Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-12-02
ECLI:NL:RBAMS:2024:7404
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,118 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3162
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.2.
Eiseres staat sinds 2012 ingeschreven in de gemeente Amsterdam en heeft op verschillende adressen gewoond. Eiseres verbleef een periode met haar vier minderjarige kinderen in één kamer in de noodopvang [naam noodopvang] in Amsterdam. Momenteel verblijft eiseres met haar kinderen via een kennis in één kamer in [plaats] .
1.3.
Eiseres heeft op 3 juli 2023 een urgentieverklaring aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 september 2023 afgewezen omdat er volgens het college sprake is van twee algemene weigeringsgronden, namelijk dat er geen urgent huisvestingsprobleem is en omdat het huisvestingsprobleem redelijkerwijs was op te lossen of te voorkomen. Met het bestreden besluit van 24 april 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, L. Totosashvili als tolk, [persoon] als adviseur van het Ouder- en Kind team (OKT) en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2.
2.1.
De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring mocht afwijzen op grond van de Huisvestingsverordening 2020 (Hvv 2020). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van een urgent huisvestingsprobleem?
3.
3.1.
Eiseres voert aan dat er wel sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Eiseres is in 2015 dakloos geworden na huiselijk geweld. Ze woonde ten tijde van het bestreden besluit met haar vier kinderen in de noodopvang. Het is volgens eiseres niet toegestaan om gezinnen die in de noodopvang zitten bij definitie uit te sluiten van een urgentieverklaring. Dat is onevenredig en onzorgvuldig. Uitstroom uit de opvang wordt specifiek genoemd als urgentiecategorie in artikel 2.6.7 van de Hvv 2020. In de Nadere regels van de Hvv 2020 (Nadere regels) staat verder dat uitzondering mogelijk is voor gezinnen in de opvang indien er sprake is aanvullende problematiek. Niet is gebleken dat hiernaar onderzoek is gedaan, aldus eiseres.
3.2.
Uit artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv 2020 (b-grond) volgt dat de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt geweigerd als er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Ter invulling van de bevoegdheid om urgentieverklaringen te verlenen, heeft het college Nadere regels opgesteld. Volgens paragraaf 3 van de Nadere regels is verblijf in de noodopvang op zichzelf geen huisvestingsprobleem waarvoor urgentie wordt verleend en vormt dit verder een neutrale factor in de beoordeling. Alleen als de aanvrager voorafgaand en gedurende het verblijf in de noodopvang aanvullende problemen heeft die vallen binnen de criteria voor sociale of medische urgentie, kan er een urgentieverklaring worden verleend.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden niet heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eiseres geen sprake zou zijn van aanvullende problemen. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. In het bezwaarschrift heeft eiseres immers aangevoerd dat zij en haar kinderen al vele jaren dakloos zijn. Eiseres heeft naar voren gebracht dat zij tweemaal slachtoffer is geweest van geweld tegen vrouwen en van uitbating van haar situatie. Daarnaast vertonen de kinderen van eiseres steeds meer probleemgedrag door de dakloze situatie. De rechtbank is van oordeel dat het college had moeten beoordelen of er sprake is van aanvullende problemen die vallen binnen de criteria voor sociale of medische urgentie. Als het college van oordeel is, zoals door het college ter zitting is aangevoerd, dat daar geen sprake van is had het college in ieder geval moeten motiveren waarom de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet zijn aan te merken als aanvullende problemen.
Probleem kon redelijkerwijs worden voorkomen
4.
4.1.
Eiseres voert aan dat het bestreden besluit gebaseerd is op onjuiste feiten. Eiseres heeft haar vier kinderen gekregen toen zij nog niet in de noodopvang zat. Van het stichten van een gezin in de noodopvang is geen sprake. Daar komt bij dat het vierde kind van eiseres onvrijwillig is verwerkt.
4.2.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, oordeelt de rechtbank dat hetzelfde geldt voor de weigeringsgrond, als bedoeld in artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Hvv 2020 (c-grond), dat het huisvestingsprobleem redelijkerwijs was op te lossen of te voorkomen. Het college verwijst hiervoor naar de Nadere regels, waarin is bepaald dat onder deze weigeringsgrond ook de situatie valt dat een aanvrager een gezin heeft gesticht zonder te beschikken over een daartoe passende woonruimte. Het college stelt zonder nadere onderbouwing in het bestreden besluit dat geen sprake was van overmacht in het geval van eiseres, omdat het krijgen van een kind de eigen keuze zou van eiseres. Het college had hierbij de door eiseres aangevoerde omstandigheden moeten betrekken.
Hardheidsclausule
5.
5.1.
Eiseres doet een beroep op de hardheidsclausule. Eiseres voert aan dat zij tweemaal slachtoffer is geweest van geweld tegen vrouwen. Er is geen onderzoek gedaan naar deze situatie. Ook wordt voorbij gegaan aan het feit dat eiseres en haar kinderen al vele jaren dakloos zijn. Zij kregen ten onrechte niet eerder hulp van het college. De kinderen van eiseres vertonen steeds meer probleemgedrag en lijden onder de situatie. Eiseres heeft verklaringen overgelegd van het OKT en de interne begeleider van de school waaruit blijkt dat de ontwikkeling van haar kinderen zorgelijk is. Uit niks blijkt dat de belangen van de kinderen van eiseres zijn meegewogen door het college.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat het college voor het verlenen van urgentieverklaringen een zeer strikt beleid voert. Dit beleid wordt door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) niet onredelijk geacht. Met urgentie krijgt een persoon voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is dus de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule als bedoeld in artikel 2.10.11 van de Hvv 2020 is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij eigenlijk niet aan de voorwaarden die de Hvv 2020 stelt voldoet. Om die reden, en ook gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past het college de hardheidsclausule zeer terughoudend en alleen bij zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende, situaties toe.
5.3.
De rechtbank overweegt dat de invulling en de toepassing van de hardheidsclausule tot de discretionaire bevoegdheid van het college hoort, maar dat ook in dat kader voldoende gemotiveerd moet worden waarom de persoonlijke omstandigheden van eiseres en haar kinderen wel of niet leiden tot de toepassing van de hardheidsclausule. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk gemotiveerd op welke manier de belangen van de kinderen zijn meegewogen en welke persoonlijke omstandigheden zijn meegenomen in de besluitvorming om de hardheidsclausule niet toe te passen.
Wat moet het college alsnog doen?
6.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college dient kenbaar mee te wegen dat het hier gaat om een alleenstaande moeder met vier minderjarige, (deels) schoolgaande, kinderen. De aangevoerde aanvullende omstandigheden van eiseres en de belangen van de kinderen moet het college kenbaar meewegen in zijn besluitvorming. Eiseres heeft aangevoerd dat zij en haar kinderen al sinds 2015 dakloos zijn. Eiseres is slachtoffer geweest van geweld tegen vrouwen en uitbating van haar situatie. Verder heeft eiseres verklaringen van het OKT en de interne begeleider van school overgelegd. Hieruit volgt volgens eiseres dat de ontwikkeling van haar kinderen zorgelijk is en is beschadigd door het verblijf in de noodopvang. De noodopvang was ver weg van school, hetgeen tot veel stress en oververmoeidheid leidde bij eiseres en haar kinderen. Het college heeft niet gemotiveerd waarom de aangevoerde omstandigheden van eiseres en de gevolgen daarvan geen aanvullende omstandigheden zijn die maken dat op grond van de Nadere regels de b-grond in dit geval niet geldt.
Conclusie
7.
7.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 april 2024;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
3 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eisers verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3503.