Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-27
ECLI:NL:RBAMS:2024:703
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
85,617 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummers: 13/997006-18 (zaak A), 13/997050-19 (zaak B) en 13/997063-20 (zaak C)
Datum uitspraak: 27 februari 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
gedetineerd.
Inhoudsopgave
1Onderzoek
1.1
Onderzoek ter terechtzitting
1.2
Inleidende opmerkingen
1.2.1
Werkwijze van de rechtbank
1.2.2
Start van het onderzoek
1.2.3
Procesdossier Marengo
2Tenlastelegging
3Voorvragen
3.1
Algemeen kader vormverzuimen
3.2
De kroongetuige
3.2.1
Inleiding
3.2.2
Totstandkoming van de overeenkomst
3.2.3
Verweren betreffende de rechtmatigheid van de overeenkomst
3.2.4
Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overeenkomst
3.2.4.1 Onjuiste toepassing kroongetuigenregeling?
3.2.4.2 Zijn er ongeoorloofde toezeggingen gedaan?
3.2.4.3 Samenvatting en conclusie
3.2.5
Betrouwbaarheid van de kroongetuige
3.2.5.1 Verweer van de verdediging
3.2.5.2 Oordeel van de rechtbank
3.2.6
Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU?
3.3
PGP-bewijs
3.3.1
Inleiding
3.3.1.1 Algemene uitgangspunten
3.3.1.2 Toetsingskader
3.3.2
Feitelijke gang van zaken
3.3.2.1 Ennetcom-data (onderzoek De Vink)
3.3.2.2 PGP-safe-data (onderzoek Sassenheim)
3.3.2.3 Hansken/Marengo-dataset
3.3.2.4 Controle geheimhouders Marengo-dataset
3.3.3
Gevoerde verweren
3.3.3.1 Verwerving
3.3.3.2 Verwerking
3.3.4
Oordeel van de rechtbank
3.3.4.1 Toepasselijkheid Unierecht bij de verwerving
3.3.4.2 Grondslag van de verkrijging van de data
3.3.4.3 Verwerking van de PGP-data in de onderzoeken Ennetcom en PGP-safe
3.3.4.4 Doorverstrekking van de PGP-data aan andere onderzoeken
3.3.5
Geheimhoudersbelangen bij verkrijging en verwerking van de PGP-data
3.3.5.1 Verweer van de verdediging
3.3.5.2 Oordeel van de rechtbank
3.3.6
Netwerkmetingen
3.3.6.1 Standpunten
3.3.6.2 Oordeel van de rechtbank
3.3.7
Tactische en technische verwerking van de PGP-data
3.3.7.1 Verweren van de verdediging
3.3.7.2 Oordeel van de rechtbank
3.3.7.2.1 Inzage in brondata
3.3.7.2.2 Inzage in Marengo-dataset
3.3.7.2.3 Controle en contra-expertise Hansken
3.3.7.2.4 Hansken is geen (buitenwettelijk) technisch hulpmiddel
3.3.7.2.5 Onvolledigheid van de PGP-data
3.3.7.2.6 Forensische onbetrouwbaarheid van de PGP-data
3.3.7.2.6.1 Hashwaarden
3.3.7.2.6.2 Integriteit en betrouwbaarheid van de PGP-data
3.3.7.2.6.3 PGP-e-mailadres (mede) bij een ander in gebruik
3.3.7.2.7 Yüksel Yalçinkaya tegen Turkije
3.3.8
Voorwaardelijke verzoeken
3.3.8.1 Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU
3.3.8.2 Aanhouden van de zaak
3.3.8.3 Overige voorwaardelijke verzoeken
3.4
Dubai-observatie
3.4.1
Feitelijke gang van zaken
3.4.2
Verweren
3.4.2.1 Verweer in de zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte]
3.4.2.2 Verweer in de zaak van [medeverdachte 4]
3.4.3
Oordeel van de rechtbank
3.4.3.1 Gestelde onrechtmatigheden
3.4.3.2 Conclusie
3.5
Verkapte uitlevering
3.5.1
Overbrenging van [verdachte] naar Nederland
3.5.1.1 Standpunten
3.5.1.2 Oordeel van de rechtbank
3.5.1.2.1 Inleiding
3.5.1.2.2 Beoordelingskader
3.5.1.2.3 Vaststelling gang van zaken
3.5.1.2.4 Conclusie
3.5.2
Behandeling van [verdachte] in Dubai
3.5.2.1 Letsel van [verdachte]
3.5.2.2 Medische zorg van [verdachte] na overdracht door Dubai
3.5.3
Consulaire bijstand van [verdachte] in Dubai
3.5.3.1 Standpunt van de verdediging
3.5.3.2 Oordeel van de rechtbank
3.5.4
Rechtsbijstand en tolkenbijstand van [verdachte] in Dubai
3.5.4.1 Standpunten
3.5.4.2 Oordeel van de rechtbank
3.5.5
Uitlevering of uitzetting van [verdachte] naar Marokko
3.5.5.1 Standpunt van de verdediging
3.5.5.2 Oordeel van de rechtbank
3.5.6
Conclusie
3.6
Publieke berechting
3.6.1
Standpunten
3.6.2
Oordeel van de rechtbank
3.6.2.1 Onschuldpresumptie
3.6.2.2 Eerlijk proces
3.6.2.3 Strafvermindering?
3.6.3
Lekken van processtukken
3.6.3.1 Standpunt van de verdediging
3.6.3.2 Oordeel van de rechtbank
3.6.3.2.1 Lekken inzake Koper
3.6.3.2.2 Lekken inzake Marengo
3.6.3.2.3 Lekken inzake EBI en overig
3.6.3.2.4 Conclusie ten aanzien van lekken
3.6.4
Uitlatingen in strijd met de onschuldpresumptie
3.6.4.1 Door opvolgende ministers en Kamerleden
3.6.4.2 Door politiefunctionarissen en een officier van justitie
3.6.4.3 Gevolgen voor detentie-omstandigheden [verdachte] en nieuwe regelgeving
3.6.4.4 Artikel op de website van het Openbaar Ministerie
3.6.4.5 Veroordeling voor bedreiging
3.6.5
Conclusie
3.7
Ambtshalve overweging
3.8
Conclusie ten aanzien van de voorvragen
4Waardering van het bewijs
4.1
PGP-identificatie
4.1.1
Identificatie e-mailadressen verdachten Marengo
4.1.2
