Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-26
ECLI:NL:RBAMS:2024:7170
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,174 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/1863
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Hees (België), eiseres
(gemachtigde: mr. J.E.A.H. Verstraelen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J.J. Verhoeven).
Partijen worden hierna [eiseres] en het UWV genoemd.
Procesverloop
1.1.
Met een besluit van 9 juni 2021 heeft het UWV [eiseres] aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen.
1.2.
Met een besluit van 25 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.
1.3.
[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 april 2023. Hieraan hebben [eiseres] , de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.5.
Met een beslissing van 31 mei 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op de op 6 april 2023 namens [eiseres] ingediende stukken. Op 14 juni 2023 heeft het UWV een reactie ingediend, met bijgevoegd een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 juni 2023. [eiseres] heeft hier op 18 augustus 2023 op gereageerd.
1.6.
Met een beslissing van 7 september 2023 heeft de rechtbank bepaald dat een onafhankelijke deskundige psychiater wordt benoemd.
1.7.
De deskundige psychiater heeft op 30 januari 2024 een rapport uitgebracht. Het UWV heeft hier op 18 maart 2024 op gereageerd. [eiseres] heeft op 6 mei 2024 een reactie ingediend.
1.8.
De rechtbank heeft partijen op 25 juni 2024 laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt. Partijen hebben vervolgens niet om een nadere zitting verzocht. Op29 oktober 2024 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
2.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. [eiseres] was voor het laatst werkzaam als projectleider/commercieel buitendienstmedewerker. Zij is op23 september 2018 van achteren aangereden terwijl zij in de auto zat. Op 24 september 2018 heeft [eiseres] zich ziek gemeld vanwege nekklachten. Op 1 augustus 2019 trad [eiseres] ziek uit dienst. Aansluitend ontving zij een Ziektewetuitkering. Op 19 juni 2020 heeft [eiseres] een WIA-uitkering aangevraagd.
2.2.
Op 27 mei 2021 heeft een fysiek spreekuur plaatsgevonden bij de primaire verzekeringsarts. De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 31 mei 2021 geconcludeerd dat [eiseres] verminderde functionele mogelijkheden heeft en de belastbaarheid van [eiseres] vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 31 mei 2021. In zijn besluit van 9 juni 2021 heeft het UWV besloten dat [eiseres] geen WIA-uitkering krijgt met ingang van 21 september 2020, omdat zij vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is (namelijk 30,69 %).
2.3.
Het UWV heeft zijn besluit na bezwaar gehandhaafd met het bestreden besluit. Hij heeft in dat kader verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 februari 2022.
Standpunt van [eiseres]
3.1.
[eiseres] voert aan dat zij door de verzekeringsartsen onvoldoende is onderzocht en dat haar psychische klachten onderbelicht zijn gebleven. Volgens [eiseres] moeten er meer beperkingen worden aangenomen op persoonlijk en sociaal functioneren. Vanwege haar posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft [eiseres] last van een groot aantal klachten en symptomen, waaronder herbelevingen, zweetaanvallen, hartkloppingen, vermijdingsreacties, een negatief zelfbeeld, dissociatie, geen controle over gevoelens, schuldgevoelens en overmatig prikkelbaar zijn. [eiseres] voert verder aan dat zij als gevolg van een whiplash meerdere fysieke klachten heeft, namelijk (pijn)klachten aan haar nek, achterhoofd en schouders, die gepaard gaan met hoofdpijn- en duizeligheidsklachten. Het UWV heeft de whiplashklachten aangemerkt als type 2, maar deze inschatting is te laag. [eiseres] voert daarnaast aan dat België haar vanaf 2 september 2021 als volledig arbeidsongeschikt heeft aangemerkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze erkenning ten onrechte terzijde geschoven. Eiseres voert ten slotte aan dat zij de door de arbeidsdeskundige geduide functies niet kan verrichten.
Benoeming deskundige
4.1.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen. Psychiater Veltman heeft geconcludeerd dat [eiseres] verdergaand beperkt geacht moet worden op persoonlijk functioneren, meer specifiek ten aanzien van vasthouden van de aandacht en herinneren in het dagelijks functioneren. Ook op sociaal functioneren, namelijk op omgaan met conflicten, adviseert Veltman een beperking. Verder geeft Veltman het advies om een urenbeperking te (her)overwegen.
