Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:7645
Strafrecht; Europees strafrecht
Beschikking
2,269 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 24/013073
Datum beschikking: 4 december 2024
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.5.18 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1977,
wonende op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen “klager”.
1Procesgang
Het klaagschrift is op 16 mei 2024 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 10 juli 2024 het klaagschrift behandeld en de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind, in openbare raadkamer gehoord. Klager is niet verschenen. Op 12 juli 2024 is een aanvulling op het klaagschrift ontvangen.
Bij tussenbeschikking van 24 juli 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen door de rechtbank geformuleerde vragen over het gelegde beslag te beantwoorden en een standpunt in te nemen over de grondslag van de overdracht van het geldbedrag aan de Finse autoriteiten.
De behandeling van het klaagschrift is voorgezet op 20 november 2024 en de officier van justitie, mr. A. Keulers, is in openbare raadkamer gehoord. Klager is wederom niet verschenen.
2Tussenbeschikking van 24 juli 2024
Bij tussenbeschikking van 24 juli 2024 zijn weergegeven: de feiten en omstandigheden, de inhoud van het klaagschrift en het standpunt van klager, het standpunt van de officier van justitie en het oordeel van de rechtbank over de vraag waartegen het klaagschrift is gericht en over de ontvankelijkheid van klager. Deze punten en overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3Waartegen is het klaagschrift is gericht
De officier van justitie heeft op de zitting van 20 november 2024 naar voren gebracht dat zij het (toch) eens is met het oordeel van de rechtbank zoals overwogen in de tussenbeschikking van 24 juli 2024, namelijk dat het klaagschrift zich niet richt op de inbeslagneming van het geldbedrag maar tegen het voorgenomen besluit van de Nederlandse officier van justitie van 13 mei 2024 om op grond van artikel 116, derde lid, Sv uitvoering te geven aan de teruggavebeslissing van de Finse officier van justitie door het bevroren geldbedrag aan de Finse autoriteiten over te dragen.
4Antwoorden op de vragen uit de tussenbeschikking van 24 juli 2024
Beslag
In de tussenbeschikking is de volgende vraag voor de officier van justitie geformuleerd: had er in dit geval conservatoir beslag moeten worden gelegd nu het geldbedrag ter uitbetaling aan de benadeelde partij wordt gebruikt? Zo ja, is er beslag gelegd op grond van artikel 94a Sv, met machtiging van de rechter-commissaris?
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. In het bevriezingsbevel is verzocht om beslag te leggen op de tegoeden op de vermelde bankrekening met het oog op confiscatie. In de beschrijving van de feiten wordt vermeld dat de verdenking bestaat dat een geldbedrag frauduleus werd overgemaakt naar die rekening. Door middel van oplichting werd het slachtoffer ertoe bewogen om het geld naar de vermelde rekening over te maken, terwijl hij ten onrechte in de veronderstelling was dat die rekening aan de verkoper waarmee hij zaken deed toebehoorde. Het geldbedrag op de vermelde rekening kan dan ook worden beschouwd als de directe opbrengst van een misdrijf (oplichting) of het instrument waarmee het misdrijf is gepleegd (witwassen). Klager is rekeninghouder van de bewuste rekening. Daarmee is het voorwerp naar Nederlands recht vatbaar voor verbeurdverklaring en kon er 94 Sv beslag worden gelegd met het oog op die verbeurdverklaring. De officier van justitie heeft voorts opgemerkt dat niet werd gevraagd om 'slachtofferbeslag' te leggen (op basis van art. 94a waarvoor een machtiging van de rechter-commissaris nodig is). Daarvoor biedt noch het Kaderbesluit, noch de Confiscatieverordening een juridische basis. Ook in geen enkel verdrag wordt de mogelijkheid geboden om beslag te leggen op vermogen met het oog op de tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel. Beslaglegging kan in internationaal verband dus alleen met het oog op verbeurdverklaring of ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (beide afpakmogelijkheden vallen onder de internationale noemer 'confiscation').
Grondslag voor het voorgenomen besluit van 13 mei 2024
In de tussenbeschikking is ook aan de officier van justitie voorgelegd dat het Kaderbesluit 2003/577 en het WvSv (oud) niet leken te voorzien in de mogelijkheid dat de officier van justitie op grond van artikel 116 Sv een beslissing tot teruggave kan nemen ter uitvoering van een buitenlandse beslissing.
De officier heeft in dit kader het volgende naar voren gebracht.
De stelling van de rechtbank is juist dat de Confiscatie Verordening 2018/1805 in deze zaak niet van toepassing is. Het beslag is op basis van het oudere Kaderbesluit gelegd, dus vóór de inwerkingtreding van de Verordening. In het Finse besluit wordt dus ten onrechte een beroep gedaan op/verwezen naar de vermelde Verordening. Echter, de rechtbank miskent dat in de EU rechtshulpovereenkomst (Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie), waarop in het onderhavige geval nog steeds een beroep kan worden gedaan (het gaat immers niet om bewijsvergaring, zodat in dit geval de EU rechtshulp overeenkomst niet door de richtlijn EOB opzij wordt gezet), in artikel 8 de mogelijkheid van teruggave van in beslaggenomen voorwerpen aan rechthebbenden is opgenomen. De verzoekende staat kan dus op grond van dit artikel aan de andere staat vragen om het voorwerp ter beschikking te stellen ter teruggave aan de rechthebbende. Daarbij moeten wel rechten van derden te goeder trouw in acht worden genomen. Klager heeft in dit geval niet aangetoond dat hij te goeder trouw is. Zowel Finland als Nederland zijn partij bij deze Overeenkomst, die in dit geval als vangnet dient in het kader van de grondslag voor het voorgenomen besluit van 13 mei 2024.
5Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst opnieuw naar haar uitspraak van 17 augustus 2023 en naar het feit dat in Nederland beslag is gelegd ter verbeurdverklaring. Met de beslissing van de Finse officier van justitie tot teruggave van het geldbedrag aan de benadeelde partij, is het doel van beslag echter niet de verbeurdverklaring, maar het veilig stellen van het geldbedrag ten behoeve van de Finse benadeelde partij. De rechtbank constateert dus dat het in Nederland gelegde beslag ter verbeurdverklaring, niet aansluit op het doel van de beslaglegging (teruggave aan de benadeelde partij). Het in Nederland gelegde beslag sluit daarmee dus ook niet aan bij het voorgenomen besluit van de Nederlandse officier van justitie van 13 mei 2024 – waartegen onderhavig klaagschrift zich richt – welk voorgenomen besluit strekt ter uitvoering van de teruggavebeslissing van de Finse officier van justitie, en biedt daar dus geen grondslag voor.
Artikel 8 van de EU rechtshulpovereenkomst biedt – voor zover van toepassing – evenmin een dergelijke grondslag, omdat uit het toelichtend rapport bij deze overeenkomst volgt dat dit artikel slechts van toepassing is als er geen twijfel bestaat over de rechtmatige eigenaar.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beklag, gericht tegen het voorgenomen besluit van de Nederlandse officier van justitie van 13 mei 2024 om uitvoering te geven aan de teruggavebeslissing van de Finse officier van justitie door het bevroren geldbedrag aan de Finse autoriteiten over te dragen, GEGROND.
Deze beslissing is op 4 december 2024 in het openbaar uitgesproken door:
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mr. B.M. Vroom-Cramer en mr. A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster en mr. Ç.H. Dede, griffiers.
ECLI:NL:RBAMS:2024:4619.
ECLI:NL:RBAMS:2023:5995.
Toelichtend Rapport bij de Overeenkomst van 29 mei 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie.