Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-06
ECLI:NL:RBAMS:2024:7634
Strafrecht; Europees strafrecht
Beschikking
2,197 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
AFWIJZING BEVEL VERLENGING AANHOUDING EX ARTIKEL 37 OLW
Parketnummer: 13/300657-24
Op 6 december 2024 heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam de verlenging van het bevel tot aanhouding gevorderd van de opgeëiste persoon:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
Het verloop
De justitiële autoriteiten van Polen hebben een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) met betrekking tot bovengenoemde persoon toegezonden.
Op 6 november 2024 is genoemd EAB op zitting behandeld. Op dat moment was de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22, eerste en derde lid, van de Overleveringswet (hierna: OLW) op het overleveringsverzoek moest beslissen, reeds verstreken. Dat bracht met zich dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kon verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestond voor gevangenhouding of gevangenneming.
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toegestaan. Op grond van artikel 35, eerste lid OLW wordt de opgeëiste persoon zo snel mogelijk, maar niet later dan tien dagen na de datum van deze uitspraak feitelijk overgeleverd. Op grond van het tweed lid van deze bepaling kan op vordering van de officier van justitie deze termijn worden verlengd indien dit noodzakelijk is, doordat als gevolg van omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat de feitelijke overlevering niet binnen de termijn als bedoeld in het eerste lid 1 kan plaatsvinden, dan wel er humanitaire redenen voor zijn (derde lid).
Op 27 november 2024 vond een poging tot feitelijke overlevering plaats. Omdat de opgeëiste persoon voordat hij werd opgehaald om te worden overgeleverd, in zijn benen heeft gesneden en zeer agressief gedrag vertoonde is afgezien van de feitelijke overlevering, omdat de verwachting bestond dat de opgeëiste persoon niet tot het vliegtuig zou worden toegelaten.
Op vrijdag 29 november (overdracht om 17.45 uur) is een tweede poging ondernomen. De opgeëiste persoon zou met extra beveiligd vervoer naar Schiphol worden gebracht, waar hij door vier Poolse escorts het vliegtuig in zou worden begeleid. Op Schiphol vertoonde de opgeëiste persoon echter (weer) zodanig agressief gedrag dat de kapitein van het vliegtuig hem toegang tot de vlucht weigerde.
Omdat het weekend inmiddels in was gegaan en de termijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid OLW tijdens dat weekend zou eindigen heeft de officier van justitie de keuze gemaakt de opgeëiste persoon op grond van artikel 37, eerste lid OLW voor drie dagen aan te houden en heeft de aanhouding vervolgens met drie dagen verlengd.
Op 5 december 2024 is opnieuw een poging gedaan om tot feitelijke overlevering over te gaan. Omdat de opgeëiste persoon tijdens het vervoer naar Schiphol een scheermesje heeft ingeslikt is de opgeëiste persoon naar het ziekenhuis gebracht alwaar hij nog steeds verblijft.
De officier van justitie heeft op 6 december 2024, de laatste dag van de aanhouding, op grond van artikel 37, tweede lid, OLW verzocht de termijn met tien dagen te verlengen.
Subsidiair voor het geval de rechtbank niet tot verlenging komt, vordert de officier van justitie dat aan de invrijheidstelling vrijheidsbeperkende voorwaarden zullen worden verbonden.
Oordeel van de rechtbank.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er voldoende ruimte is om tot de gevraagde verlenging te komen.
De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid te vorderen dat de termijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid OLW wordt verlengd op grond van artikel 35, tweede lid, OLW.
Die vordering kan alleen lopende de eerste termijn worden gedaan.
De officier van justitie heeft betoogd dat nu de termijn als hier bedoeld eindigde tijdens het weekend en de tweede poging om 17.45 uur plaatsvond die mogelijkheid niet (meer) bestond. De rechtbank sluit immers om 17.00 uur en er is geen noodvoorziening voor het weekend.