Identificatie e-mailadressen overige gebruikers
4.1.3
Identificatie e-mailadressen [verdachte]
4.1.3.1 Standpunt van de verdediging
4.1.3.2 Oordeel van de rechtbank
4.1.3.3 Standpunten ten aanzien van de identificatie
4.1.3.4 Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de identificatie
4.2
Zaaksdossier Rudolf
4.2.1
Inleiding
4.2.2
Standpunten
4.2.3
Voorgeschiedenis
4.2.4
Onderzoek huurauto [betrokkene 1] en rijbewegingen Citroën C4 en Ford Ka
4.2.5
Duiding van de PGP-berichten
4.2.5.1 Verloop van het spotten
4.2.5.2 Voorbereiding aanslag op spyshop in periode van observeren [slachtoffer 1]
4.2.5.3 Voorbereiding aanslag op spyshop na de moord op [slachtoffer 1]
4.2.5.3.1 Berichten over rolluiken
4.2.5.3.2 Berichten over handgranaten en een bazooka
4.2.5.3.3 Berichten over afgeven handgranaten
4.2.5.3.4 Berichten over PGP-toestel voor [medeverdachte 5]
4.2.5.3.5 Berichten over stallen auto met valse kentekenplaten en regelen bazooka
4.2.5.3.6 De crash
4.2.6
Oordeel van de rechtbank
4.2.6.1 Moord op [slachtoffer 1]
4.2.6.1.1 Juridisch kader medeplegen
4.2.6.1.2 Conclusie
4.2.6.2 Voorbereiding teweegbrengen ontploffing (aanslag spyshop)
4.2.6.2.1 Juridisch kader voorbereiding
4.2.6.2.2 Voorbereidingsmiddelen
4.2.6.2.3 Levensgevaar en/of gevaar voor lichamelijk letsel te duchten
4.2.6.2.4 Conclusie
4.3
Zaaksdossier Ster
4.3.1
Standpunten
4.3.2
Moord op [slachtoffer 2]
4.3.2.1 Feiten en omstandigheden
4.3.2.1.1 Schietincident op 17 april 2016
4.3.2.1.2 Onderzoek naar de uitvoerders
4.3.2.1.3 Veroordeling [betrokkene 2] en [betrokkene 3]
4.3.2.2 Duiding van de PGP-berichten
4.3.2.2.1 Vraag naar auto’s
4.3.2.2.2 Klaarzetten auto’s
4.3.2.2.3 Stalling auto’s
4.3.2.2.4 Jerrycans en flessen benzine
4.3.2.2.5 Vuurwapens
4.3.2.2.6 Sweepen auto’s
4.3.2.2.7 Spotten
4.3.2.2.8 Overige berichten van na de moord
4.3.2.2.9 Schoonmaken kamer [betrokkene 3]
4.3.2.2.10 Geld
4.3.2.2.11 In brand steken overstapauto
4.3.2.3 Oordeel van de rechtbank
4.3.3
Voorbereiding moord [slachtoffer 2] en/of [betrokkene 4]
4.3.3.1 Feiten en omstandigheden
4.3.3.1.1 Duiding PGP-berichten [betrokkene 6]
4.3.3.1.1.1 [verdachte] en [betrokkene 5] laten [betrokkene 6] weten dat hij iemand dood moet (laten) schieten
4.3.3.1.1.2 Er is een tweede beoogd slachtoffer
4.3.3.1.1.3 [verdachte] roept [betrokkene 6] ter verantwoording
4.3.3.1.1.4 [betrokkene 6] en de schutter(s) staan klaar
4.3.3.1.1.5 Aandacht wordt verlegd naar [slachtoffer 2]
4.3.3.1.1.6 Vuurwapens
4.3.3.1.1.7 Eerste beoogd slachtoffer betreft [betrokkene 4]
4.3.3.1.2 Spotten met een Volkswagen Polo
4.3.3.2 Oordeel van de rechtbank
4.3.3.2.1 Voorbereidingsmiddelen
4.3.3.2.2 Conclusie
4.4
Zaaksdossier Aker
4.4.1
Inleiding
4.4.2
Standpunten
4.4.3
Voorgeschiedenis
4.4.4
Duiding van PGP- en WhatsAppberichten
4.4.4.1 Periode van februari tot en met juli 2015
4.4.4.2 Januari 2016
4.4.4.3 Periode van 18 maart tot en met 7 april 2016
4.4.4.4 Periode van 8 april 2016 en verder
4.4.5
Oordeel van de rechtbank
4.4.5.1 Strafbare voorbereiding in januari 2016?
4.4.5.1.1 Juridisch kader voorbereiding
4.4.5.1.2 Voorbereidingsmiddelen
4.4.5.1.3 Conclusie
4.4.5.2 Vrijspraak medeplegen moord op 9 mei 2016
4.5
Zaaksdossier Kreta
4.5.1
Inleiding
4.5.2
Standpunten
4.5.3
Voorgeschiedenis
4.5.4
Verklaringen van [medeverdachte 6]
4.5.5
Duiding van de PGP-berichten in relatie tot voorbereiding moord
4.5.5.1 Periode van oktober tot en met december 2015
4.5.5.2 Periode van december 2015 tot en met januari 2016
4.5.5.3 Periode van 17 tot en met 19 april 2016
4.5.5.4 Periode van 20 mei tot en met 1 juni 2016
4.5.6
Duiding van de PGP-berichten en overige gegevens met betrekking tot (verdere) voorbereiding van moord en de uiteindelijke liquidatie van [slachtoffer 3]
4.5.7
Onderzoek naar de liquidatie van [slachtoffer 3]
4.5.8
Wegmaken van sporen
4.5.9
Betrouwbaarheid van [medeverdachte 6]
4.5.10
Oordeel van de rechtbank
4.5.10.1 Voorbereiding moord op [slachtoffer 3] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en [betrokkene 9]
4.5.10.1.1 Juridisch kader voorbereiding
4.5.10.1.2 Voorbereidingsmiddelen
4.5.10.1.3 Conclusie
4.5.10.2 Moord op [slachtoffer 3]
4.6
Zaaksdossier Zeilboot/Raspvijl
4.6.1
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
4.6.2
Zaaksdossier Raspvijl
4.6.2.1 Inleiding
4.6.2.2 Voorgeschiedenis
4.6.2.3 Aantreffen bom
4.6.2.4 Verklaringen van [medeverdachte 6]
4.6.2.5 Oordeel van de rechtbank
4.6.3
Zaaksdossier Zeilboot
4.6.3.1 Inleiding
4.6.3.2 Standpunten
4.6.3.3 Feiten en omstandigheden
4.6.3.3.1 Voorgeschiedenis
4.6.3.3.2 Telefoons
4.6.3.3.3 Periode van 2 tot en met 7 december 2016
4.6.3.3.4 8 december 2016
4.6.3.3.5 Hotel citizenM Amsterdam
4.6.3.3.6 Club in Laren
