Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-26
ECLI:NL:RBAMS:2024:7208
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,761 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/6986 (Tozo) en AMS 24/1720 (Bbz)
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Mulders).
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 14 maart 2023 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (hierna: Tozo) over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2021 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 17.095,24.
1.2.
Met een tweede besluit van 14 maart 2023 heeft verweerder ook de uitkering van eiser op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz) over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 maart 2022 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 6.511,23.
1.3.
Met de beslissingen op bezwaar van 18 oktober 2023, respectievelijk 7 februari 2024, heeft verweerder de bezwaren tegen de intrekking en terugvordering van de Tozo- en Bbz-uitkering ongegrond verklaard.
1.4.
Hiertegen heeft eiser afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep over de Tozo-uitkering op 15 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn – met voorafgaande kennisgeving – niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft bepaald dat het beroep over de Tozo-uitkering op een nader te bepalen moment tegelijk met het beroep over de Bbz-uitkering zal worden behandeld.
1.6.
Beide beroepen zijn vervolgens gevoegd behandeld op de zitting van 31 oktober 2024. Eiser en zijn gemachtigde zijn – met voorafgaande kennisgeving – niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Feiten
2.1.
Eiser exploiteert sinds 11 mei 2011 onder de naam [bedrijf 1] een [bedrijf 2]. Dit is een eenmanszaak.
2.2.
Eiser heeft over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2021 een uitkering op grond van de Tozo ontvangen. Over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 maart 2022 heeft hij een uitkering op grond van de Bbz ontvangen. De hoogte van de uitkeringen is gebaseerd op de norm voor een alleenstaande.
2.3.
Naar aanleiding van een melding heeft de afdeling Handhaving een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefomstandigheden van eiser. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 1 december 2022. In deze rapportage wordt onder andere geconcludeerd dat eiser en mevrouw [naam] (hierna: [naam] ) gedurende de uitkeringsperioden een gezamenlijke huishouding voerden. Gelet hierop heeft verweerder de Tozo- en Bbz-uitkering van eiser ingetrokken en teruggevorderd.
Juridisch kader
3. De voor de beoordeling van het beroep van toepassing zijnde wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank beoordeelt de intrekking en terugvordering van de Tozo- en Bbz-uitkering van eiser. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De besluiten tot intrekking en terugvordering van de uitkeringen zijn belastende besluiten. Dat betekent dat de bewijslast dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op verweerder rust.
4.2.
Er is sprake van een gezamenlijke huishouding als twee personen het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Dit laatste wordt ook wel aangeduid als ‘wederzijdse zorg’. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding moet worden beantwoord aan de hand van objectieve factoren. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.
Gezamenlijke huishouding
4.3.
Eiser heeft betoogd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat hij in de uitkeringsperioden een gezamenlijke huishouding voerde.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de rapportage van 1 december 2022 volgt dat [naam] vanaf 22 februari 2019 tot en met 30 juni 2022 stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van eiser. Tijdens een gesprek op het kantoor van verweerder op 25 november 2022 heeft eiser onder andere verklaard dat hij en [naam] van 2018 tot halverwege 2022 een relatie met elkaar hadden en dat [naam] tot juni 2022 op zijn adres heeft verbleven. Hierna heeft eiser zijn verklaring echter vervolgd door te verklaren dat [naam] sinds januari/februari 2022 niet meer op zijn adres verbleef.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat deze verklaring tegenstrijdig is. Zoals de gemachtigde van verweerder op zitting heeft erkend, had het op de weg van verweerder gelegen om hier helderheid over te verkrijgen. Dat is niet gebeurd. Dat [naam] in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, heeft verweerder dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat zij tot eind juni 2022 op het uitkeringsadres stond ingeschreven, is daarvoor onvoldoende. Dat ligt anders voor de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 december 2021. Gelet op de verklaring van eiser dat [naam] tot januari/februari 2022 op zijn adres heeft verbleven, heeft verweerder volgens de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam] in die periode wel haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
4.6.
De periode waarvan de rechtbank van oordeel is dat het hoofdverblijf niet is komen vast te zijn, heeft geen betrekking op de Tozo-uitkering, maar op de Bbz-uitkering. De rechtbank merkt op dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen het beperken van de intrekking en terugvordering van de Bbz-uitkering over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021.
4.7.
Het voorgaande heeft als gevolg dat de rechtbank het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de Bbz-uitkering gegrond zal verklaren. Om tot een effectieve beslechting van het geschil te komen zal de rechtbank onderzoeken of zij zelf in de zaak kan voorzien.
4.8.
In dat kader zal de rechtbank onderzoeken of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat in de overige periode dat eiser een Bbz-uitkering ontving, te weten 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021, sprake was van wederzijdse zorg. Dat [naam] in die periode haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, heeft de rechtbank in de overweging hiervoor al vastgesteld. Datzelfde geldt voor de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2021, waarop de intrekking en terugvordering van de Tozo-uitkering ziet. Wel dient de rechtbank ook over deze periode te onderzoeken of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat er toen ook sprake was van wederzijdse zorg, om tot de conclusie te kunnen komen dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2021 (periode Tozo-uitkering) en 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 (periode Bbz-uitkering) sprake was van wederzijdse zorg. Uit het dossier volgt namelijk dat [naam] in die perioden iedere maand € 125,- overmaakte aan eiser en verder heeft eiser verklaard dat zij een relatie hadden, samen leefden, alle huishoudelijke taken samen deden, na het werk samen aten, samen opruimden en voor elkaar zorgden.
4.10.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eiser in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2021 en in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 een gezamenlijke huishouding voerde.
Schending inlichtingenplicht
4.11.