Beoordeling
Medische beoordeling
5.1.
Over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek overweegt de rechtbank als volgt. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en heeft [eiseres] op het spreekuur van 27 mei 2021 lichamelijk en psychisch onderzocht. Het gesprek heeft 70 minuten geduurd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier eveneens bestudeerd en was aanwezig bij de hoorzitting. Een lichamelijk onderzoek heeft hij achterwege gelaten omdat de primaire verzekeringsarts al lichamelijk onderzoek had verricht en de datum van dat onderzoek dichter bij de datum in geding lag. Deze motivering kan de rechtbank volgen. Blijkens het rapport van 24 februari 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle op dat moment beschikbare medische informatie meegenomen in zijn beoordeling. Tijdens de beroepsprocedure heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 16 maart 2023, 8 juni 2023 en 22 februari 2024, naar aanleiding van door [eiseres] ingediende medische stukken en het door Veltman opgestelde rapport, een nadere rapportage opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit zorgvuldig geweest.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt.
5.3.
De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV in navolging van het rapport van Veltman de belastbaarheid van [eiseres] opnieuw in kaart heeft gebracht. In zijn rapport van 22 februari 2024 beschrijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de norm bij ‘vasthouden van de aandacht’ is: gedurende minstens een half uur de aandacht op een informatiebron kunnen richten. De gesprekken tussen [eiseres] en Veltman hebben 75 en 40 minuten geduurd. Er werd dus ruim boven de norm gevraagd om de aandacht vast te houden. Het gesprek in bezwaar duurde 30 minuten en daarbij werd het niet kunnen vasthouden van de aandacht niet waargenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep voegt bij de beperking op dit punt de toelichting toe dat de norm van 30 minuten wel mogelijk geacht wordt, maar vanwege de waarnemingen van de psychiater niet boven de norm. Deze redenering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan de rechtbank volgen.
5.4.
Op het beoordelingspunt ‘herinneren in het dagelijks functioneren’ heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in afwijking van het advies van Veltman, geen beperking aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er in zijn rapport van 22 februari 2024 op dat een beperking op dit beoordelingspunt alleen aan de orde is bij mensen met een ernstige stoornis, zoals een uitgebreide neurocognitieve stoornis,M. Wernicke-Korsakow of met ernstige schade in de hersenen. Het vaker gebruik moeten maken van een agenda of van boodschappenlijstjes rechtvaardigt niet zonder meer een beperkende score. Om van een beperking te kunnen spreken moet ook de continuïteit van het handelen geen gevaar lopen. Nu [eiseres] een normaal patroon in de dag had, waarbij zij zichzelf verzorgde, licht huishoudelijk werk verrichtte en zelf kookte, is van een geobjectiveerde ernstige cognitieve stoornis, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen sprake. De rechtbank kan deze motivering volgen. Veltman constateert weliswaar dat evidente concentratie- en geheugenproblemen aanwezig zijn, maar uitgaande van het in de basisinformatie CBBS opgenomen criterium is dit onvoldoende om een beperking aan te nemen. Daar komt bij dat [eiseres] geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij een ernstige cognitieve stoornis heeft. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van de conclusie van de deskundige op dit punt mocht afwijken.
5.5.
In navolging van het advies van Veltman heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een beperking aangenomen op ‘omgaan met conflicten’. Voor zover [eiseres] zich op het standpunt stelt dat zij niet beperkt maar sterk beperkt geacht moet worden, merkt de rechtbank op dat in de door de arbeidsdeskundige geduide functies geen kenmerkende belasting bestaat op dit beoordelingspunt.
5.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft heroverwogen of een urenbeperking aan de orde is en heeft geconcludeerd dat de werktijden begrensd worden op 8 uur per dag en 40 uur per week. Eiseres kan zich hier niet in vinden en voert aan dat hoe zij er van buiten uitziet niet altijd weergeeft hoe zij zich van binnen voelt. Hoeveel zij per dag kan werken verschilt: soms 2 uur, soms meer. Door overprikkeling en lichamelijke klachten die opspelen kan eiseres soms zelfs helemaal niet naar werk komen. Eiseres heeft gezien de combinatie van psychische en somatische klachten verzocht om een deskundige verzekeringsarts te benoemen die kan adviseren over een urenbeperking.
