Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-11
ECLI:NL:RBAMS:2024:7674
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,353 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 23/7345
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 augustus 2023 afgewezen omdat het met 14 wachtpunten bij WoningNet mogelijk moet zijn om binnen een redelijke termijn een andere woning te vinden. Met het bestreden besluit van 15 november 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van schending van de goede procesorde?
3.1.
Eiser voert aan dat sprake is van schending van de goede procesorde omdat verweerder het verweerschrift te laat heeft ingediend en verzoekt om het verweerschrift buiten beschouwing te laten.
3.2.
De rechtbank volgt eiser hierin niet en neemt het verweerschrift wel mee in de beoordeling van het beroep. In het verweerschrift wordt door verweerder niets nieuws ingebracht en wordt enkel verwezen naar de afwijzingsgronden die ook in het bestreden besluit zijn vermeld. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser op zitting naar voren gebracht dat hij het verweerschrift wel heeft kunnen lezen.
Is er sprake van een urgent huisvestingsprobleem?
4.1.
Uit artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (hierna: Hvv) volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd indien er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. In de Nadere regels worden omstandigheden genoemd waarin in ieder geval geen sprake is van een urgent huisvestingprobleem. Daartoe behoort een situatie waarin de aanvrager in onderhuur woont of een tijdelijke huurovereenkomst heeft.
4.2.
Eiser stelt dat hij geen vaste verblijfplaats meer heeft en daarom vaak in zijn auto slaapt. Van zijn slaapplaats in de auto heeft eiser ook foto’s overgelegd. Op basis van de Nadere regels heeft verweerder aan de weigeringsgrond ten grondslag gelegd dat eiser beschikt over een tijdelijk huurcontract waardoor er geen sprake is van een huisvestingsprobleem.
4.3.
De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt omdat eiser niet meer beschikt over een tijdelijk huurcontract. In het licht van de door eiser overgelegde beëindiging van het huurcontract per 15 september 2023 en de door eiser overgelegde foto’s die onderbouwen dat hij in zijn auto slaapt, is de motivering in het bestreden besluit en het verweerschrift ontoereikend. Die motivering geeft er blijk van dat verweerder nog steeds uitgaat van een situatie waarin eiser daadwerkelijk woont op het betreffende adres van het voorgaande tijdelijke huurcontract terwijl eiser gemotiveerd en met onderbouwing heeft betwist dat dit niet zo is. Verweerder heeft toegelicht dat de Basisregistratie Personen (BRP) als leidend wordt gezien en eiser op het woonadres van het voorgaande huurcontract staat ingeschreven, maar ook deze motivering acht de rechtbank niet toereikend. Het BRP mag leidend zijn bij de beoordeling door verweerder, maar schept een weerlegbaar rechtsvermoeden, dus een rechtsvermoeden dat kan worden ontzenuwd met bewijs waaruit volgt of in ieder geval kan volgen dat het vermoeden niet klopt. Tegen het op de BRP inschrijving gebaseerde vermoeden dat eiser nog altijd op het in de BRP geregistreerde adres woont, waar verweerder vanuit gaat, heeft eiser (in ieder geval een begin van) bewijs ingebracht dat hij hier niet meer woont. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het innemen van het standpunt dat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem onvoldoende rekening gehouden met het door eiser overgelegde tegenbewijs, te weten het stuk over de beëindiging van het huurcontract per 15 september 2023 en de foto’s waarop te zien is dat eiser in zijn auto slaapt. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
Is er sprake van strijd met artikel 3 van het IVRK?
5.1.
Eiser voert verder aan dat de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring in strijd is met artikel 3 van het IVRK omdat verweerder nergens het belang van de minderjarige zoon heeft meegewogen. Eiser ziet zijn minderjarige zoon niet meer sinds september en kan ook geen uitvoering geven aan de vastgestelde omgangsregeling. Het minderjarige kind wordt hierdoor ook geschaad in ontwikkeling en zijn band met zijn biologische vader.
5.2.
Verweerder heeft in het verweerschrift het volgende overwogen inzake het minderjarige kind: “Ook wordt opgemerkt dat eiser een zelfstandige woning wenst om zijn minderjarige zoon te ontvangen. Dit levert ook een van de mogelijke situaties op zoals genoemd onder de Nadere regels waarbij er géén sprake is van een urgent huisvestingsprobleem.” Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen motivering die er blijk van geeft dat verweerder de belangen van de minderjarige zoon van eiser onder ogen heeft gezien en daar rekening mee heeft gehouden. In het bestreden besluit heeft verweerder helemaal niets gezegd over de belangen van het kind en in het verweerschrift is het kind zodanig summier vermeld dat niet blijkt dat verweerder de belangen van het kind in kaart heeft gebracht en adequaat heeft betrokken bij de beoordeling. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek en is het bestreden besluit ook in strijd met artikel 3 van het IVRK. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie
6.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en met artikel 3 van het IVRK. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
6.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
6.3.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 15 november 2023;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
11 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Paragraaf 3, ad b, onder punt 9 en 10, van de Nadere regels.
Verdrag inzake de rechten van het kind.