Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-21
ECLI:NL:RBAMS:2024:7420
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,989 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-010567-24
Datum uitspraak: 21 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 10 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 maart 2024 door the Regional Court in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 november 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt de volgende beslissingen:
Een aggregate sentence of the Regional Court in Kielce van 14 oktober 2021 (met kenmerk III K 86/21), waaronder de volgende beslissingen vallen:
een sentence of the Regional Court in Kielce van 29 december 2017 (met kenmerk III K 84/15) (hierna: procedure 1);
een sentence of the Local Court in Starachowice van 18 juli 2019 (met kenmerk II K 426/19) (hierna: procedure 2).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaar, elf maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissingen.
Deze beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden. Subsidiair dienen aanvullende vragen gesteld te worden.
Met betrekking tot de verzamelprocedure doen zich geen problemen voor.
Bij procedure 1 is het hoger beroep de relevante procedure in het kader van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon herinnert zich niet dat hij in persoon is opgeroepen. Het is bekend dat de Poolse autoriteiten vaker verklaren dat iemand in persoon is opgeroepen terwijl dat niet het geval was. Het is verder niet duidelijk of de advocaat daadwerkelijk ter zitting is verschenen en of deze gemachtigd was.
Bij procedure 2 is de advocaat van de opgeëiste persoon wel verschenen op de zitting in hoger beroep. Hoewel de opgeëiste persoon heeft verklaard dat het een gekozen advocaat was, weet hij niet zeker of het een toegevoegd of gekozen advocaat was. Indien de advocaat gemachtigd was om gedurende het hoger beroep de verdediging te voeren voor de opgeëiste persoon, zouden zijn verdedigingsrechten niet geschonden zijn.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan.
Over de verzamelprocedure heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zijn gemachtigd advocaat om een verzamelvonnis heeft gevraagd en hem ter zitting heeft vertegenwoordigd.
Ten aanzien van procedure 1 blijkt dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat het hoger beroep (met kenmerk II AKa 153/18) heeft ingesteld en dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Subsidiair, gelet op het standpunt van de verdediging dat de Poolse autoriteiten ten onrechte zouden hebben aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft namelijk een adresinstructie ontvangen die zich ook uitstrekte tot het hoger beroep.
Ten aanzien van procedure 2 is het hoger beroep (met kenmerk IX Ka 1735/19) door de gemachtigd advocaat ingesteld. Hoewel de opgeëiste persoon niet is verschenen kan worden afgezien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon kennelijk op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Hij heeft stilzwijgend dan wel uitdrukkelijk afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de verzamelprocedure
In onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon op 6 oktober 2021 in persoon is gedagvaard voor de verzamelprocedure en daarbij is geïnformeerd dat een beslissing genomen kan worden in zijn afwezigheid. In de aanvullende informatie van 9 oktober 2024 is bevestigd dat deze informatie op de verzamelprocedure ziet. Hiermee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW en is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing op deze procedure.
Ten aanzien van procedure 1
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit de aanvullende informatie blijkt dat the Court of Appeal in Kraków op 27 januari 2020 arrest heeft gewezen (met kenmerk II AKa 153/18). De rechtbank zal dan ook de procedure die heeft geleid tot dit arrest toetsen aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.
Uit de aanvullende informatie van 5 november 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon op 31 mei 2019 in persoon is gedagvaard voor de procedure in hoger beroep en dat hij daarbij is geïnformeerd dat een beslissing genomen kan worden in zijn afwezigheid.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feit 1 levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
Feit 2a levert naar Nederlands recht op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
Feit 2b levert naar Nederlands recht op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
mishandeling
Feiten
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 140, 285 en 300 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Kielce, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).