4.6.3.3.7 Toyota Auris
4.6.3.3.8 Periode van 9 en 10 december 2016
4.6.3.4 Verklaringen van [betrokkene 10]
4.6.3.5 Oordeel van de rechtbank
4.6.3.5.1 Juridisch kader medeplegen
4.6.3.5.2 Conclusie
4.7
Zaaksdossier Tennis
4.7.1
Inleiding
4.7.2
Standpunten
4.7.3
Verklaringen
4.7.3.1 Verklaringen van [betrokkene 11]
4.7.3.2 Verklaringen van getuigen ter plaatse
4.7.4
Tussenbeoordeling
4.7.5
Verklaringen van [medeverdachte 6]
4.7.5.1 Achtergrond: een geldschuld
4.7.5.2 Aanschaf camera bij de MediaMarkt
4.7.5.3 Verzoek tot observatie van [betrokkene 11]
4.7.5.4 Observaties van [betrokkene 11]
4.7.5.5 11 oktober 2016
4.7.5.6 Na 11 oktober 2016
4.7.5.7 Betaling aan [medeverdachte 6]
4.7.6
Bruikbaarheid verklaringen van [medeverdachte 6]
4.7.6.1 Beoordeling betrouwbaarheid verklaringen van [medeverdachte 6]
4.7.6.2 (Kleine) Abs = [betrokkene 11]
4.7.6.3 Vaders van [medeverdachte 7] en [betrokkene 11] kennen elkaar
4.7.6.4 Aanschaf camera bij de MediaMarkt
4.7.6.5 Beschrijving verblijfadressen van [betrokkene 11]
4.7.6.6 Bewerken foto’s en verstrekken SD-kaartjes
4.7.6.7 Observaties van [betrokkene 11]
4.7.6.8 Volkswagen Passat van [medeverdachte 8]
4.7.6.9 Contra-indicaties?
4.7.6.10 Conclusie
4.7.7
Oordeel van de rechtbank
4.7.7.1 Poging tot moord
4.7.7.2 Juridisch kader medeplegen
4.7.7.3 Rol van [verdachte]
4.8
Zaaksdossier Plato
4.8.1
Inleiding
4.8.2
Standpunten
4.8.3
Feiten
4.8.3.1 Resultaten doorzoeking [adres]
4.8.3.2 Periode van 28 en 29 november 2016
4.8.3.3 30 november 2016
4.8.3.4 Periode van 1 en 2 december 2016
4.8.3.5 Periode van 2 en 3 december 2016
4.8.3.6 3 december 2016
4.8.3.7 Periode van 4 en 5 december 2016
4.8.4
Oordeel van de rechtbank
4.8.4.1 Poging tot moord?
4.8.4.2 Slotoverweging
4.9
Zaaksdossier Roos/Doorn
4.9.1
Inleiding
4.9.2
Standpunten
4.9.3
Feiten
4.9.3.1 Telefoonnummers
4.9.3.2 Auto’s regelen
4.9.3.3 [betrokkene 12] invalide maken
4.9.3.4 [betrokkene 12] naar de hel sturen
4.9.3.5 7 januari 2017
4.9.3.6 8 januari 2017
4.9.3.7 Avond van 9 januari en nacht van 9 op 10 januari 2017
4.9.3.8 Periode van 10 en 11 januari 2017
4.9.3.9 Nacht van 11 op 12 januari 2017
4.9.3.10 Avond van 12 januari 2017
4.9.3.11 13 januari 2017
4.9.3.12 Auto herkend
4.9.3.13 Gesprek [medeverdachte 6] met familie [slachtoffer 4]
4.9.3.14 Incident 14 januari 2017
4.9.3.15 Loods in Landsmeer
4.9.3.16 Aantreffen Seat Ibiza
4.9.3.17 Ontmoeting [medeverdachte 6] met [betrokkene 13]
4.9.4
Oordeel van de rechtbank
4.9.4.1 Betrouwbaarheid verklaringen van [medeverdachte 6]
4.9.4.2 Moordopdracht [betrokkene 12] ?
4.9.4.3 Berust de moord op [slachtoffer 4] op een vergissing?
4.9.4.4 Rol van [verdachte]
4.10
Zaaksdossier 140 Sr (criminele organisatie)
4.10.1
Standpunten
4.10.2
Oordeel van de rechtbank
4.10.2.1 Juridisch kader artikel 140 Sr
4.10.2.2 Gepleegde misdrijven
4.10.2.3 Wagenpark
4.10.2.4 Onderzoek Koper
4.10.2.5 Aangetroffen administraties
4.10.2.6 Verklaringen van [medeverdachte 6]
4.10.2.7 Conclusie
5Bewezenverklaring
6Strafbaarheid van de feiten
7Strafbaarheid van verdachte
Motivering
8.1
Eis van het Openbaar Ministerie
8.2
Standpunt van de verdediging
8.3
Oordeel van de rechtbank
8.3.1
Ernst van de feiten en persoon van de verdachte
8.3.2
Levenslang
8.3.2.1 Inleiding
8.3.2.2 Bespreking verweren
8.3.2.3 Voorwaardelijke verzoeken
8.3.3
Publieke berechting
8.3.4 Redelijke termijn
8.3.5
Conclusie
9Beslag
9.1
Standpunten
9.2
Oordeel van de rechtbank
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Bijlage 1 – Tenlastelegging
Bijlage 2 – Overzicht PGP-e-mailadressen en gebruikers
Bijlage 3 – Bewijsoverwegingen criminele organisatie ten aanzien van de medeverdachten
Bijlage 4 – Standpunten en toelichting Openbaar Ministerie met betrekking tot beslag
1Onderzoek
1.1
Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12 en 13 december 2019, 6 maart 2020, 18 mei 2020, 11, 12, 13 en 27 augustus 2020, 3 september 2020, 28 en 29 oktober 2020, 3 november 2020, 13, 14 en 15 januari 2021, 11, 12 en 22 maart 2021, 7, 9 en 16 april 2021, 26 en 28 mei 2021, 2, 3, 10, 11, 21, 25, 29 en 30 juni 2021, 14, 15, 21 en 22 september 2021, 13 oktober 2021, 24 november 2021, 7, 9, 10, 14, 16, 17, 20 en 22 december 2021, 1, 21 en 22 maart 2022, 21 en 22 april 2022, 20 mei 2022, 8, 9, 13, 14, 16, 20, 21, 23, 28 en 30 juni 2022, 13, 16, 19, 20 en 22 september 2022, 6, 13, 15, 20 en 21 december 2022, 1, 2 en 22 februari 2023, 27 en 29 maart 2023, 19 april 2023, 17 mei 2023, 19 juni 2023, 14 juli 2023, 6 oktober 2023, 22 november 2023, 21 december 2023, 6 en 14 februari 2024.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie) en van wat verdachte en zijn verdediging (hierna: de verdediging) naar voren hebben gebracht.
