Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-16
ECLI:NL:RBAMS:2024:7833
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,354 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/4274
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2024 in de zaak tussen
[eisers 1] en [eisers 2] , uit Amsterdam, eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. P.J.M. Nooij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitbouw op de locatie [adres 1] [huisnummer 1] te Amsterdam.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2024 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen. Namens verweerder is zijn gemachtigde en [beleidsadviseur] , beleidsadviseur bij de Afdeling Monumenten en Archeologie (hierna: M en A), verschenen.
Feiten
2 . Eisers zijn sinds mei 2022 eigenaar van de woning op het adres [adres 1] [huisnummer 1] te Amsterdam. Deze woning ligt in de wijk Tuindorp [wijk 1] . De tuindorpen in Amsterdam zijn tussen 1910 en 1940 tot stand gekomen. Deze kwalitatief hoogwaardige arbeiderswijken zijn gebouwd volgens het tuindorp principe. Dit betekent intieme wijken met pleintjes, kleine en afwisselende woonblokken, gezinswoningen met tuinen, open ruimtes, groen en voorzieningen op loopafstand.
2.1.
In 2014 is Tuindorp [wijk 1] aangewezen als Rijks beschermd stadsgezicht. Dat is een gebied met bijzondere cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden.
2.2.
Vanwege de bijzondere erfgoedwaarden zijn in het huidige bestemmingsplan geen mogelijkheden voor uitbouwen opgenomen. Omdat de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht in 2014 plaats vond, is er tot 2014 echter wel een periode geweest waarin vergunningsvrij uitbouwen mogelijk was.
2.3.
In 2014 is verweerder gestart met de voorbereidingen voor een nieuw bestemmingsplan. Daartoe maakte M en A een cultuurhistorische verkenning. Daaruit volgt onder andere dat het belangrijk is om de doorzichten tussen de bebouwing te garanderen. Ook in dit nieuwe (concept) bestemmingsplan werden geen uitbouwen toegestaan. Toen het bestemmingsplan in 2017 ter inzage werd gelegd en er een informatiemarkt werd gehouden, bleek dat meerdere bewoners pleitten voor de mogelijkheid om uit te kunnen bouwen. Verweerder heeft M en A hierop de opdracht gegeven om te onderzoeken op welke plekken een uitbouw toch mogelijk zou zijn, zonder de cultuurhistorische waarden aan te tasten.
2.4.
De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het beleidsdocument “De cultuurhistorische waarde van Tuindorpen [wijk 2] en [wijk 1] en de uitgangspunten voor uitbouwen” (hierna: beleid). Uit dit beleid volgt dat het realiseren van eengezinswoningen met een tuin een essentieel aspect was bij de bouw van de Tuindorpen. Het belang dat juist aan tuinen werd gehecht is duidelijk terug te zien in de verhouding bebouwd (footprint woning) / onbebouwd (tuin). In de Tuindorpen is sprake van een bijzondere open structuur en een aaneenschakeling van groene ruimtes. Om de ruimtelijke waarde daarvan te behouden is het cruciaal dat de tuinen die direct bijdragen aan de openbare groene belevingskwaliteit van het tuindorp zo veel mogelijk onbebouwd blijven. Uitbouwen aan de voor- en zijkanten zijn daarom nergens toegestaan. Daarbij is belangrijk dat de bestaande waardevolle doorzichtlijnen vanaf de openbare ruimte tussen / achter de bouwblokken open blijven. Het gaat er niet zozeer om of vanuit een zichtlijn tussen bouwblokken door frontaal zicht is op een achtergevel van een daarachter gelegen woonblok (al dan niet met een uitbouw) - die zijn immers nu ook al zichtbaar. Maar het gaat erom dat de beleving van de open, groene aaneengeschakelde buitenruimtes intact blijft en niet dichtslibt dan wel overheerst wordt door verstening. Op basis van deze uitgangspunten is uitbouwen aan de achterzijde slechts op een beperkt aantal locaties mogelijk, namelijk daar waar uitbouwen, vanuit de prominente openbare ruimte gezien, de beleving van de aaneenschakeling van de open groene ruimtes en waardevolle zichtlijnen en de zorgvuldige gecomponeerde samenhang tussen de ruimtelijke opzet, groenaanleg en architectuur niet aantasten.