De eerste poging om tot een feitelijke overlevering te komen vond echter plaats op 27 november 2024. Omdat die mislukte vanwege extreem agressie van de opgeëiste persoon had de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs kunnen aannemen dat er een aanmerkelijke kans bestond, dat het niet zou gaan lukken de feitelijke overlevering te realiseren binnen de termijn van tien dagen. Indien destijds die conclusie was getrokken had een tijdige vordering kunnen worden ingediend om de termijn te verlengen op grond van artikel 35, tweede of derde lid OLW. Daarbij zou een verzoek om onmiddellijke behandeling kunnen worden gedaan. Nu de officier daarvan heeft afgezien is de termijn feitelijk niet verlengd.
De vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon wordt op grond van artikel 35, vierde lid OLW beëindigd na het verstrijken van de termijn voor feitelijke overlevering.
De officier van justitie heeft gekozen voor de weg van de aanhouding als bedoeld in artikel 37 OLW voor de duur van drie dagen waarna die termijn met drie dagen is verlengd. De vordering tot verlenging met tien dagen als bedoeld in het tweede lid van deze bepaling is tijdig gedaan.
De rechtbank acht zich niet gehouden zich uit te laten over de rechtmatigheid van de (verlengde) aanhouding. Wel moet worden beoordeeld of er gronden zijn voor verlenging van de aanhouding.
De rechtbank heeft hierboven reeds vastgesteld dat de termijn van artikel 35, eerste lid OLW is verstreken en dat deze niet is verlengd.
De wet schrijft voor dat de opgeëiste persoon in dat geval in vrijheid moet worden gesteld. Gelet op die omstandigheden ziet de rechtbank geen grond op grond waarvan de vrijheidsbeneming dient te worden verlengd en zal daarom het verzoek de aanhouding te verlengen met tien dagen afwijzen.
Artikel 35, vierde lid van de OLW bepaalt dat de vrijheidsbeneming niet gebeurt dan nadat de rechtbank op de vordering van de officier één of meer vrijheidsbeperkende voorwaarden heeft kunnen stellen, indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van vlucht.De officier heeft die vordering uiterst subsidiair gedaan en heeft verzocht de navolgende vrijheidsbenemende voorwaarden te stellen:
1. de opgeëiste persoon onttrekt zich niet aan de feitelijke overlevering;
2. de opgeëiste persoon verblijft op een nader te bepalen adres;
3. de opgeëiste persoon zal de officier van justitie schriftelijk van iedere adreswijziging op de hoogte stellen;
4. de opgeëiste persoon zal Nederland niet verlaten;
5. de op de naam van de opgeëiste persoon gestelde identiteitskaart wordt tot aan de feitelijke overlevering ter beschikking gesteld aan de officier van justitie;
6. de opgeëiste persoon zal aan iedere oproeping van politie of justitie in het kader van de feitelijke overlevering gehoor geven en ook voor het overige medewerking verlenen aan de feitelijke overlevering;
7. de opgeëiste persoon zal zich op een nader te bepalen tijdstip, zodra hij wordt ontslagen uit het ziekenhuis, melden bij de Koninklijke Marechaussee op Schiphol ten behoeve van zijn feitelijke overlevering;
8. de opgeëiste persoon werkt mee aan elektronisch toezicht, en het onderzoek naar de mogelijkheid daartoe.
De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen nu hij in het ziekenhuis verblijft en hij overigens nog is aangehouden door de officier van justitie.
Dictum
Wijst af de vordering tot verlenging van de aanhouding op grond van artikel 37,derde lid, OLW
Houdt aan haar beslissing op de vordering van de officier van justitie tot het stellen van vrijheidsbenemende voorwaarden aan de vrijlating.
Bepaalt dat de opgeëiste persoon en diens raadsvrouw door de officier van justitie worden opgeroepen voor de verdere behandeling van deze zaak.
Aldus gedaan op 06 december 2024 door
mr. A.J.R.M. Vermolen, rechter,
in tegenwoordigheid van M.C.G. Kroon, griffier.