1.2
Inleidende opmerkingen
1.2.1
Werkwijze van de rechtbank
Het onderzoek Marengo heeft betrekking op zeventien verdachten. Zestien van hen worden verdacht van betrokkenheid bij een of meer moorden, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. Alle verdachten worden beschuldigd van betrokkenheid bij dezelfde criminele organisatie die gericht was op moorden, vuurwapendelicten en gekwalificeerde diefstal. In dit vonnis zijn de overwegingen en beslissingen opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. De rechtbank wijst vandaag ook vonnis in de zaken van de zestien andere verdachten die (grotendeels) gelijktijdig terecht hebben gestaan.
De rechtbank zal in plaats van de term ‘verdachte’ steeds de namen van de verdachten gebruiken: [medeverdachte 9] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 16] en [verdachte] . De rechtbank gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere verdachten in het dossier dezelfde achternaam hebben en de hele voornaam als ze ook dezelfde voorletter hebben.
Omdat in de zaak van [medeverdachte 6] het onderzoek ter terechtzitting al was aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland treedt de rechtbank in zijn zaak op als de rechtbank Midden-Nederland. In de zaak van [medeverdachte 1] was het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot het onderzoek Zeilboot al aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland op het moment dat de zaak Marengo aanving bij de rechtbank Amsterdam. Dat is de reden dat er in de zaak van [medeverdachte 1] separate vonnissen worden gewezen.
Het onderzoek Marengo bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken die onderling met elkaar verweven zijn, door de daarop gebaseerde verdenking van het leidinggeven aan dan wel de deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte in zal gaan, maar waar nodig ook hetgeen is aangevoerd in de zaken van de andere verdachten (ambtshalve) in haar oordeel zal betrekken.
1.2.2
Start van het onderzoek
Op 14 januari 2017 heeft [medeverdachte 6] zich na overleg met zijn advocaat laten aanhouden en vanaf dat moment is een kroongetuigetraject gaan lopen. [medeverdachte 6] heeft in 41 kluisverklaringen verklaard over een aantal moorden of pogingen daartoe waar hij deels zelf bij betrokken is geweest. Op 27 december 2017 is dit uitgemond in een overeenkomst met [medeverdachte 6] als kroongetuige. Door zijn verklaringen en door ontsleutelde PGP-berichten is een groot aantal verdachten in beeld gekomen die ervan verdacht worden te behoren tot een organisatie die verantwoordelijk is voor tot op dat moment grotendeels onopgeloste levensdelicten. Het onderzoek dat hieruit voortkwam kreeg de naam Marengo. [medeverdachte 6] was op 5 september 2017, dus al voordat hij de overeenkomst sloot, als verdachte aangehouden in de zaak Roos/Doorn. Op 18 december 2017 is [medeverdachte 4] , op wie de nacht daarvoor een aanslag was gepleegd waarbij hij gewond is geraakt, als eerste verdachte aangehouden in het onderzoek Marengo. In de loop van 2018, 2019 en 2020 zijn de overige verdachten in het onderzoek Marengo aangehouden.1
1.2.3
Procesdossier Marengo
Het procesdossier bevat (zoveel mogelijk chronologisch) de volgende deelonderzoeken:
1. Rudolf: de moord op [slachtoffer 1] op 9 september 2015 en het beramen van een ontploffing in de spyshop te Nieuwegein in de periode van 15 augustus 2015 tot en met 19 oktober 2015;
2. Ster: de moord op [slachtoffer 2] op 17 april 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 2] en [betrokkene 4] in de periode van 1 maart 2016 tot en met 17 april 2016;
3. Aker: de moord op [slachtoffer 5] op 9 mei 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 5] in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 januari 2016;
4. Kreta: de moord op [slachtoffer 3] op 22 juni 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 3] , [betrokkene 9] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] in de periode van 17 april 2016 tot en met 22 juni 2016;
5. Tennis: de poging tot moord op [betrokkene 11] op 11 oktober 2016;
6. Plato: de poging tot moord op [betrokkene 14] op 5 december 2016;
7. Zeilboot/Raspvijl: de poging tot moord en de moord op [slachtoffer 6] op 8 december 2016 en de poging tot moord op [slachtoffer 6] op 2 juli 2016;
8. Roos/Doorn: de moord op [slachtoffer 4] op 12 januari 2017 en het beramen van de moord op [betrokkene 12] in de periode 1 december 2016 tot en met 14 januari 2017;
9. De criminele organisatie in de periode van 16 juli 2015 tot en met 14 januari 2017.
Daarnaast bevat het dossier het onderzoek Alpine, dat gaat over een witwasverdenking tegen [medeverdachte 15] .
In het strafdossier van iedere verdachte is, behalve het gehele Marengo-dossier (met bovengenoemde negen deelonderzoeken), tevens gevoegd:
10. alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Marengo-verdachten (met uitzondering van de processen-verbaal van de terechtzittingen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten en de processen-verbaal van de terechtzittingen waarin enkel is gepleit of gedupliceerd; deze processen-verbaal maken slechts deel uit van het strafdossier van de desbetreffende verdachte);
10. alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van een of meer van de verdachten zijn opgemaakt.
Alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de terechtzittingen maken dus deel uit van het procesdossier, ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het procesdossier voor elke verdachte (afgezien van de persoonsdossiers) gelijkluidend is.
2Tenlastelegging
De tenlastelegging in zaak A is op de zitting van 27 augustus 2020 nader omschreven. De tenlastelegging in zaak B is op die zitting gewijzigd. De tenlastelegging in zaak C is niet gewijzigd of nader omschreven.
Beoordeling
3.3.7.2.3 Controle en contra-expertise Hansken
De verdediging betoogt dat zij onvoldoende mogelijkheden heeft gehad om de werking van Hansken te controleren en de software van Hansken aan een contra-expertise te onderwerpen. Zij heeft daartoe tijdens regiezittingen en bij pleidooi gewezen op de rapporten van de in het kader van het onderzoek Tandem II ingeschakelde deskundige dr. [naam deskundige 1] van 15 januari 2018 en 4 maart 2018 waarin dr. [naam deskundige 1] concludeert dat die controlemogelijkheden met betrekking tot de rol en functionaliteit van Hansken in het digitaal forensische onderzoeksproces onvoldoende zijn.