2.5.
In het beleid is een kaart opgenomen. Op deze kaart (hierna: uitbouwenkaart) is aangeven waar uitbouwen in afwijking van het bestemmingsplan zijn toegestaan.
2.6.
Op 13 september 2022 hebben eisers een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor een uitbouw aan de achterzijde van de woning over de volle breedte van de achtergevel, met een diepte van 3.01 meter en een hoogte van 3.10 meter.
2.7.
Met het besluit van 7 november 2022 heeft verweerder de omgevingsvergunning geweigerd. Daaraan heeft verweerder het advies van M en A ten grondslag gelegd. Volgens M en A vormt het project een aantasting van het doorzicht door de voor een tuindorp kenmerkende tuinen.
2.8.
Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt en een tegenadvies van Buro SRO van 3 januari 2023 overgelegd.
2.9.
In de aanloop naar de hoorzitting heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na de hoorzitting heeft M en A (namens verweerder) op 20 maart 2023 een nadere reactie gezonden. Eisers hebben op 6 april 2023 een e-mail gestuurd met als bijlage een reactie van Buro SRO van 30 maart 2023 op het verweerschrift. Vervolgens heeft de bezwaarschriftencommissie op 19 mei 2023 advies uitgebracht aan verweerder.
2.10.
Met de beslissing op bezwaar van 7 juni 2023 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
3.1.
De voor de beoordeling van dit beroep belangrijke bepalingen uit de Wabo en het besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
4. Het staat vast dat volgens het bestemmingsplan Tuindorpen [wijk 2] en [wijk 1] uitbouwen in het plangebied niet zijn toegestaan. Dat laat onverlet dat verweerder op grond van artikel 2 . 12 , eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 , van de Wabo een omgevingsvergunning voor een uitbouw kan verlenen. Deze omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De toepassing van artikel 2 . 12 , eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 , van de Wabo is een zogenoemde discretionaire (dat wil zeggen een vrije) bevoegdheid. De rechtbank moet het al dan niet gebruiken van deze bevoegdheid terughoudend toetsen.
4.1.
De vraag die de rechtbank daarom moet beantwoorden is of verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Het beleid met uitbouwenkaart
4.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder het advies van M en A aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Zoals uit het advies blijkt, heeft M en A de aanvraag getoetst aan het beleid. Daaruit volgt dat op het adres van eisers geen uitbouw is toegestaan, vanwege de zichtlijn. De rechtbank stelt vast dat het daarbij gaat om het doorzicht vanaf de [adres 2] richting de [adres 3] . De doorzichtlijn is op de afbeelding hierna aangegeven met een blauwe pijl.
Uitsnede van de uitbouwenkaart met daarop onder andere [adres 1] [huisnummer 1] Legenda bij de uitbouwenkaart
4.3.
Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van dit beleid. Eisers hebben daartoe allereerst aangevoerd dat (1) uit de planregels, de plantoelichting, als uit bijlage 3 bij de toelichting “Beknopte waardestelling voor Tuindorp [wijk 1] ” niet (expliciet) volgt dat aan eventuele doorzichten een beschermde waarde moet worden toegekend en dat een verstoring daarvan niet wenselijk is. ( 2 ) Daarnaast hebben zij met behulp van Buro SRO aangetoond dat een uitbouw van 2 meter diep aan de achterzijde van de woning een beperkte invloed heeft op de doorzichtlijnen en de hoeveelheid groen in de buurt.
4.4.
Volgens verweerder wordt in de documenten inderdaad niet letterlijk verwezen naar doorzichten. Het gaat bij het hanteren van doorzichtlijnen echter om een verfijning van het uitgangspunt uit het vigerende bestemmingsplan dat – ter bescherming van de cultuurhistorische waarden – uitbouwen niet zijn toegestaan.
Dat de uitbouw verder maar een beperkte impact heeft op het doorzicht en dat van een verstoring van het kenmerkende doorzicht geen sprake is, volgt verweerder niet. Het voorgestelde bouwplan leidt tot een uitbouw over de gehele achtergevel die vanaf de openbare weg prominent zichtbaar zal zijn.
4.5.