5.7.
De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 22 februari 2024 bij zijn beschouwing het door [eiseres] beschreven dagverhaal heeft betrokken. [eiseres] heeft haar dagverhaal meermaals aan verzekeringsartsen van het UWV en tenslotte aan Veltman beschreven. [eiseres] staat vroeg op, tussen 04.00 uur en 06.00 uur, verzorgt zichzelf, doet het huishouden, doet boodschappen en kookt vaak zelf. Zij wandelt ook veel ’s avonds. In het dagverhaal van Veltman wordt niet beschreven dat [eiseres] extra rustmomenten neemt. Tijdens de hoorzitting in bezwaar maakte [eiseres] volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen vermoeide indruk. Ook voor Veltman was [eiseres] niet zichtbaar vermoeid, ondanks dat het eerste gesprek met Veltman 75 minuten heeft geduurd. De rechtbank begrijpt het standpunt van [eiseres] dat hoe zij er van buiten uitziet niet altijd weergeeft hoe zij zich van binnen voelt. Of [eiseres] al dan niet vermoeid oogde is echter niet het enige aspect dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft betrokken bij de beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het dagverhaal van eiseres aanleiding zien om geen urenbeperking aan te nemen. Daar komt bij dat het UWV beperkingen heeft aangenomen die de energetische belasting voor [eiseres] verminderen. Zo zijn er beperkingen aangenomen op duwen en trekken, tillen tijdens het werk, dragen tijdens het werk en boven schouderhoogte actief zijn.
5.8.
Nu de rechtbank niet twijfelt aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor wat betreft de urenbeperking, wijst de rechtbank het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk deskundige verzekeringsarts af.
5.9.
[eiseres] heeft de door haar ervaren (pijn)klachten aan haar nek, achterhoofd en schouders op 23 februari 2023 onderbouwd met 15 medische stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn rapport van 16 maart 2023 op deze stukken ingegaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt vast dat de chronische pijnklachten, met name in de nek en uitstralend naar de armen, te kwalificeren zijn als een whiplash associated disorder (WAD) type 2. De rechtbank overweegt dat de ter zitting ingenomen stelling van [eiseres] dat sprake is van WAD type 3 of 4 zonder nadere onderbouwing niet gevolgd kan worden. In hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om eraan te twijfelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de fysieke beperkingen van [eiseres] onvoldoende voor ogen heeft gehad.
5.10.
Of [eiseres] recht heeft op een WIA-uitkering, moet worden getoetst aan de bepalingen in de Wet WIA. De Belgische wetgeving is niet bepalend. Dat [eiseres] in België volledig arbeidsongeschikt is verklaard doet dus niet ter zake.
Conclusie
7.1.
Het beroep is gegrond omdat het UWV pas in beroep extra beperkingen heeft aangenomen. Het UWV heeft daarmee pas in beroep, naar aanleiding van het rapport van de onafhankelijk benoemde deskundige psychiater, het bestreden besluit van een juiste medische onderbouwing voorzien. Het bestreden besluit bevat in zoverre een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat het UWV het gebrek heeft hersteld. Dit betekent dat de uitkomst van de zaak niet verandert: [eiseres] heeft nog steeds geen recht op een WIA-uitkering.
7.2.
Wel ziet de rechtbank hierin aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten van [eiseres] en te bepalen dat het UWV het door [eiseres] betaalde griffierecht moet vergoeden. De rechtbank stelt het bedrag aan proceskostenvergoeding vast op€ 2.187,50. Dit bedrag bestaat uit 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na het verslag van het deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van€ 875,- en een wegingsfactor 1.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 25 februari 2022;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 50,- aan [eiseres] te betalen;
veroordeelt het UWV in de proceskosten van [eiseres] tot een bedrag van€ 2.187,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het rapport is gedateerd 30 januari 2023. De rechtbank gaat er vanuit dat dit een kennelijke verschrijving is.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1587, r.o. 5.1.
Zie de basisinformatie CBBS.