Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-09
ECLI:NL:RBAMS:2024:708
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,287 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/6472
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, eiser
(gemachtigde: mr. J.M. Krommendijk),
en
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist).
Procesverloop
Met het besluit van 15 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten dat eiser per maart 2021 geen recht meer heeft op een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Met het besluit van 6 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2024. Eiser en zijn gemachtigde waren, met voorafgaande afmelding, niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiser staat niet ingeschreven in een gemeente in Nederland en heeft ook geen vast woon- of verblijfadres. Vanaf 24 april 2012 heeft eiser recht op een AOW-pensioen. Omdat eiser niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats moet hij zich elk kwartaal met een geldige legitimatie melden bij één van de vestigingen van verweerder. Eiser heeft dit tot medio 2017 gedaan. Daarna heeft hij geen beschikking meer gehad over een geldig legitimatiebewijs en zich ook niet meer gemeld bij verweerder. Verweerder heeft vervolgens het AOW-pensioen van eiser opgeschort.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder besloten dat eiser per maart 2021 geen recht meer heeft op een AOW-pensioen. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Volgens verweerder is het AOW-pensioen van eiser ten onrechte beëindigd. Daarbij heeft verweerder medegedeeld dat eiser zijn recht op een AOW-pensioen onveranderd geschorst blijft. Verweerder zal het AOW-pensioen niet uitkeren, maar reserveren totdat eiser zich fysiek en in het bezit van een geldige legitimatiebewijs heeft gemeld.
Beoordeling
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Volgens vaste rechtspraak is er pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat eiser met het indienen van beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijke betekenis heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep. Deze beroepsprocedure kan immers niet meer tot een voor eiser gunstiger resultaat leiden. Met het bestreden besluit is verweerder teruggekomen op het besluit om het AOW-pensioen van eiser te beëindigen. Eiser heeft daarmee het meest gunstigste resultaat binnen deze procedure bereikt.
4. Voor zover eiser aanvoert dat de ingangsdatum van zijn AOW-pensioen onjuist is vastgesteld en dat de verweerder ten onrechte gebruik maakt van controlevoorschriften, overweegt de rechtbank dat deze procedure enkel gaat over de beëindiging van eisers AOW-pensioen. De rechtbank kan in deze procedure enkel een oordeel geven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De beroepsgronden van eiser zijn daartegen niet gericht. Verweerder is desondanks ter informatie ingegaan op de beroepsgronden van eiser. In het verweerschrift heeft verweerder gemotiveerd dat voor de ingangsdatum voor het AOW-pensioen wordt uitgegaan van het moment dat eiser 65 jaar is geworden. Dit is al vastgesteld in het besluit van 25 april 2012. De controlevoorschriften past verweerder toe om te kunnen vaststellen of eiser nog in leven is, of zijn leefsituatie niet gewijzigd is en of het AOW-pensioen van eiser daadwerkelijk aan de juiste persoon wordt uitbetaald. Ook dit heeft verweerder eerder, te weten in het besluit van 28 juli 2020, besloten. Tegen deze besluiten heeft eiser geen rechtsmiddelen ingesteld.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Bij deze uitkomst bestaat voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2024.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.