Onder verwijzing naar de vonnissen van 21 september 202162 van de rechtbank Rotterdam in de zaken tegen Ennetcom en haar middellijk bestuurder – waarin een soortgelijk verweer is gevoerd – onderkent de rechtbank het door de verdediging geschetste gevaar dat bij de analyse van bulkdata door complexe algoritmische systemen de resultaten van het systeem leidend worden zonder dat de achterliggende algoritmen kunnen worden gecontroleerd. In het kader van het recht op een eerlijk proces (en dus gelijke proceskansen) moet de verdediging kunnen controleren of de door Hansken geproduceerde resultaten betrouwbaar zijn. Daartoe mag van de verdediging echter wel worden verwacht dat zij concreet maakt op welke punten deze controle moet plaatsvinden. Het in algemene zin stellen dat ‘de controlemogelijkheden onvoldoende zijn’ kan niet als zodanig gelden. Het voorgaande klemt temeer nu in het Marengo-dossier stukken zijn gevoegd waarin is ingegaan op de werking van Hansken. Gewezen wordt het rapport van deskundige ir. [naam deskundige 2] (hierna: [naam deskundige 2] ) van 5 februari 2018 in datzelfde onderzoek Tandem II, waarin hij vragen van de verdediging in die zaak over de betrouwbaarheid en volledigheid van Hansken als selectietool beantwoordt.63 [naam deskundige 2] is vervolgens op 12 februari 2018 in dat onderzoek gehoord door de rechter-commissaris en de verdediging in de zaak Tandem II heeft daar in aanwezigheid van haar eigen deskundige dr. [naam deskundige 1] vragen kunnen stellen aan [naam deskundige 2] . Ook dat proces-verbaal van verhoor is toegevoegd aan het procesdossier.64 Verder geldt dat over principes en de werking van Hansken peer-reviewed artikelen zijn verschenen.65 De verdediging heeft gesteld dat [naam deskundige 2] – nu hij niet rechtstreeks betrokken was bij het gebruik van Hansken ten aanzien van de Ennetcom-data (het antwoord op vraag 2 van de verdediging in het rapport van 5 februari 2018) – vragen niet heeft kunnen beantwoorden, maar zij heeft daarbij onvoldoende concreet gemaakt wat zij nog wil controleren en/of onderzoeken. [naam deskundige 2] heeft in zijn beantwoording bovendien gezegd, en het Openbaar Ministerie heeft hierop ook herhaaldelijk gewezen, dat bij twijfel over de volledigheid van een bericht altijd extra controles uitgevoerd kunnen worden in Hansken zelf of met analysemogelijkheden buiten Hansken. De mogelijkheid tot controle en contra-expertise heeft dus wel degelijk bestaan, zij het dat de verdediging dan wel moet laten weten wat, op welke wijze en door wie onderzocht moet worden. De verdediging heeft dit op de speciale PGP-regiezitting van 11 maart 2021 niet, althans onvoldoende, concreet gemaakt. Ook later heeft zij dit niet gedaan. De rechtbank onderschrijft dan ook niet dat de verdediging geen effectieve controlemogelijkheden heeft gehad.
De verdediging heeft bij pleidooi nog verwezen naar Europese jurisprudentie waaruit volgens haar volgt dat zij recht heeft een contra-expertise.66 De rechtbank is echter van oordeel dat de verwijzing naar die jurisprudentie niet opgaat omdat Hansken en de met Hansken verkregen resultaten niet aan te merken zijn als deskundigenrapportages.
Bij pleidooi heeft de verdediging gewezen op voorbeelden van ‘fouten’ in Hansken. Deze voorbeelden zijn echter eerder op regiezittingen besproken en – voor zover nodig – verduidelijkt en opgehelderd. Zo heeft de verdediging wederom verwezen naar het in het onderzoek De Vink uitgebrachte NFI-rapport van 16 juni 2020.67 Het gaat in dat rapport echter niet om een fout in Hansken, maar om een verandering van de naam ‘email from’ naar ‘mailbox name’, welke verandering is ingegeven door voortschrijdend inzicht voor wat betreft de benaming van dat ‘veld’. Het hoe en waarom van die verandering wordt in het rapport van 16 juni 2020 verder uitgelegd. Ook heeft de verdediging wederom verwezen naar ‘fouten’ in de exportfunctie naar de Excelbestanden. De verdediging doelt hier, zo begrijpt de rechtbank, op de brief van 14 september 2020 in het onderzoek Himalaya.68 Ook die brief gaat niet over fouten in Hansken, maar over een geconstateerd verschil tussen de weergave in Hansken en de weergave in het ten behoeve van de inzage gemaakte Excel-bestand. Het NFI heeft dit geconstateerd en hersteld.
De verdediging heeft nog gesteld dat de werking van Hansken beperkingen kent, zoals het niet kunnen zoeken op minder dan drie tekens waardoor zij niet kan zoeken naar woorden met een ‘y’, zoals ‘hy’ in verband met de aan [verdachte] toegeschreven schrijfwijze. De rechtbank stelt echter vast dat deze beperking evenzeer geldt voor het Openbaar Ministerie, zodat in zoverre geen sprake is van ongelijke proceskansen. De conclusie van de verdediging dat deze beperking verdachte in zijn verdedigingsrechten heeft geschaad volgt de rechtbank niet, alleen al omdat de verdediging ook op langere woorden met een ‘y’ kon zoeken.
3.3.7.2.4 Hansken is geen (buitenwettelijk) technisch hulpmiddel
De rechtbank is in navolging van eerdere uitspraken van rechtbanken van oordeel dat Hansken niet kan worden aangemerkt als een technisch hulpmiddel in de zin van artikel 126ee aanhef en onder a Sv.69 De eisen zoals genoemd in het Besluit zijn daarom niet van toepassing. Die eisen zien namelijk op technische hulpmiddelen die worden ingezet bij een stelselmatige observatie, het opnemen van vertrouwelijke communicatie of het opnemen van telecommunicatie en daarvoor wordt Hansken niet gebruikt. Hansken is ook niet aan te merken als een buitenwettelijk technisch hulpmiddel. Het wordt namelijk niet gebruikt voor het verkrijgen van bewijs. Hansken wordt ingezet ten behoeve van het bekijken van bewijs, nadat het is verkregen. De verdediging heeft nog gesteld dat de werking van de Hansken-software heeft bepaald welke PGP-berichten ter kennis kwamen van het onderzoeksteam zodat de uitgangspunten uit de wetsgeschiedenis van artikel 126ee Sv voor Hansken van belang zijn. Die stelling maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het citaat uit de wetsgeschiedenis waar de verdediging naar verwijst benadrukt het belang van waarborgen aangaande de kwaliteit en de onschendbaarheid van de met technische hulpmiddelen vastgestelde waarnemingen die (immers) in de plaats komen van eigen waarnemingen door verbalisanten. De PGP-data zelf zijn echter niet vastgelegd met Hansken, zodat overeind blijft dat Hansken niet is gebruikt voor het verkrijgen van bewijs.