De beroepsgrond van eisers slaagt niet. De rechtbank ziet in hetgeen eisers onder (1) hebben aangevoerd geen bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken. Dat niet is gebleken dat aan doorzichten een belangrijke waarde moet worden toegekend, volgt de rechtbank namelijk niet. De doorzichten vormen immers een belangrijk kenmerk van de tuindorpen. Dat rekening moet worden gehouden met doorzicht(lijn)en volgt bovendien expliciet uit het beleid en de cultuurhistorische verkenning uit 2014.
4.6.
Verder ziet de rechtbank in het tegenadvies van buro SRO evenmin bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken.
4.7.
Volgens Buro SRO is met de voorgestelde uitbouw geen sprake van een verstoring van het kenmerkende doorzicht in het tuindorp. De stedenbouwkundige opzet van tuindorp [wijk 2] , waarnaar wordt verwezen in het advies van M en A, is anders dan die van tuindorp [wijk 1] , door de beperkte aanwezigheid van openbaar groen. Ter plaatse van de planlocatie is überhaupt geen sprake van (openbaar groen). Verder wordt geen uitbouw aangevraagd voor de voor- of zijkant. Met de voorgestelde uitbouw aan de achterzijde, die niet grenst aan de openbare ruimte, is geen sprake van aantasting van de beleving van de open, groene aaneengeschakelde buitenruimte. Daarvoor is de impact van deze ontwikkeling te beperkt en dus niet overheersend. Bovendien blijft de zij-tuin en het overgrote deel van de achtertuin onbebouwd. Vanaf de weg is er nu ook al geen vrij uitzicht op de tuinen mogelijk en bovendien was dit uitzicht, in zijn oorspronkelijk opzet, met opengewerkte tuinmuren, ook zeer beperkt.
4.8.
De rechtbank kan het gevoel van eisers - dat van groene tuinen weinig sprake is en dat een uitbouw geen verschil maakt voor wat betreft de verdere verstening van de tuinen – begrijpen. Veel tuinen zijn immers weinig groen/versteend. M en A erkent dat ook. Ook erkent M en A dat sprake is van aantasting van de cultuurhistorische waarde. Verweerder kan echter (nog) geen invloed uitoefenen hoe de bewoners hun tuin inrichten. Waar verweerder wel invloed op mag en kan uitoefenen is het voorkomen dat de bijzondere open structuur van de tuinen dichtslibben door bebouwing. Dat is juist ook de reden waarom het beleid voor uitbouwen is opgesteld. Op deze specifieke locatie is sprake van een van oorsprong onbebouwde tuinruimte waarvan de doorzichtlijn nog in tact is. M en A heeft naar het oordeel van de rechtbank overtuigend gemotiveerd dat een uitbouw van ten minste 3 meter hoog het doorzicht belemmerd. Dat er een muur met daarboven een schuttingdeel als erfafscheiding staat, doet daar niet aan af. Met dit soort bouwwerken is in het beleid namelijk ook rekening gehouden. Deze worden beschouwd als bouwwerken die van tijdelijke aard zijn in tegenstelling tot uitbouwen. Met andere woorden: doorzichten kunnen gemakkelijk worden hersteld door schuttingen te verwijderen en groene hagen te planten. Bij uitbouwen is dit niet mogelijk. Daar komt bij dat in dit geval de uitbouw boven de schutting uitkomt. Tot slot speelt in het geval van eisers tevens mee dat het om een hoekwoning gaat waarbij de uitbouw vanaf de openbare weg zichtbaar is. Dat er een zij-tuin aanwezig is, maakt dat niet anders. De voorgestelde uitbouw heeft als gevolg dat het doorzicht vanaf de [adres 2] richting de [adres 3] direct belemmerd wordt.
Heeft verweerder ten onrechte een zwaarder gewicht toegekend aan de cultuurhistorische waarden?
4.9.
