in strijd met de bevindingen van haar eigen behandelaars. Eiseres verwijst naar meerdere brieven van haar behandelaars uit 2020, 2021 en 2024.
5.7.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de door eiseres overgelegde informatie over haar psychische situatie rond de datum in geding (de brieven van 15 april 2021 en 13 juli 2021) wordt vooral geschreven over symptomen en klachten, waarvan juist in de expertise van DC VerzuimDiagnostiek is vastgesteld dat deze worden overgerapporteerd en niet berusten op een onderliggend ziektebeeld. De medische informatie uit 2024 is van ver na de datum waar het hier om gaat en laat de rechtbank om die reden buiten bespreking.
5.8.
Over de lichamelijke klachten van eiseres overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres is lichamelijk onderzocht door de verzekeringsarts in de primaire fase. De forse klachten die eiseres claimt, zijn volgens de verzekeringsarts bij dat onderzoek niet of nauwelijks objectiveerbaar. Verder is sprake van enige inconsistentie. Er bestaat volgens de verzekeringsarts daarom alleen een motivatie voor lichte lichamelijke beperkingen. Ten opzichte van de eerdere beoordeling, is de belastbaarheid van eiseres volgens de verzekeringsarts niet gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft dit standpunt. Er is volgens hem sprake van aspecifieke lichamelijke klachten zonder een duidelijk onderliggend substraat. Voor een normale belasting van het houdings- en bewegingsapparaat bestaat daarom geen contra-indicatie, noch zijn er absolute bewegingsbeperkingen. Met de beperkingen die zijn opgenomen in de FML wordt voorzien in het voorkomen van overbelasting. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de ingebrachte medische stukken geen twijfel heeft gezaaid over de conclusies van de verzekeringsartsen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
5.9.
Het betoog van eiseres dat er vanwege een medisch objectieve noodzaak een urenbeperking had moeten worden aangenomen op preventieve en/of energetische gronden, wordt door de rechtbank evenmin gevolgd. Eiseres heeft dit namelijk niet concreet met medische stukken onderbouwd. De symptomen en klachten waar eiseres zich op beroept berusten, zoals hiervoor is overwogen, niet op een objectief vast te stellen ziektebeeld.
5.10.
De rechtbank concludeert dat het standpunt van eiseres dat haar medische beperkingen op 14 juni 2021 zijn toegenomen, niet kan worden gevolgd.
Is de arbeidskundige beoordeling juist?
6.1.
Eiseres voert aan dat haar belastbaarheid op het item ‘samenwerken’ wordt overschreden bij de functies productiemedewerker textiel en assemblagemedewerker.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiseres beperkt is op het item ‘samenwerken’, in die zin dat zij wel met anderen kan werken, maar alleen met een eigen van te voren afgebakende deeltaak. Anders dan waar eiseres vanuit gaat, wordt haar belastbaarheid in deze functies op dit punt niet overschreden. In beide functies is sprake van een eigen afgebakende deeltaak.
6.3.
De rechtbank ziet overigens geen aanwijzingen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor eiseres, uitgaande van de juistheid van de FML van 19 juli 2021.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Kasimu, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2024
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
AMS 20/6144.
AMS 22/3960.
Wet arbeid en zorg.
Artikel 55 van de Wet WIA.