3.3.7.2.5 Onvolledigheid van de PGP-data
De verdediging heeft uitvoerig uiteengezet dat de PGP-data onvolledig zijn. Voor zover de verdediging hieraan het verweer heeft gekoppeld dat de PGP-berichten niet of in onvoldoende mate kunnen bijdragen aan het bewijs overweegt de rechtbank als volgt.
De PGP-berichten dienen te worden aangemerkt als andere geschriften in de zin van artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. Dit betekent dat deze berichten alleen voor het bewijs kunnen worden gebruikt in samenhang met andere bewijsmiddelen.
Bij het gebruik van de PGP-berichten voor het bewijs past behoedzaamheid. De rechtbank is zich ervan bewust dat veelal sprake is van incomplete PGP-communicatie. Dit komt in de eerste plaats doordat op de servers niet alle communicatie meer te vinden was vanwege het retentiebeleid van de aanbieder van de dienst.70 In het geval van PGP-safe geldt bovendien dat niet alle servers zijn gekopieerd, maar dat de keuze is gemaakt voor het kopiëren van de apparatuur uit de serverkast die vanaf 2012 werd gehuurd.
Conclusie
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verdachte] bij zijn arrestatie en/of verblijf in Dubai letsel heeft opgelopen, maar dat niet geoordeeld kan worden dat Nederland – en daarmee het Openbaar Ministerie – daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden.
3.5.2.2 Medische zorg van [verdachte] na overdracht door Dubai
Ten behoeve van de overdracht van [verdachte] naar Nederland is er een trauma-arts meegereisd. Vanaf het moment dat [verdachte] is overgedragen door de autoriteiten van de VAE tot het moment waarop hij in de EBI is overgedragen heeft deze trauma-arts [verdachte] vergezeld.162
Nadat [verdachte] aan boord is gegaan van het vliegtuig heeft de trauma-arts een medische screening uitgevoerd. Tijdens deze screening droeg [verdachte] het gezichtsmasker nog.163 De trauma-arts heeft [verdachte] bij de medische screening gevraagd of er bijzonderheden waren in zijn medische voorgeschiedenis en of er actuele medische zaken speelden die van belang waren te vermelden. Daarop heeft [verdachte] gezegd dat hij in het verleden een blindedarmoperatie heeft ondergaan en dat hij maagklachten heeft. De arts heeft daarop na verkregen toestemming van [verdachte] het litteken bekeken en geconstateerd dat het er normaal uitzag. De maagklachten waren niet te duiden – daarvoor konden vele oorzaken zijn. De trauma-arts constateert dat [verdachte] tijdens dit onderzoek alert overkwam en dat er op dat moment geen aanleiding was om lichamelijk onderzoek te verrichten.164 Nadat [verdachte] – zoals hiervoor beschreven – een uur na aanvang van de vlucht had geklaagd over pijn en daarop zijn gebroken neus en blauwe ogen waren geconstateerd, is hij gedurende het transport door de trauma-arts gemonitord.165 De trauma-arts heeft een test uitgevoerd om de vitale functies te controleren en hieruit bleken geen bijzonderheden. De daarbij geconstateerde lager dan normale saturatiewaarde – waar de verdediging op heeft gewezen ter staving van de stelling dat het medisch niet verantwoord was om [verdachte] per vliegtuig te vervoeren – was geen onverwachte uitslag en is blijkens de beantwoording door de trauma-arts te verklaren door de cabinedruk. Aan [verdachte] is pijnstilling aangeboden, wat hij heeft geweigerd.166 Bij de tussenlanding in Boekarest heeft de trauma-arts nog een controle uitgevoerd en die resultaten waren goed. De saturatiewaarde was toen – op zeeniveau – goed. Bij het vervolg van de vlucht naar Nederland, evenals tijdens de helikoptervlucht naar Vught, zijn er geen bijzonderheden geweest die maakten dat de trauma-arts moest handelen.167 Tijdens het transport is al contact gelegd met Nederland om een goede medische overdracht te laten plaatsvinden. Die medische overdracht heeft vervolgens ook plaatsgevonden.168 Daarbij heeft de trauma-arts zijn in het vliegtuig gemaakte aantekeningen gedeeld met de arts in de EBI.169
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank – anders dan de verdediging –
dat [verdachte] vanaf de overdracht aan Nederland tot aan zijn aankomst in de EBI de benodigde medische zorg heeft gekregen. De rechtbank wijst in dit verband nog op de eigen verklaring van [verdachte] tegenover de rechter-commissaris kort nadat [verdachte] in de EBI is aangekomen. Hij zegt daar tegen de rechter-commissaris: “Wat daar (de rechtbank leest: in Dubai) is gebeurd, moeten we maar daar laten, we zijn nu in Nederland. Hier ben ik tot dusver heel oké behandeld, ook mijn overbrenging naar Nederland verliep allemaal supercorrect, heel netjes. Ik ben hier ook inmiddels bezocht door een arts.”
De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat [verdachte] gedurende zijn verblijf in de EBI niet de benodigde medische zorg heeft gekregen.
3.5.3
Consulaire bijstand van [verdachte] in Dubai
3.5.3.1 Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat [verdachte] in Dubai geen consulaire bijstand heeft gekregen, ondanks zijn verzoek daartoe. Nederland is in strijd is met artikel 36 lid 1 van het Verdrag van Wenen inzake Consulaire Betrekkingen van 24 april 1963 (hierna: het Weens Verdrag) afgehouden van het verlenen van deze bijstand. Daardoor is [verdachte] in feite in het geheim gevangen gezet – waarbij de verdediging verwijst naar de zaak LaGrand170 en de CIA-arresten171 – waarvoor Nederland de ogen niet had mogen sluiten en het verzoek om aanhouding had moeten intrekken, aldus de verdediging. Het Openbaar Ministerie heeft gemotiveerd aangevoerd dat de stellingen van de verdediging niet gevolgd kunnen worden.
