Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-07
ECLI:NL:RBAMS:2024:7496
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,389 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3540
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam , eiser
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering om een verklaring van betrouwbaarheid af te geven.
Met het primaire besluit van 15 januari 2024 heeft verweerder besloten dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser betrouwbaar kan worden geacht. Om die reden bestaat bezwaar tegen het door hem verrichten van werkzaamheden als ambtenaar van de politie. Met het bestreden besluit van 10 juni 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2024 op een zitting behandeld. Partijen waren – met voorafgaand bericht – niet aanwezig.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Eiser is een 28-jarige man. Hij woont samen met zijn partner in Amsterdam . Eiser heeft gesolliciteerd naar de functie van Assistent Beveiliging B bij de politie. In het kader van zijn sollicitatieprocedure heeft een onderzoek naar zijn betrouwbaarheid plaatsgevonden op grond van artikel 48q, eerste lid, van de Politiewet 2012 (de Politiewet).
2. Verweerder heeft eerst het voornemen kenbaar gemaakt dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser betrouwbaar kan worden geacht om de functie van ambtenaar van de politie te kunnen uitoefenen. Als reden hiervoor geeft verweerder aan dat eiser recentelijk meerdere malen gebruik heeft gemaakt van een blauw zwaailicht op of in zijn privéauto. Dit zwaailicht heeft hij één keer gebruikt om in Amsterdam een taxichauffeur op zijn verkeersgedrag aan te spreken en een tweede keer om over een afgesloten rijbaan langs een file bij de Coentunnel te kunnen rijden. Daarnaast is gebleken dat eiser in het bezit is van een airsoftwapen en dit wapen heeft verstopt in zijn kledingkast.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder, onder aanvulling van zijn motivering uit het voornemen, negatief besloten op het verrichten van werkzaamheden door eiser voor de politie. Volgens verweerder is uit onderzoek gebleken dat eiser zich tweemaal ten onrechte heeft uitgegeven als een politieambtenaar die met een dringende politietaak was belast door gebruik te maken van een blauw zwaailicht. In één geval heeft eiser met een blauw zwaailicht op zijn privéauto over een rijstrook gereden die was afgesloten met een rood kruis enkel en alleen om een file te ontwijken. Het gebruik van het blauwe zwaailicht heeft eiser niet uit eigen beweging stopgezet. Dit heeft volgens verweerder pas plaatsgevonden nadat hij daar door de politie op is aangesproken en het zwaailicht in beslag is genomen. Verweerder betrekt ook dat eiser in 2022 al eerder een rijbaan met een rood kruis heeft genegeerd. Met betrekking tot het airsoftwapen stelt verweerder wel vast dat eiser deze conform de geldende voorschriften heeft bewaard. Met het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie, besloten om het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht op grond van artikel 48q, eerste en vijfde lid, van de Politiewet heeft kunnen besluiten dat er, op basis van het uitgevoerde betrouwbaarheidsonderzoek, onvoldoende waarborgen zijn dat eiser betrouwbaar kan worden geacht.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De Wet screening ambtenaren van politie en politie-externen (Wijziging van de Politiewet 2012 en de Wet op de medische keuringen in verband met het screenen van personen die ambtenaar van politie willen worden of zijn en personen die krachtens overeenkomst werkzaamheden voorde politie, de rijksrecherche of de Politieacademie gaan verrichten of verrichten) bepaalt dat iedereen die bij (of voor) de politie werkt gescreend moet zijn, voorafgaand aan en tijdens het dienstverband. De uitkomst van de screening resulteert in een besluit, de 'verklaring van betrouwbaarheid’. Deze verklaring van betrouwbaarheid zegt niks over de bekwaamheden van eiser voor de functie.
7. Verweerder heeft beoordelingsruimte bij de beoordeling of iemand voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers die werkzaam zijn voor de politie mogen, gelet op de aard van deze werkzaamheden, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere banen. Een politieambtenaar heeft een belangrijke voorbeeldfunctie binnen de maatschappij. Van een (toekomstig) ambtenaar van de politie mag worden verwacht dat hij zowel tijdens werktijd als privétijd zich houdt aan de rechtsregels. Hij hoort in alle gevallen betrouwbaar te zijn. Bij het uitoefenen van zijn functie heeft een ambtenaar van de politie de beschikking tot meerdere geweldsmiddelen. De samenleving verwacht dat een ambtenaar van de politie zorgvuldig en adequaat handelt en daar verantwoordelijkheid voor neemt en daar transparant over is. De betrouwbaarheid en integriteit van (toekomstig) medewerkers van de politie moet daarom boven iedere twijfel verheven zijn.
8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser tweemaal gebruik heeft gemaakt van een blauw zwaailicht op zijn privéauto. Eiser ontkent ook niet dat hij hiermee eenmaal een file heeft gepasseerd en eenmaal een taxichauffeur heeft aangesproken. De rechtbank kan niet anders dan oordelen dat eiser daarmee heeft geacteerd als een (politie)ambtenaar die belast is met een dringende politietaak. Deze gedragingen van eiser zijn strafbaar en verre van wat van een betrouwbare en integere (toekomstig) ambtenaar van de politie verwacht mag worden. Door in privétijd onbevoegd (en onnodig) gebruik te maken van een blauw zwaailicht heeft hij zijn eigen belangen verheven boven die van anderen. Verweerder heeft in het betrouwbaarheidsonderzoek dan ook een zwaar gewicht aan deze gedragingen mogen hangen. Zeker nu het gaat om gedragingen die gedurende de sollicitatieprocedure hebben plaatsvonden. Dat eiser uiteindelijk het blauwe zwaailicht – al dan niet op verzoek van twee politieambtenaren – heeft ingeleverd, geeft onvoldoende gewicht in de schaal om deze ernstige gedragingen buiten beschouwing te laten.
9. Verweerder betrekt verder in het betrouwbaarheidsonderzoek dat eiser tweemaal (waarvan een keer met een blauw zwaailicht) een rijbaan met een rood kruis heeft genegeerd. Niet staat ter discussie dat eiser hiervoor ook een keer door de Koninklijke Marechaussee is staande gehouden. Dat nog in geschil is of eiser voor dat feit een verwijt kan worden gemaakt, laat onverlet dat verweerder deze gedragingen wel mocht betrekken in het betrouwbaarheidsonderzoek. Deze gedragingen en de redenen daartoe geven namelijk in samenhang met de andere gedragingen een indruk over het morele kompas van eiser.
10. Naar het oordeel van de rechtbank is het betrouwbaarheidsonderzoek zorgvuldig verricht en heeft verweerder alle aspecten betrokken. Uit het verweerschrift blijkt dat verweerder ook de positieve aanbevelingen van oud collega’s van eiser heeft betrokken. Dat verweerder niet dezelfde waarde heeft gehecht aan deze aanbevelingen als eiser, maakt niet dat de beslissing onvolledig of onvoldoende objectief is geweest. Het feit dat de gebeurtenissen niet gerelateerd zijn aan de bekwaamheid van eiser voor de functie, maakt evenmin dat verweerder niet tot deze beslissing heeft kunnen komen. Eiser heeft in een kort tijdsbestek meerdere gedragingen vertoond die niet overeenkomen met de normen en waarden van de politie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op deze gedragingen tot de conclusie kunnen komen dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser op dit moment betrouwbaar kan worden geacht om de functie van ambtenaar van de politie te kunnen uitoefenen.
Conclusie
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd en in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot weigering om een verklaring van betrouwbaarheid af te geven.
12. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2024
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.