Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-09
ECLI:NL:RBAMS:2024:7577
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,792 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/1109
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. M. Heikens),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Al Idrissi al Berkani).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (hierna: GPK) voor een passagier.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 september 2021 afgewezen. Uit het gevraagde advies van de GGD blijkt namelijk dat eiseres niet voldoet aan de criteria voor een GPK. Uit het advies volgt dat eiseres zich zonder hulp van een ander, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, redelijkerwijs over een langere afstand dan 100 meter aaneengesloten kan voortbewegen. Ook blijkt uit het advies dat eiseres als passagier niet continu afhankelijk is van hulp van de bestuurder bij het lopen buitenshuis. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de GGD meermaals advies uitgebracht met als conclusie afwijzing van de aanvraag voor een GPK. Met het besluit van 13 januari 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarom bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit waarna de zaak op 10 mei 2023 bij de rechtbank Amsterdam op zitting is behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst zodat verweerder opnieuw medisch advies kon opvragen bij de GGD en een nieuw besluit kon nemen. Met het nieuwe besluit van 9 februari 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag voor een GPK gebleven. Het nieuwe advies van de GGD leidde namelijk niet tot een ander oordeel.
1.3.
Eiseres heeft haar beroep voortgezet en aanvullende beroepsgronden ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de partner van eiseres, mr. M. de Graaf als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een GPK voor een passagier mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiseres stelt het niet eens te zijn met het bestreden besluit omdat het besluit is genomen op basis van een onzorgvuldig en ondeugdelijk advies van de GGD. Volgens eiseres blijkt uit de medische stukken van de fysiotherapeut en de huisarts dat zij geen 100 meter of meer zelfstandig kan lopen. Daarnaast is zij continu afhankelijk van de hulp van de bestuurder omdat zij in verband met haar draaiduizeligheid gepaard met valneigingen niet alleen kan wachten totdat de bestuurder de auto heeft weggezet. Voor wat betreft het nieuwe advies van de GGD stelt eiseres dat de GGD-arts haar conclusie heeft getrokken op basis van een ondeugdelijk onderzoek, omdat het zetten van een paar stappen niets zegt of eiseres (meer dan) 100 meter kan lopen alsook zij bij het zetten van de paar stappen al hulp nodig had van haar man. Ook heeft de GGD-arts volgens eiseres haar conclusie getrokken op basis van onvolledige informatie, omdat de uitkomst van de behandeling bij de medische specialist nog dient te worden afgewacht.
5. Volgens vaste rechtspraak van de hoger beroepsrechter mag verweerder zich bij het nemen van besluiten baseren op een medisch advies als dit zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en het advies de conclusie kan dragen. Het is dan vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt.
6. De rechtbank is van oordeel dat de adviezen van de GGD-arts, in samenhang gelezen, voldoen aan de hiervoor genoemde eisen. Het blijkt niet dat de adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Duidelijk is vermeld van welke gegevens de GGD-arts bij de beoordeling gebruik heeft gemaakt. Eiseres heeft gedurende de procedure telkens (nieuwe) medische informatie overgelegd van haar behandelaars en deze informatie is iedere keer door de GGD-arts betrokken in de adviezen. Verder heeft de GGD-arts gebruik gemaakt van de kennis van het betrokken ziektepatroon en toetsing aan het VIA protocol. Daarnaast heeft een observatie van het loop- en beweegpatroon plaatsgevonden. De GGD-arts heeft zelf tijdens het spreekuur waargenomen dat eiseres een licht afwijkend looppatroon heeft en daarbij werd een rustig tempo vastgesteld waarmee eiseres in staat wordt geacht om tenminste 100 meter te lopen. Daarnaast leverde de informatie uit de behandelende sector volgens de GGD-arts geen gegevens op die passen bij een continue begeleidingsafhankelijkheid op medische gronden. De enkele stelling van eiseres dat zij tijdens het onderzoek maar een paar stappen heeft gezet met hulp van haar man en dit niet betekent dat eiseres ook (meer dan) 100 meter kan lopen, is niet nader onderbouwd.
7. In wat door eiseres is aangevoerd en in de overgelegde medische stukken ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusies van de GGD-arts of aan de wijze waarop de adviezen tot stand zijn gekomen. Verweerder mocht de aanvraag van eiseres voor een GPK daarom op basis van het advies van de GGD-arts afwijzen.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen GPK krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
9 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:466.