3.5.3.2 Oordeel van de rechtbank
Nederland en de VAE zijn aangesloten bij het Weens Verdrag. Artikel 36 van dit verdrag luidt (in de Nederlandse vertaling):
‘Artikel 36 Contact met onderdanen van de zendstaat
1. Ten einde de uitoefening van de consulaire werkzaamheden met betrekking tot onderdanen van de zendstaat te vergemakkelijken:
(a)moeten de consulaire ambtenaren zich vrijelijk in verbinding kunnen stellen met de onderdanen van de zendstaat en hen vrijelijk kunnen bezoeken. Onderdanen van de zendstaat moeten dezelfde vrijheid genieten met betrekking tot het contact met en het bezoeken van consulaire ambtenaren van de zendstaat;
(b)moeten de bevoegde autoriteiten van de ontvangende Staat de consulaire post van de zendstaat onverwijld ervan in kennis stellen, dat binnen zijn ressort een onderdaan van die Staat is gearresteerd, gevangengenomen of in voorarrest is geplaatst of op enigerlei andere wijze in verzekerde bewaring wordt gesteld, indien de betrokkene zulks verzoekt. Elke mededeling aan de consulaire post gericht door de gearresteerde, zich in gevangenschap of in voorlopige hechtenis bevindende of anderszins vastgehouden persoon wordt door bovengenoemde autoriteiten eveneens onverwijld overgebracht. Bovengenoemde autoriteiten dienen de betrokken persoon onverwijld van zijn rechten krachtens deze alinea in kennis te stellen;
(c)moeten de consulaire ambtenaren het recht hebben een onderdaan van de zendstaat die zich in arrest of in voorlopige hechtenis bevindt of op enigerlei andere wijze wordt vastgehouden, te bezoeken, met hem te spreken en met hem brieven te wisselen en te zorgen voor zijn vertegenwoordiging in rechte. Zij hebben eveneens het recht een onderdaan van de zendstaat te bezoeken, die zich in hun ressort in gevangenschap of in hechtenis bevindt voor de tenuitvoerlegging van een vonnis. De consulaire ambtenaren onthouden zich er evenwel van ten behoeve van een onderdaan op te treden, die zich in arrest of in voorlopige hechtenis bevindt of op enigerlei andere wijze wordt vastgehouden indien deze zich uitdrukkelijk daartegen verzet.
2. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde rechten worden uitgeoefend overeenkomstig de wetten en regelingen van de ontvangende Staat, met dien verstande evenwel dat deze wetten en regelingen de verwezenlijking van de oogmerken waarvoor de in dit artikel verleende rechten zijn bedoeld, volledig moeten waarborgen.’
De rechtbank is met het Openbaar Ministerie van oordeel dat artikel 36 van het Weens Verdrag geen verplichting oplegt aan verdragsstaten om consulaire bijstand te verlenen. Onderdanen van de zendstaat – in dit geval Nederland – hebben op grond van het Weens Verdrag het recht om de ontvangende staat – in dit geval de VAE – te vragen Nederlandse vertegenwoordigers van de detentie op de hoogte te brengen. Nederlandse consulaten hebben echter geen absolute verplichting om op deze vragen in te gaan.172 Ook als wordt aangenomen dat [verdachte] heeft verzocht de Nederlandse autoriteiten in kennis te stellen dat hij in Dubai was gedetineerd en om consulaire bijstand heeft verzocht, geldt dat Nederland al direct op de hoogte is gebracht van de aanhouding en detentie. De rechtspraak waar de verdediging naar verwijst gaat over situaties die niet vergelijkbaar zijn met die van [verdachte] . In dit geval heeft de VAE vrijwel direct na de aanhouding van [verdachte] aan Nederland laten weten dat zij [verdachte] had aangehouden en hem zou gaan overdragen aan Nederland.
Conclusie
Het voorgaande betekent dat de verweren die de verdediging op dit punt heeft gevoerd worden verworpen.
3.6
Publieke berechting
3.6.1
Standpunten
De verdediging van [verdachte] heeft betoogd dat er sprake is (geweest) van een publieke berechting (‘trial by media’) van [verdachte] . Er is sprake van vormverzuimen bestaande uit het lekken van stukken aan de media en publieke uitlatingen van opsporende instanties en gezagsdragers in strijd met de onschuldpresumptie. Als gevolg daarvan is ernstig inbreuk gemaakt op zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Daarnaast heeft dit negatieve gevolgen gehad voor zijn detentie(omstandigheden) en heeft het geleid tot concrete, op hem gerichte wetgeving. Van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is geen sprake meer. Primair dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ook via de lijn van het Karman-criterium dient niet-ontvankelijkheid te volgen omdat sprake is van ernstige schendingen van dusdanig fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt. Subsidiair is verzocht om strafvermindering.
De verdediging van [medeverdachte 7] heeft zich bij deze verweren aangesloten, waarbij specifiek is ingegaan op diens situatie. Daartoe is verwezen naar voorbeelden van publicaties in de media over [medeverdachte 7] en naar de vierde aflevering van het eerste seizoen van de serie ‘De jacht op de mocromaffia’ uit 2020 waarna [medeverdachte 7] ineens landelijk bekend werd. Het gaat in die publicaties onder andere om uitlatingen van het Hoofd van de Landelijke Politie en een Kamerlid. Ook zijn er publicaties geweest die gebaseerd zijn op vertrouwelijke stukken. In die publicaties wordt [medeverdachte 7] in strijd met de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM ‘neergezet’ als een meedogenloze moordenaar en als een kopstuk en een belangrijke spil (de rechterhand) in het criminele netwerk van [verdachte] . Deze schending leidt in samenhang met de andere schendingen van artikel 6 EVRM primair tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Subsidiair dient dit te worden verdisconteerd in de strafmaat, in ieder geval zodanig dat niet tot een levenslange gevangenisstraf wordt gekomen.
De verdediging van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft zich aangesloten bij de in de zaken van [verdachte] en [medeverdachte 7] gevoerde verweren.
Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren.