Eisers hebben verder aangevoerd dat de behoefte om groter te wonen met twee kinderen enorm is. Verder zijn de doorzichtlijnen sowieso al aangetast door de vele (illegale) uitbouwen in de buurt. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond op die manier dat eisers betogen dat verweerder ten onrechte een zwaarder gewicht heeft toegekend aan de cultuurhistorische waarden dan aan hun belangen.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de belangen van eisers niet zodanig gewicht toekomt dat aan hen een omgevingsvergunning voor een uitbouw had moeten worden verleend. Zoals uit overweging 2.3. en 2.4. volgt heeft verweerder– gelet op de wens van meerdere bewoners van de tuindorpen – onderzocht op welke locaties een uitbouw mogelijk was, zonder dat daarbij de cultuurhistorische waarden in het geding zouden komen. Verweerder heeft daarbij reeds een belangenafweging gemaakt door de wens van de bewoners om de woning te vergroten af te wegen tegen de beschermde status van Tuindorp [wijk 1] en het behoud van de bijzondere waarden. Per locatie is bepaald of een uitbouw mogelijk is.
Conclusie
5 . Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen weigeren. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Snels, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2024.
De griffier,
is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen.
De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geldend tot 1 januari 2024
Artikel 2 .1, eerste lid onder a en c
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).
(…)
Artikel 2 .10, eerste lid, onder c
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2 .1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…).
Artikel 2 .10, tweede lid
In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als
en aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2 .1, eerste lid,
onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts
geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2 . 12 niet mogelijk is.
Artikel 2 . 12 , eerste lid, onder a, sub 2
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2 .1, eerste
lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet
in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het
bestemmingsplan (…) in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
Beluit omgevingsrecht
Bijlage II
Artikel 4, eerste lid,
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2 .1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2 . 12 , eerste lid, onder a, onder 2 °, van de wet van het bestemmingsplan (…) wordt afgeweken, komen in aanmerking een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
(…)
Bestemmingsplan ‘Tuindorpen [wijk 2] en [wijk 1] ”
Het project is gesitueerd op gronden met de bestemmingen 'Woningen (W)' en 'Tuinen (T2)' met de dubbelbestemming 'Waardevol Stads- en dorpsgezicht'. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor woningen en tuinen.
Bij cultuurhistorische waarden gaat het over sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling.
In het besluit van 7 november 2022 wordt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit genoemd. Dit moet echter Monumenten en Archeologie zijn. Dit is met de beslissing op bezwaar hersteld.
Buro SRO is een advies- en ontwerpbureau op het gebied van Stedenbouw, Ruimtelijke ordening en Ontwikkelingsmanagement.
Beoordeling
Bij de plekken waar in het van oorsprong waardevolle doorzicht al veel uitbouwen waren, is de conclusie getrokken dat het niet toestaan van enkele extra uitbouwen niet bij zal dragen aan het verdere behoud van cultuurhistorische waarden daar waar dat het doorzicht betreft. Op de plekken waar slechts een enkele uitbouw aanwezig is, is voorrang gegeven aan het inzetten op maximaal behouden van nog altijd aanwezige cultuurhistorische waarden. Voor zover de beschermde waarde in de loop van de tijd is aangetast door een enkele uitbouw, komt het de rechtbank niet onredelijk voor dat verweerder het uitgangspunt hanteert om de beschermde waarde desalniettemin zoveel mogelijk te bewaren. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft verduidelijkt gaat het beleid ervan uit om te redden wat er nog te redden valt en loslaten wat geen waarde meer heeft en als verloren moet worden beschouwd. Van dat laatste is in de situatie van eisers geen sprake. Immers is in het rijtje woningen waar eisers woning toe behoort alleen op nummer [huisnummer 2] een uitbouw gerealiseerd. Er is dus nog wel sprake van doorzicht vanaf de openbare ruimte tot nummer [huisnummer 2] .
Strijd met het gelijkheidsbeginsel?
4.11.
Tot slot hebben eisers betoogd dat het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De buurt staat vol met uitbouwen, ongeveer 120 stuks. In de gebieden waar dat volgens verweerder niet mag, zijn er wel 52 uitbouwen. Meer specifiek ten aanzien van hoekwoningen merken eisers op dat in de buurt veel hoekwoningen met uitbouwen zijn en dit ook is toegestaan. Eisers begrijpen niet waarom daar de doorzichtlijnen anders zijn dan bij hen. Ter onderbouwing van hun standpunt wijzen eisers op de volgende adressen. [adres 4] [huisnummer 3] , [adres 3] [huisnummer 4] , [adres 3] [huisnummer 5] , [adres 5] [huisnummer 6] , [adres 1] [huisnummer 7] . Verder worden er in het verweerschrift ook diverse gevallen genoemd waar een uitbouw is gerealiseerd en die ook op grond van het huidige beleid vergunbaar zijn. In minstens twee andere gevallen is afgeweken van het beleid omdat de uitbouw niet zichtbaar was vanaf de openbare weg en de tuin een groot oppervlak had. Dat is bij eisers ook het geval.
