Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-06
ECLI:NL:RBAMS:2024:7651
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Europees bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,060 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/4322 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2024 op het verzet van
[Opposant]
, uit Amsterdam, opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2023 in het geding tussen
opposant
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1.1.
Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2023. De rechtbank heeft in die uitspraak het verzoek om schadevergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 8:88 en 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM bij de behandeling van een aantal door opposant ingestelde beroepen zonder zitting afgedaan. Daarin heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“3.2. In procedures als deze mag de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van eisers beroepen. Uit vaste rechtspraak volgt echter dat, in geval beroep wordt ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift, de duur van de beroepsfase niet in aanmerking wordt genomen bij de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, zolang het bestuursorgaan niet heeft beslist op het bezwaar. In dit geval is tijdens de gehele beroepsfase nog niet op de bezwaren van eiser beslist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan het verzoek om schadevergoeding tegemoetkomen. De termijnoverschrijding zal in de bezwaarprocedures aan de orde komen.”
1.2.
De rechtbank heeft het verzet op 11 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposant en als toehoorder [Toehoorder] , werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Namens de Staat der Nederlanden is niemand verschenen.
Beoordeling
Verschoonbaarheid termijnoverschrijding
2.1.
Opposant heeft op 1 mei 2024 verzet aangetekend tegen de uitspraak van 27 juli 2023. De termijn voor het instellen van verzet was op dat moment reeds ruimschoots verstreken.
2.2.
Volgens opposant is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hij verkeerde namelijk in de veronderstelling dat de rechtbank de gemeente had aangewezen als partij die tot een vergoeding van de schade zou moeten overgaan. Hij heeft zich na de uitspraak tot de gemeente Amsterdam gewend met het verzoek om een bedrag aan immateriële schadevergoeding aan hem over te maken. Pas op 17 april 2024 werd het hem duidelijk dat de gemeente vindt dat de rechtbank een foute uitspraak heeft gedaan. Vervolgens is opposant alsnog op 1 mei 2024 in verzet gegaan tegen de uitspraak van 27 juli 2023. Opposant voegt hier aan toe dat het hem niet uitmaakt welk orgaan (de Staat der Nederlanden dan wel de gemeente Amsterdam) hem het bedrag van € 15.000,- aan schadevergoeding betaalt.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van verzet verschoonbaar is. In de uitspraak van 27 juli 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de bezwaarprocedures aan bod zou komen. Hieruit heeft opposant op kunnen maken dat hij zich tot de gemeente Amsterdam dan wel de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland moest wenden voor schadevergoeding wegens overschrijding van die termijn. Dat heeft opposant ook kort na de uitspraak gedaan. Pas op 17 april 2024 is het opposant duidelijk geworden dat volgens de gemeente Amsterdam de uitspraak van 27 juli 2023 onjuist is. Opposant heeft vervolgens korte tijd later verzet tegen deze uitspraak ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat het opposant niet kan worden verweten dat hij niet eerder in verzet is gekomen tegen de uitspraak van 27 juli 2023. De rechtbank merkt nog op dat de gemeente Amsterdam zelf geen partij was in de procedure. De gemeente Amsterdam had dus niet de mogelijkheid om een rechtsmiddel tegen de uitspraak van 27 juli 2023 in te stellen.
2.4.
Opposant kan dus worden ontvangen in zijn verzet.
Gegrond verzet
3.1.
De rechtbank moet beoordelen of in de uitspraak van 27 juli 2023 terecht zonder zitting is afgedaan omdat over de uitkomst geen gerede twijfel kan bestaan. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.3.
In de uitspraak van 27 juli 2023 is de rechtbank er van uitgegaan dat ten tijde van het doen van die uitspraak nog niet op de bezwaren was beslist. Dit is onjuist. Bij besluit van 26 mei 2023 heeft de voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland beslist op de bezwaren van opposant. De beslissingen op bezwaar waren dus al genomen voordat de rechtbank op 27 juli 2023 uitspraak heeft gedaan.
Conclusie
4. Omdat het verzet gegrond is, vervalt de uitspraak van 27 juli 2023. De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
Verzoek 8:88 van de Awb
5.1.
Op de zitting waar het verzet is behandeld heeft opposant desgevraagd uitdrukkelijk te kennen gegeven akkoord te zijn dat de rechtbank zijn e-mail van 23 mei 2023 heeft opgevat als een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.
5.2.
Naar de rechtbank begrijpt is om schadevergoeding verzocht wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit schadevergoedingsverzoek houdt verband met de uitspraak van deze rechtbank van 1 mei 2023, waar opposant en de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland partij bij waren. Over meer informatie beschikt de rechtbank op dit moment niet.
5.3.
De rechtbank zal daarom naast opposant en de Staat der Nederlanden voor de zekerheid ook de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland als partij aanmerken in deze verzoekprocedure. Deze oplossing sluit nauw aan bij de procedure in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2024. Partijen zullen bericht krijgen van de rechtbank op welke wijze de procedure inzake het verzoek om schadevergoeding zal worden voortgezet.
5.4.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Belhadi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met kenmerk DJ.20.012162.001, DJ.20.014887.001, DJ.20.014196.001, DJ.20.014652.001, DJ.23.009894.001 en DJ.23.009894.003.
De zaken staan geregistreerd onder AMS 20/5537, AMS 20/6603, AMS 20/6834, AMS 20/6835, AMS 20/6836 en AMS 20/6837.
Dit betreft een nadere uitspraak inzake vergoeding van de door een partij geleden schade. Deze uitspraak is gepubliceerd onder ECLI:NL:RVS:2024:3477.