Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-27
ECLI:NL:RBAMS:2024:7647
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenuitspraak
2,050 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/302412-24 (EAB II)
Datum uitspraak: 27 november 2024 (bij vervroeging)
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 30 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 januari 2024 door the District Court in Opava, Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Tsjecho-Slowakije) op [geboortedag] 1988,
laatst opgegeven feitelijke woon- of verblijfplaats:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. F.S. Baardman, advocaat te Utrecht, die verklaarde gemachtigd te zijn voor hem op te treden. De raadsvrouw neemt waar voor mr. C.N.G. Starmans, ook advocaat te Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Tsjechische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB, artikel 12 OLW, heropening
Het EAB vermeldt in onderdeel b) onder punt 1: an Arrest Warrant of 17 January 2024, Ref. No. 19 T 12/ 2017-224. Uit het originele Tsjechische EAB en het A-formulier leidt de rechtbank af dat dit bevel is uitgevaardigd door the District Court in Opava.
In onderdeel b) van het EAB is onder punt 2 (“Enforceable judgment”) het volgende kenmerk vermeld: 19 T 12/2017.
Onderdeel d) van het EAB is niet ingevuld.
In onderdeel f) staat onder meer het volgende vermeld:
(…)
By the judgment of the District Court in Opava dated 21 June 2017, Case No. 19 T 12/2017-158, [opgeëiste persoon] was found guilty of committing the crime of robbery under Section 173 (1) of the Criminal Code and was sentenced to imprisonment for 2 years and 8 months, with a suspended sentence and a probationary period of 4 years.
Currently, enforcement proceedings are underway regarding the conversion of the originally suspended sentence into an unconditional prison sentence of 2 years and 8 months, as the convicted person committed an unlawful act during the probationary period.
(…)
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat onduidelijk is of het nu al dan niet om een executie-EAB gaat. De officier van justitie heeft betoogd dat blijkbaar sprake is van een verstekvonnis uit 2017 waar nog verzet tegen mogelijk is. De rechtbank volgt dit betoog niet.
De rechtbank leidt uit het EAB af dat het aanhoudingsbevel ertoe strekt de opgeëiste persoon aanwezig te laten zijn bij de procedure met betrekking tot de omzetting van de bij vonnis van the District Court in Opava van21 juni 2017 opgelegde voorwaardelijke straf van 2 jaar en 8 maanden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat een nationaal aanhoudingsbevel aan het EAB ten grondslag ligt, namelijk het in onderdeel b) onder 1 van het EAB genoemde arrestatiebevel van 17 januari 2024, en dat deze beslissing kan worden aangemerkt als 'een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing' als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW. Het EAB is dus uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde vrijheidsbenemende straf of maatregel en dus ‘ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde vrijheidsbenemende straf of maatregel’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, OLW.
De rechtbank heeft behoefte aan nadere informatie ten aanzien van het proces dat tot de veroordeling van 21 juni 2017 (19 T 12/2017-158) heeft geleid in het kader van de toetsing aan artikel 12 OLW. De rechtbank heeft de volgende vragen:
Kan door de uitvaardigende justitiële autoriteit alsnog onderdeel d) van het EAB worden ingevuld voor het proces dat tot de veroordeling van 21 juni 2017 (19 T 12/2017-158) van the District Court in Opava heeft geleid?
Mocht geen van de situaties zoals bedoeld in onderdeel d) van het EAB zich voordoen:
o Was de opgeëiste persoon op de hoogte van de verdenking en de strafrechtelijke procedure?
o Is een oproeping voor het proces verzonden aan een door de opgeëiste persoon (bijvoorbeeld tijdens de voorbereidende procedure) opgegeven adres?
o Is de opgeëiste persoon tijdens of voorafgaand aan de strafprocedure geïnstrueerd over zijn rechten en plichten waaronder de verplichting om bereikbaar te zijn op een opgegeven adres en om eventuele adreswijzigingen door te geven?
- Uit onderdeel f) volgt dat de (te voeren) procedure tot omzetting het gevolg is van het feit dat de opgeëiste persoon committed an unlawful act during the probationary period. Indien er sprake is van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit en die veroordeling ten grondslag ligt aan de (te voeren) procedure tot omzetting, dan wenst de rechtbank te vernemen welke veroordeling dit is. Ook wenst de rechtbank in dat geval te vernemen of de opgeëiste persoon in die procedure zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Met andere woorden, kan in dat geval onderdeel d) van het EAB worden ingevuld voor het proces dat tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit heeft geleid en kunnen, voor zover zich geen van de situaties zoals bedoeld in onderdeel d) van het EAB voordoen, ook met betrekking dat proces de hiervoor onder het tweede liggende streepje geformuleerde vragen worden beantwoord?
Dictum
HEROPENT EN SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 10 december 2024 opnieuw op zitting wordt aangebracht;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Tsjechische taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mr. B.M. Vroom-Cramer en mr. A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster en mr. Ç.H. Dede, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Vergelijk: Rb. Amsterdam 18 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4555 en 21 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4898.
Artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ.