Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-21
ECLI:NL:RBAMS:2024:7413
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,415 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-242515-24
Datum uitspraak: 21 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 31 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 april 2024 door de procureur van de republiek te Metz in Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 19 september 2024
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 19 september 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.H.J. Kortz, advocaat te Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak 3 oktober 2024
De rechtbank heeft op 3 oktober 2024 het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen over de detentieomstandigheden in de gevangenis van Metz.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding.
Zitting 7 november 2024
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 7 november 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door bovengenoemde raadsman.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een bij verstek uitgesproken vonnis van de rechtbank Metz van 17 april 2024, met kenmerk 759/2024.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Tussenuitspraak 3 oktober 2024
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 3 oktober 2024 geoordeeld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW (een verzetgarantie), dat een lijstfeit is aangekruist en dat de aan de opgeëiste persoon verstrekte terugkeergarantie voldoet. De overwegingen onder 3.1, 4 en 5 in de tussenuitspraak dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De raadsman stelt zich op het standpunt dat er mogelijk voldoende materiaal is om het Franse onderzoek aan Nederland over te dragen aangezien de opgeëiste persoon ook al een keer in Nederland is gehoord en het onderzoek daarmee deels in Nederland heeft plaatsgevonden.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
het onderzoek vindt plaats in Frankrijk,
de medeverdachten bevinden zich in Frankrijk,
er is al een vonnis gewezen in Frankrijk,
de verdovende middelen zijn in Frankrijk ingevoerd en aangetroffen, en
het Nederlandse openbaar ministerie is niet voornemens de vervolging in te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. De gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
In dat licht en op de door de officier van justitie genoemde gronden, vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Frankrijk
Inleiding
De rechtbank verwijst allereerst naar haar tussenuitspraak van 3 oktober 2024. Deze overwegingen moeten als herhaald en ingelast worden beschouwd.
De rechtbank heeft daarin een algemeen reëel gevaar aangenomen dat gedetineerden in de detentie-instelling van Metz zullen worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling en zij heeft het onderzoek heropend en de officier van justitie opdracht gegeven vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit in het kader van het onderzoek naar een individueel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon.
Namens de uitvaardigende justitiële autoriteit is op 22 oktober 2024 de volgende individuele garantie verstrekt:
“The men's adult remand section includes:
- 296 cells, each with a surface area of 8 to 9 m2 and a capacity of one place;
- 24 cells, each with a surface area of 14 to 19 m2 and a capacity of three places, including one for a juvenile;
- 2 cells adapted for individuals with reduced mobility, with a surface area of 19 to 24 m2 and a capacity of one place.
The capacity of each cell is determined by the circular of March 16, 1988, based on the floor area of the room. The surface area of the sanitary facilities is included in the total room area, with the size of the sanitary area varying between 1.4 and 1.8 m2 depending on technical constraints.
[…]
Based on the layout of these facilities, if detainees are placed in a two-bed cell, they will each have between 3.1 and 3.6 m2 of personal space. If placed in a three-bed cell, they will each have between 3 and 4.3 m2. In any case, no detainee is housed with less than 3 m2 of living space.
[…]
Access to cultural, sports, social, reintegration, educational, or work activities is granted upon the detainee's request and following approval for their enrollment. Detainees may participate in sports activities in a gym or outdoor sports field, receive educational instruction suited to their level provided by National Education personnel working within the facility, or engage in distance learning through the CNED and access the facility's library.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de procureur van de republiek te Metz in Frankrijk voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.