Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-19
ECLI:NL:RBAMS:2024:7660
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
2,553 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/6684
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 november 2024 in de zaak tussen
[verzoeker 1] , te Amsterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr. B. Mous),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Keurentjes).
Inleiding
1.1.
Op 8 februari 2023 heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van het verbod om op of aan de weg te slapen. Op 28 oktober 2024 heeft verweerder per brief de eigenaar(s)/gebruiker(s) van de voorwerpen, objecten en voertuigen aanwezig op de openbare groenvoorziening aan de [adres 1] [huisnummer 1] te Amsterdam bericht dat deze verwijderd dienen te worden voor 1 november 2024 om 9:00 uur en anders zal verweerder dat doen onder kostenverhaal.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen op 30 oktober 2024 bezwaar gemaakt. Ook heeft hij die dag om een voorlopige voorziening verzocht, strekkende tot opschorting van het besluit tot verwijdering van eigendommen en vergoeding van de door verzoeker gemaakte kosten.
1.3.
Verweerder heeft laten weten te zullen wachten met uitvoering te geven aan de last onder bestuursdwang totdat door de voorzieningenrechter op het verzoek is beslist.
1.4.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en toezichthouder [toezichthouder] . De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek om voorlopige voorziening ingediend door [de persoon] (24/6415).
Griffierecht
2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van betaling van griffierecht wegens betalingsonmacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt dan ook, waardoor verzoeker wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Voorgeschiedenis
4.1.
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Nadat verzoeker zijn onderkomen had op het [locatie] in het westelijk havengebied van Amsterdam had verzoeker vanaf 2019 zijn onderkomen in een caravan op de locatie aan de [adres 1] tot eind 2020. Na een verblijf aan de [adres 2] [huisnummer 2] heeft verzoeker eind 2022 weer zijn onderkomen gezocht met caravans en aanhangers op het terrein aan de [adres 1] [huisnummer 1] . Op 8 februari 2023 heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd tegen het verblijf van verzoeker op het terrein aan de [adres 1] , wegens strijd van dat verblijf met wet- en regelgeving.
4.2.
Het beroep van verzoeker tegen de opgelegde last onder bestuursdwang is op 20 december 2023 door deze rechtbank ongegrond verklaard. Vervolgens is in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 3 mei 2024 geoordeeld dat verweerder de last onder bestuursdwang aan verzoeker heeft mogen opleggen. Daarbij is wel door de Afdeling bepaald dat de last onder bestuursdwang niet eerder mag worden uitgevoerd dan 1 augustus 2024.
4.3.
Verzoeker heeft in augustus 2024 ook daadwerkelijk de locatie verlaten en zijn objecten verwijderd. Verzoeker is op enig moment weer teruggekeerd omdat er naar zijn zeggen niets met het terrein wordt gedaan en omdat [de persoon] , die daar ook woont, niet verwijderd hoeft te worden.
4.4.
Op 28 oktober 2024 hebben toezichthouders van verweerder voornoemde brief aangeplakt op de objecten van [verzoeker 1] .
Is er sprake van een besluit?
5.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij allereerst of de brief van 28 oktober 2024 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar en beroep openstaat.
5.2.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 28 oktober 2024 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat de inhoud ervan rechtsgevolgen heeft.
5.3.1.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in die stelling. Onderscheid moet worden gemaakt tussen een beslissing tot toepassing van bestuursdwang en de tenuitvoerlegging daarvan.
5.3.2.
Bij een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt onder aanzegging van bestuursdwang omschreven welke maatregelen moeten worden genomen om de tenuitvoerlegging te voorkomen. De schriftelijke beslissing tot toepassing van bestuursdwang is, aldus de Afdeling, een beschikking en daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verzoeker heeft tegen de schriftelijke beslissing tot toepassing van bestuursdwang, te weten de last van 8 februari 2023, bezwaar en vervolgens beroep en hoger beroep ingesteld. De beslissing tot toepassing van bestuursdwang is daarmee onherroepelijk geworden.
5.3.3.
De tenuitvoerlegging van bestuursdwang betreft het daadwerkelijk toepassen van bestuursdwang, dat wil zeggen: het daadwerkelijk door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Deze tenuitvoerlegging is, aldus de Afdeling, feitelijk handelen en kan niet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter is – net als verweerder – van oordeel dat de brief van 28 oktober 2024 slechts de mededeling bevat dat tot tenuitvoerlegging van het bestuursdwangbesluit wordt overgegaan. Dit is dus geen besluit in de zin van de Awb en hiertegen staat dan ook geen bezwaar open.
5.3.4.
Voor zover verzoeker meent dat er toch sprake is van een besluit omdat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn omdat is gebleken dat er eerder niet handhavend is opgetreden tegen [de persoon] overweegt de rechtbank dat dit niet maakt dat een feitelijke handeling een besluit kan worden. Als er nieuwe feiten en omstandigheden zouden zijn, zal verzoeker een herzieningsverzoek kunnen indienen bij de Afdeling.
5.4.
Het bezwaarschrift van verzoeker zal naar verwachting van de voorzieningenrechter dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard en heeft dus geen redelijke kans van slagen. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Belangenafweging
6.1.
De voorzieningenrechter zal tenslotte op grond van een belangenafweging beoordelen of er reden bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt af.
6.2.
De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker er belang bij heeft dat hij nog met zijn caravan(s) op het terrein aan de [adres 1] [huisnummer 1] kan blijven staan. Zoals gezegd is de last onder bestuursdwang echter onherroepelijk geworden en kan verweerder daar uitvoering aan geven. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving dient verweerder in de regel ook gebruik te maken van die bevoegdheid. Daarnaast heeft verweerder ook voldoende onderbouwd dat er, in tegenstelling tot wat verzoeker stelt, wel degelijk activiteiten (zullen) plaatsvinden op het terrein ten behoeve van de ontwikkeling van het project [project]. Voor wat betreft de situatie rond [de persoon] , wat daar ook van zij, overweegt de voorzieningenrechter dat de last onder bestuursdwang onherroepelijk is geworden en er geen herzieningsverzoek is ingediend bij de Afdeling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker.
Conclusie
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek gelet op het voorgaande af. Dat betekent dat verzoeker is gehouden om gehoor te geven aan de oproep zijn eigendommen te verwijderen en dat anders verweerder deze zal verwijderen onder kostenverhaal. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBAMS:2023:8282.
ECLI:NL:RVS:2024:1886.
zie uitspraak van de Afdeling 20 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8821.
Artikel 8:119 Awb.