Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-16
ECLI:NL:RBAMS:2024:7782
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,241 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6007
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres,
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Santing).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres vanaf september 2024 recht heeft op basisbeurs in de vorm van een uitwonendenbeurs of thuiswonendenbeurs.
Met het primaire besluit van 12 september 2024 heeft verweerder besloten dat eiseres vanaf 1 september 2024 recht heeft op studiefinanciering in de vorm van een thuiswonendenbeurs. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij zijn besluit gebleven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2024. Eiseres was aanwezig, vergezeld door haar stiefvader [stiefvader] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiseres volgt een Hbo-opleiding aan de Hogeschool van Rotterdam. Vanaf 1 juni 2024 huurt zij een kamer op de vierde verdieping van de [adres] [huisnummer] in Amsterdam. Eiseres heeft recht op studiefinanciering. Op 30 juni 2024 heeft zij een aanvraag studiefinanciering voor uitwonende studenten ingediend. Verweerder heeft in eerste instantie eiseres een uitwonendenbeurs toegekend.
2. Bij een controle van de woonsituatie heeft verweerder geconstateerd dat eiseres nog staat ingeschreven bij één van haar ouders. Dat heeft geleid tot de hier bestreden besluitvorming, waarbij de uitwonendenbeurs van eiseres is omgezet in een thuiswonendenbeurs.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder op goede gronden het recht op studiefinanciering van eiseres met ingang van 1 september 2024 heeft herzien naar het normbedrag voor een thuiswonende student. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De rechtbank verwijst voor de relevante wettelijke bepalingen naar de bijlage bij deze uitspraak.
6. Om recht te hebben op een basisbeurs voor uitwonenden moet een student niet alleen wonen op een ander adres dan dat van zijn ouders, hij moet in de Basisregistratie Personen ook staan ingeschreven op een ander adres dan dat van zijn ouders. Vast staat dat eiseres op de [adres] [huisnummer] in Amsterdam woont, maar dat zij daar niet staat ingeschreven. Eiseres staat ingeschreven op het adres van een van haar ouders. Eiseres voldoet dan ook niet aan de verplichtingen om in aanmerking te komen voor studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende. Derhalve is eiseres volgens de wet niet aan te merken als een uitwonende studerende en heeft zij in beginsel geen recht op een uitwonendenbeurs.
7. Eiseres heeft aangevoerd dat de gemeente Amsterdam weigert om haar in te schrijven op het door haar opgegeven adres aan de [adres] omdat het systeem haar adres niet herkent. Zij kan er dus niets aan doen dat zij niet aan de voorwaarden voldoet. Eiseres vindt dat verweerder daarom voor haar een uitzondering op de inschrijfverplichting moet maken, opdat eiseres toch recht heeft op een uitwonendenbeurs. Eiseres heeft met haar verhuurder geen contact kunnen krijgen over de inschrijving en de gemeente heeft ook geen oplossing aangedragen. Eiseres zit daarom in een patstelling. Eiseres heeft ook aangevoerd dat zij moeite heeft om rond te komen.
8. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat in de wet geen algemene uitzondering is opgenomen voor de situatie dat een student zich buiten zijn schuld niet kan inschrijven op zijn adres maar dat eiseres een afzonderlijke ‘aanvraag uitzondering inschrijving gemeente’ kan indienen zoals op de website van verweerder is vermeld. Nu eiseres een dergelijke aanvraag niet heeft gedaan, kan verweerder daar geen besluit over nemen. Verweerder heeft verder meegedeeld dat eiseres geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de gemeente heeft geweigerd om haar in te schrijven. Daardoor kan verweerder niet beoordelen op welke grond de inschrijving in de Basisregistratie Personen is afgewezen en of dit een uitzonderingsgrond oplevert. Verweerder heeft ten slotte toegelicht dat wat eiseres aanvoert onvoldoende is om de hardheidsclausule toe te passen of om de inschrijvingseis niet toe te passen vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel.
9. De rechtbank is het met verweerder eens dat hij onder de genoemde omstandigheden geen uitzondering hoefde te maken op de inschrijvingseis. Verweerder heeft ook geen reden hoeven te zien om de hardheidsclausule toe te passen en af te wijken van de wettelijke bepaling over de inschrijvingseis. Dat eiseres feitelijk wel uitwonend is, maar dat het adres dat zij bij de inschrijving opgaf niet bekend was bij de gemeente en dat zij met haar verhuurder en de gemeente nog niet tot een oplossing heeft kunnen komen, is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat de wetgever er expliciet voor heeft gekozen om de inschrijving in de Basisregistratie Personen als eis in de wet op te nemen, met name zodat eenvoudig is vast te stellen of de student uitwonend is of niet. Gelet op deze duidelijke keuze van de wetgever komt aan wat eiseres heeft aangevoerd over haar situatie geen betekenis toe. Dat eiseres moeite heeft om rond te komen maakt dit niet anders.
10. Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat in het bestreden besluit alleen staat dat eiseres niet voldoet aan de eis dat zij moet staan ingeschreven op een ander adres dan dat van een van haar ouders. Voor zover eiseres vindt dat het bestreden besluit niet goed is gemotiveerd is de rechtbank dit niet met haar eens. Eiseres heeft in bezwaar immers alleen aangevoerd dat het probleem dat zij zich niet op haar adres in Amsterdam kan inschrijven buiten haar invloedsfeer ligt, maar dat zij feitelijk wel uitwonend is en daarom aanspraak maakt op een uitwonendenbeurs. Daarin hoefde verweerder geen aanleiding te zien om toe te lichten waarom hij geen uitzondering maakt op de inschrijvingseis. Dat een uitzondering zou moeten worden gemaakt, heeft eiseres pas in beroep naar voren gebracht.
Conclusie
11. Verweerder heeft op goede gronden het recht op studiefinanciering van eiseres met ingang van 1 september 2024 herzien naar het normbedrag voor een thuiswonende student. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: Juridisch Kader
Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000)
Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van Wsf 2000 wordt verstaan onder ‘uitwonende studerende’: de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.
Op grond van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 komt voor het normbedrag voor een uitwonende student in aanmerking de student die voldoet aan de volgende verplichtingen:
a. de student woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en
b. het woonadres van de student is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.
Op grond van artikel 11.5, eerste lid, kan [de] minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Dit staat in artikel 1.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
In artikel 11.5 van de Wsf 2000.