Door bij verweerder geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding heeft eiser de in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (hierna: Pw) neergelegde inlichtingenverplichting geschonden. Het voeren van een gezamenlijke huishouding is immers een voor de Tozo- en Bbz-uitkering relevant gegeven. Dat had eiser redelijkerwijs duidelijk kunnen en dus moeten zijn.
Intrekking en terugvordering
4.12.
Schending van de inlichtingenverplichting vormt een grond voor intrekking en terugvordering van Tozo- en Bbz-uitkering, als door die schending ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is verleend. Het ligt in die situatie op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij, als hij wel melding had gemaakt van de gezamenlijke huishouding, recht op een Tozo- en Bbz-uitkering zou hebben gehad. Daarin is eiser niet geslaagd. Verweerder was daarom, gelet op de artikelen 54, derde lid, eerste volzin en 58, eerste lid, van de Pw, in beginsel verplicht om het recht op de Tozo- en Bbz-uitkering in te trekken en de door eiser ten onrechte ontvangen uitkeringen terug te vorderen.
4.13.
Eiser heeft betoogd dat het onevenredig is om de Tozo- en Bbz-uitkering terug te vorderen.
4.14.
De beroepsgrond slaagt niet. Gelet op het verplichtende karakter van artikel 54, derde lid, eerste volzin en artikel 58, eerste lid, van de Pw, bestaat geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 3:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht. Dit ligt anders als de wetgever bij de totstandkoming van een wet bijzondere omstandigheden niet of niet volledig onder ogen heeft gezien en die omstandigheden meebrengen dat strikte toepassing van de wet zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (de zogenoemde ‘contra-legemtoepassing’).
4.15.
In het geval van zeer bijzondere omstandigheden kan verweerder afzien van terugvordering indien die terugvordering voor degene van wie de bijstand wordt teruggevorderd onaanvaardbare gevolgen heeft. Er moet sprake zijn van dringende redenen. Het begrip dringende redenen ziet dus niet op de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de terugvordering maar op de gevolgen van het terugvorderingsbesluit. Eiser heeft geen dringende redenen aangevoerd. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet van de terugvorderingen had hoeven afzien.
4.16.
Ten slotte meent eiser dat de terugvorderingsbedragen onjuist, althans onvoldoende inzichtelijk, zijn berekend.
4.17.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier, waaronder de vorderingsspecificaties, volgt duidelijk hoe de terugvorderingsbedragen tot stand zijn gekomen.
Conclusie
5.1.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat eiser in de uitkeringsperiode een gezamenlijke huishouding voerde. Dat betekent dat de intrekking en terugvordering van de Tozo-uitkering in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
In de zaak AMS 24/1720 (Bbz)
5.2.
Het beroep is gegrond. Eiser krijgt gedeeltelijk gelijk. Verweerder heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 een gezamenlijke huishouding voerde. Over die periode is de uitkering daarom ten onrechte ingetrokken en teruggevorderd. Verweerder heeft wel aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 een gezamenlijke huishouding voerde.
5.3.
De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 7 februari 2024 voor zover die ziet op de intrekking van de Bbz-uitkering over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022. Dat betekent dat de intrekking over de periode 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 in stand blijft. Voor zover de beslissing op bezwaar van 7 februari 2024 ziet op de terugvordering van de Bbz-uitkering, zal de rechtbank deze geheel vernietigen, omdat het besluit tot terugvordering ondeelbaar is. Omdat aan het besluit van 14 maart 2023 hetzelfde gebrek kleeft als aan de beslissing op bezwaar, zal de rechtbank dat besluit wat betreft de intrekking herroepen over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022. Wat betreft de terugvordering zal de rechtbank dat besluit in zijn geheel herroepen. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zal de rechtbank bepalen dat de Bbz-uitkering wordt teruggevorderd over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 tot een bedrag van € 3.236,10.
5.4.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 2.123,- omdat de gemachtigde van eiser een bezwaarschrift heeft ingediend, heeft deelgenomen aan een telefonische hoorzitting en een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
In de zaak AMS 23/6986 (Tozo)
Dictum
De rechtbank:
In de zaak AMS 23/6986 (Tozo)
- verklaart het beroep ongegrond.
In de zaak AMS 24/1720 (Bbz)
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 februari 2024, voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 en de terugvordering en bepaalt dat het besluit over de intrekking over de periode 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 in stand blijft;
- herroept het besluit van 14 maart 2023, voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 en de terugvordering en bepaalt dat het besluit over de intrekking over de periode 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 in stand blijft;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit van 7 februari 2024, in die zin dat de Bbz-uitkering wordt teruggevorderd over de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 tot een bedrag van € 3.236,10.
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.123,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. Soylu, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
De Tozo bevat tijdelijke regels over bijstandsverlening aan zelfstandigen die financieel getroffen zijn door de gevolgen van de crisis in verband met COVID-19. De Tozo vindt, evenals het Bbz 2004, haar grondslag in artikel 78f van de Pw.
Op grond van de bepalingen in paragraaf 3.2. van de Pw gelden voor de toekenning van bijstand verschillende normen en is voor de hoogte van de uitkering onder meer van belang of sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
In artikel 17, eerste lid, van de Pw is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
In artikel 54, derde lid, eerste zin, van de Pw is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet dan wel intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, (…) heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Ui artikel 58, eerste lid, van de Pw volgt dat het college de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, (…).
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Deze perioden worden hierna ook aangeduid als “uitkeringsperiode(n)”.
Zie gedingstuk 19, meer specifiek digitale pagina’s 93 t/m 98.
Zie gedingstukken 6 t/m 11.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2210.
1 punt, met een waarde per punt van € 624,-, wegingsfactor gemiddeld.
1 punt, met een waarde per punt van € 624,-, wegingsfactor gemiddeld.
1 punt, met een waarde per punt van € 875,-, wegingsfactor gemiddeld.