Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-06
ECLI:NL:RBAMS:2024:748
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,539 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.000493-24 (EAB II)
Datum uitspraak: 6 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 2 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 oktober 2019 door the Regional Court in Łódź, 4th Criminal Division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
verblijvend op het adres [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 januari 2024, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, Mr. G.I. Roos, advocaat in Almere, die waarneemt voor mr. V.C. van der Velde, eveneens advocaat in Almere.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
De rechtbank stelt verder vast dat het EAB al op 22 oktober 2019 door het Internationaal Rechtshulpcentrum is ontvangen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het zeer ongelukkig is dat de opgeëiste persoon daarna niet is uitgenodigd voor een verhoor bij de officier van justitie om zijn visie ten aanzien van dit EAB kenbaar te kunnen maken, maar dat hij pas kort voor de zitting kennis heeft genomen van dit EAB.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een order of the District Court for Łódź-Śródmiescie in Łódź van 25 oktober 2018 (IV Kp 476/18).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:
1) deelneming aan een criminele organisatie;
5) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Circuit Court in Łódź 4th Criminal Division heeft op 4 januari 2024 de volgende garantie gegeven:
“In reply to your request for further information of 22 December 2023 concerning [opgeëiste persoon] , who is wanted on a European Arrest Warrant, the Sąd Okrygowy w Lodzi IV Wydzial Karny [Circuit Court in Lódz, 4th Criminal Division] writes to inform you that pursuant to Section 607j of the Polish Criminal Procedure Code if the executing State has surrendered the wanted person on the condition that the execution of the custodial sentence or other measure involving deprivation of liberty (in the event of that person receiving such a sentence or penal measure from a Polish Court) takes place in that State, the enforcement proceedings shall not be initiated. In such a case, immediately after the judgment becomes final, the Polish court that is competent to hear the case shall issue a decision on the surrender of the convict to the appropriate Member State of the European Union for the purpose of executing the sentence or other measure involving deprivation of liberty. In the situation described herein above the Polish court is required to forward a copy of the decision issued, along with a copy of the ruling to be enforced, to the competent judicial authority of the executing state. Also, the Sąd Okrygowy w Lodzi [Circuit Court in Lódz] can guarantee that the afore-indicated regulations will be applied to [opgeëiste persoon] in the event of his surrender to Poland on the European Arrest Warrant.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
het onderzoek is jaren geleden al aangevangen in Polen;
uit de recente communicatie met de Poolse autoriteiten blijkt dat Polen nog steeds de overlevering van de opgeëiste persoon wenst;
het bewijs bevindt zich in Polen;
het Nederlandse Openbaar Ministerie is niet voornemens de feiten te vervolgen en;
de verdovende middelen waren bestemd voor de Poolse markt.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie genoemde argumenten vormt het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. De rechtbank ziet dan ook af van toepassing van de weigeringsgrond in artikel 13 OLW.
7Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij in Polen geen eerlijk proces zal krijgen vanwege politieke kwesties in Polen met betrekking tot zijn broer.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
9Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Łódź, 4th Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22 OLW.
De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).