Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-27
ECLI:NL:RBAMS:2024:7648
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenuitspraak
1,895 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/302610-24 (EAB III)
Datum uitspraak: 27 november 2024 (bij vervroeging)
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 27 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 maart 2021 door the District Court in Opava, Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Tsjecho-Slowakije) op [geboortedag] 1988,
laatst opgegeven feitelijke woon- of verblijfplaats:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. F.S. Baardman, advocaat te Utrecht, die verklaard heeft door hem gemachtigd te zijn. De raadsvrouw neemt waar voor mr. C.N.G. Starmans, ook advocaat te Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Tsjechische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt the enforceable judgment of the District Court in Opava of 30 September 2015 in conjunction with the resolution of the District Court in Opava of 18 August 2020 on the modification of the sentence, Case number 1 T 145/2014.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB en het A-formulier nog twee jaren. Van onduidelijkheid omtrent de resterende straf – zoals gesteld door de raadsvrouw – is dus geen sprake. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon voorwaardelijk opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 30 september 2015 en omgezet in een onvoorwaardelijke straf bij de beslissing van 18 augustus 2020.
Dit vonnis en deze beslissing betreffen het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor het proces dat tot de veroordeling van 30 september 2015 heeft geleid (oproeping op 10 september 2015) en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van het proces en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op dat proces verschijnt. Daarom is ten aanzien van de veroordeling van 30 september 2015 sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a, OLW.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm met een proeftijd van 4 jaar aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van 18 augustus 2020 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
Uit het tegelijk behandelde overleveringsverzoek op basis van EAB I (parketnummer: 13/302547-24) volgt dat de voorwaardelijk straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf, omdat de opgeëiste persoon in zijn proeftijd een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd dat heeft geleid tot de veroordeling uit EAB I (met de beslissing in hoger beroep van 27 mei 2020). Uit de toetsing aan artikel 12 OLW in EAB I volgt dat de weigeringsgrond hier niet van toepassing is (omdat de situatie van artikel 12, onder a, OLW zich voordoet).
Dictum
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
- illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Tsjechië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Heropening
Tegelijkertijd met deze zaak is het EAB met parketnummer 13/302412-24 (EAB II) behandeld. In die zaak heeft de rechtbank, kort gezegd, besloten om bij (vervroegde) tussenuitspraak het onderzoek ter zitting te heropenen voor het opvragen van aanvullende informatie. Teneinde in alle zaken tegelijk einduitspraak te kunnen doen, zal de rechtbank daarom ook in deze zaak vervroegd uitspraak doen en het onderzoek ter zitting heropenen en schorsen.
Dictum
HEROPENT EN SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;
BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 10 december 2024 opnieuw op zitting wordt aangebracht;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Tsjechische taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mr. B.M. Vroom-Cramer en mr. A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster en mr. Ç.H. Dede, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.