Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-13
ECLI:NL:RBAMS:2024:7334
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
814 tokens
Dictum
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 22 oktober 2024, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Amtsgericht Aurich (Duitsland) op 9 augustus 2024 en betreft:
[overgeleverde persoon],
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] (Duitsland),
momenteel gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
Beoordeling
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen. Het verzoek betreft feiten ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
Hoorrecht
Vereist is dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021.
In een proces-verbaal van een zitting bij het Amtsgericht Aurich van 20 augustus 2024, waar verdachte aanwezig is geweest, is het volgende te lezen:
“De beschuldigde werd erop gewezen dat hij tot nu toe geen verklaring betreffende het specialiteitsprincipe (§ 83h IRG) heeft afgelegd. Hij werd erop gewezen dat - nadat een afstand van het specialiteitsprincipe door hem niet werd verklaard – de Nederlandse autoriteiten verzocht zullen worden om toestemming te verlenen voor wat betreft de vervolging van de strafbare feiten alhier, dienaangaande aanvankelijk geen overlevering plaatshad.
Hij kreeg gelegenheid om zijn opmerkingen en bezwaren met het oog op de aanvraag betreffende de aanvullende toestemming te uiten.
Voorts verklaarde de beschuldigde:
Ik wens geen verklaring te maken betreffende de afstand van het specialiteitsprincipe.”
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het hoorrecht geëerbiedigd is.
De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen.
Dictum
De rechtbank verleent op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW toestemming voor uitbreiding van de vervolging van [overgeleverde persoon] voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 13 november 2024 door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier.
Vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.