4.12.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ten aanzien van de uitbouwen in het gebied zijn deze ofwel foutief vergund (mogelijk [adres 4] [huisnummer 3] ), van rechtswege vergund ( [adres 3] [huisnummer 5] en [adres 5] [huisnummer 6] ) of zijn er geen gegevens over de uitbouw bekend ( [adres 3] [huisnummer 4] en [adres 1] [huisnummer 7] ). Mogelijk dateert de uitbouw uit de vergunningsvrije periode tussen 1 januari 2012 en 3 maart 2014. Toen mochten uitbouwen zonder vergunning worden gerealiseerd tot maximaal 2, 5 meter diep. Daarnaast laat de uitbouwenkaart zien dat een uitbouw onder voorwaarden mogelijk is.
4.13.
De beroepsgrond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van gelijke gevallen die ten onrechte ongelijk zijn behandeld. Daarvan is niet gebleken. De uitbouwen op de adressen [adres 4] [huisnummer 3] , [adres 3] [huisnummer 5] en [adres 5] [huisnummer 6] zijn foutief dan wel van rechtswege vergund omdat er niet tijdig was beslist op de aanvraag. Het gelijkheidsbeginsel strekt echter niet zo ver dat verweerder een gemaakte fout moet herhalen. Verder zijn van sommige uitbouwen, waaronder die van [adres 3] [huisnummer 4] en [adres 6] [huisnummer 7] , geen gegevens bekend. Het is goed mogelijk dat deze uitbouwen zijn gerealiseerd in de vergunningsvrije periode. Ten aanzien van deze laatstgenoemde adressen is een uitbouw volgens de uitbouwenkaart overigens wel mogelijk. Eisers stellen verder dat in minstens twee gevallen is afgeweken van het beleid. De rechtbank gaat ervan uit dat eisers doelen op de adressen [adres 7] [huisnummer 8] en [huisnummer 9] . Op het adres [adres 7] [huisnummer 8] is inderdaad in afwijking van het beleid een omgevingsvergunning voor een uitbouw verleend. De reden hiervoor was onder andere dat deze uitbouw niet zichtbaar was vanaf de openbare weg. Van een gelijk geval dat anders wordt behandeld is volgens de rechtbank echter geen sprake. Bij eisers zou de voorgestelde uitbouw namelijk wel zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Ten aanzien van de woning aan de [adres 7] [huisnummer 9] merkt de rechtbank op dat een uitbouw volgens het beleid onder voorwaarden mogelijk is. Van een gelijk geval is reeds hierom geen sprake.
4.14.
Het voorgaande laat onverlet dat de rechtbank begrip heeft voor het gevoel van eisers. Zij ervaren het als onrechtvaardig dat verweerder van sommige uitbouwen niet weet of deze legaal zijn of niet, en sommige uitbouwen wellicht dus illegaal zijn gerealiseerd, terwijl hun eigen aanvraag in hun optiek streng wordt beoordeeld. Het is echter goed dat eisers zich aan de regels hebben gehouden door een aanvraag in te dienen en dat is ook in hun eigen belang. Verweerder is namelijk gehouden om tegen illegale uitbouwen op te treden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij niet actief handhaaft in verband met de handhavingscapaciteit, maar wel reageert als er een melding gedaan zou worden. De (financiële) schade voor eisers was groot geweest als zij de uitbouw hadden moeten afbreken, in het geval zij deze illegaal hadden gebouwd.
Verder is het voor de beoordeling van de aanvraag van eisers niet relevant of anderen in het verleden zonder vergunning een uitbouw hebben gebouwd of dat deze uitbouwen mogelijk in de vergunningsvrije periode zijn gerealiseerd. Bij de beoordeling van de aanvraag van eisers moet verweerder zich houden aan het beleid, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Zoals gezegd is het aan verweerder om handhavend op te treden als sprake is van een illegale uitbouw. In deze procedure ligt echter niet ter beoordeling voor of verweerder in andere gevallen handhavend had moeten optreden.