Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-27
ECLI:NL:RBAMS:2024:7343
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,162 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/313135-24
Datum uitspraak: 27 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 1 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 juni 2021 door the Warsaw Regional Court, VIII Penal Division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 november 2024, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Zilver, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of the District Court of Grodzisk Mazowiecki, II Penal Division van 7 april 2017 met referentienummer II K 87/17 en een decision of the District Court of Grodzisk Mazowiecki, II Penal Division van 22 November 2019 met referentienummerII Ko 1852/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 12 OLW. Bij de omzettingsbeslissing van 22 november 2019 heeft de Poolse rechter wel degelijk beoordelingsruimte gehad. Dat er sprake zou zijn van een vaste omrekenmaatstaf maakt dat niet anders. Een dergelijke maatstaf bestaat ook in Nederland, maar ook in Nederland heeft de rechter de ruimte om bij de omzetting in het voordeel van een veroordeelde af te wijken van die maatstaf. In de procedure die geleid heeft tot de beslissing van 22 november 2019 heeft de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet kunnen uitoefenen omdat hij toen al in Nederland woonde. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet is opgeroepen voor de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 7 april 2017 en dat hij met dat vonnis niet bekend is geweest.
De raadsman heeft de rechtbank subsidiair verzocht om aanvullende vragen te stellen aan Polen over de procedure rondom de omzettingsbeslissing.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet van toepassing is. De omzettingsbeslissing valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Voor het geval daarover nog onduidelijkheid bestaat, heeft de officier van justitie subsidiair verzocht aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Oordeel van de rechtbank
Aan de opgeëiste persoon is door the District Court of Grodzisk Mazowiecki met het vonnis van 7 april 2017 (II K 87/17) aanvankelijk een gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf opgelegd. Omdat de opgeëiste persoon zijn taakstraf niet heeft uitgevoerd, is bij beslissing van 22 november 2019 van the District Court of Grodzisk Mazowiecki met kenmerk II Ko 1852/19 de omzetting van deze taakstraf in een gevangenisstraf van één jaar bevolen. In het EAB wordt gesproken over ‘a substitute 1 year custodial sentence’. Daaruit kan worden afgeleid dat reeds bij het oorspronkelijke vonnis voor de taakstraf een vervangende hechtenis van één jaar is bepaald. In dat geval is de beslissing tot omzetting van 22 november 2019 met kenmerk II Ko 1852/19 geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Voor zover de aard of de maat van de straf wél is gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 31 oktober 2024 blijkt dat de rechter daarbij geen beoordelingsruimte heeft gehad. Er wordt immers gesproken van een ‘rigid and non-assessable method of calculating the penalty of restriction of liberty not served by convicted persons, according to which two days of restriction of liberty are always subject to conversion to one day of substitute prison sentence’. Deze beslissing met kenmerk II Ko 1852/19 valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan het vonnis met kenmerk II K 87/17 waarbij de aanvankelijke straf is opgelegd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om – zoals door de raadsman subsidiair is betoogd – aanvullende informatie op te vragen over de omzettingsprocedure.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces dat tot het vonnis van 7 april 2017 met kenmerk II K 87/17 heeft geleid. Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 8 maart 2017 in persoon is opgeroepen voor dit proces, zodat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW van toepassing is. Er is een kruisje gezet onder b) en in de toelichting is nogmaals aangegeven dat de opgeëiste persoon in persoon een dagvaarding voor de zitting heeft opgehaald. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon op dit punt maakt het bovenstaande oordeel niet anders.
5Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Warsaw Regional Court, VIII Penal Division (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.