3.6.2
Oordeel van de rechtbank
De kern van de verweren is dat er geen sprake meer zou zijn van een eerlijk proces vanwege de gestelde schendingen van de onschuldpresumptie. Deze verweren lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.6.2.1 Onschuldpresumptie
Artikel 6 lid 2 EVRM bepaalt dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Het EHRM heeft in zijn arresten onder meer geoordeeld dat de onschuldpresumptie een van de elementen betreft van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 lid 1 EVRM.173 Het vereiste van de onschuldpresumptie richt zich niet alleen tot de rechter,174 maar ook tot andere publieke autoriteiten dan de deelnemers aan het strafproces. Ook die andere publieke autoriteiten dienen in hun uitlatingen dus de onschuldpresumptie te respecteren. Gebeurt dit niet, dan kan dat ertoe leiden dat het publiek de persoon schuldig acht en vooruitloopt op de beoordeling van de feiten door de rechter. De autoriteiten moeten het publiek wel kunnen informeren over lopende strafzaken, maar de onschuldpresumptie vereist dat zij dit met de benodigde zorgvuldigheid (‘discretion’) en behoedzaamheid (‘circumspection’) doen.175 Het EHRM maakt onderscheid tussen een mededeling dat een persoon wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit en de uitdrukkelijke verklaring dat die persoon een strafbaar feit heeft gepleegd, als er nog geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling voor dat feit. Daarbij benadrukt het EHRM dat de woordkeuze van groot belang is. Of een bepaalde uitlating een schending van de onschuldpresumptie oplevert, moet worden beoordeeld in de context van de specifieke omstandigheden van het geval waarin die uitlating werd gedaan.176
3.6.2.2 Eerlijk proces
De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of het recht op een eerlijk proces is geschonden in het midden kan blijven of de uitlatingen van minister(s), Kamerleden, politiefunctionarissen en vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie een schending van de onschuldpresumptie uit artikel 6 lid 2 EVRM opleveren. Zelfs al zou dit namelijk het geval zijn, dan betekent dat niet dat ook het recht op een eerlijk proces is geschonden. Daarvan is namelijk pas sprake in het geval deze rechtbank zodanig is beïnvloed door die uitlatingen dat zij niet meer onbevooroordeeld een beslissing in deze zaak zou kunnen nemen. Dat is niet het geval.
De rechtbank merkt hierover allereerst op dat het EHRM overweegt dat van een college dat volledig bestaat uit beroepsrechters, zoals hier het geval is en in tegenstelling tot bijvoorbeeld leden van een jury bij juryrechtspraak, verwacht kan worden dat zij zich uit hoofde van hun functie voor een door de media gecreëerd beeld kunnen afsluiten. Van een dergelijke beïnvloeding zal derhalve niet snel sprake zijn.177
Deze rechtbank is zich er steeds bewust van geweest dat in de media (onder meer in kranten, tijdschriften, nieuwsrubrieken, talkshows, series en podcasts, hierna gezamenlijk: de media) veel geschreven en gezegd is over (de verdachten in) dit proces voorafgaand aan, maar ook gedurende, het onderzoek ter terechtzitting. Dat de media in voorkomende gevallen daarbij (mogelijk) zijn gevoed door anonieme bronnen en/of door het lekken van stukken en/of door uitlatingen van gezagsdragers en/of advocaten heeft de rechtbank eveneens onder ogen gezien.
De rechtbank heeft zich ook rekenschap gegeven van het feit dat veel media-aandacht is besteed aan het feit dat gedurende dit proces drie mensen zijn vermoord die in nauwe relatie stonden tot de kroongetuige, namelijk zijn broer [naam broer kroongetuige] , zijn raadsman mr. [advocaat 1] en zijn vertrouwenspersoon, [vertrouwenspersoon] . De zaak Marengo gaat niet over deze moorden. De verdachten in de zaak Marengo zijn voor die zaken bovendien niet vervolgd. De rechtbank acht het echter voorstelbaar dat het publiek de strafzaken die in verband met deze moorden hebben plaatsgevonden dan wel nog plaatsvinden,178 niet altijd goed kan scheiden van het Marengo-proces. De uitlatingen die in het kader van deze zaken zijn gedaan kunnen dan ook van invloed zijn op hoe het publiek aankijkt tegen de (verdachten in de) zaak Marengo.
Hetzelfde geldt voor de media-aandacht die er gedurende dit proces is geweest voor het feit dat een advocaat van [verdachte] , te weten diens neef [advocaat 6] , is aangehouden op verdenking van deelname aan een criminele organisatie. Hij is daarvoor op 23 januari 2023 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden.179 Ook is er veel media-aandacht geweest voor het feit dat mr. [advocaat 7] , de toenmalig raadsvrouw van [verdachte] , twee dagen nadat zij in de zaken van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] haar dupliek had uitgesproken, is aangehouden. De verdenkingen tegen deze voormalige raadslieden van [verdachte] hebben echter, voor zover de rechtbank bekend, geen betrekking op de zaak Marengo. Geen van de verdachten in Marengo wordt in verband met die verdenkingen vervolgd.
Conclusie
De conclusie is dat de verweren ten aanzien van de gestelde publieke berechting worden verworpen omdat er geen sprake is van de situatie dat de media-aandacht heeft geleid tot een oneerlijk proces voor verdachten. Ook ziet de rechtbank geen grond voor strafvermindering als gevolg van de media-aandacht, omdat niet is gebleken dat [verdachte] daarvan nadeel heeft ondervonden, en indien [verdachte] enig nadeel zou hebben ondervonden, dat niet kan worden gezegd dat het Openbaar Ministerie daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden.
3.7
Ambtshalve overweging
Per e-mailbericht van 18 december 2023 heeft de verdediging van [verdachte] de rechtbank bericht dat zij de verdediging in Marengo per direct neerlegt. De beslissing daartoe is – samengevat – als volgt toegelicht.
Na de aanhouding van de vorige advocaat, mr. [advocaat 7] , zat [verdachte] zonder advocaat. Vervolgens hebben mrs. [advocaat 8] , [advocaat 9] en [advocaat 10] zich op 29 juni 2023 gesteld als zijn nieuwe advocaten. Hun verzoek om een uitstel van negen maanden om zich gedegen te kunnen voorbereiden, gedaan op de zitting van 14 juli 2023, is om onbegrijpelijke redenen afgewezen. Dat het Openbaar Ministerie daags voor de zitting van 14 juli 2023 een aanvullend dossier heeft verstrekt illustreert de onbegrijpelijkheid van deze beslissing. De verdediging dient adequate faciliteiten te worden geboden om zich in de zaak in te lezen en eventueel onderzoekswensen daarop voor te bereiden. De beslissing om de belangen van [verdachte] ondergeschikt te maken aan die van de andere verdachten en het belang om zonder verdere vertraging een vonnis te kunnen vellen is een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM. Daarna heeft de rechtbank alle onderzoekswensen van de verdediging op de zittingen van 6 oktober 2023 en 22 november 2023 afgewezen. Zelfs het horen van een tot tweemaal toe meegebrachte getuige heeft de rechtbank afgewezen. Het gevolg daarvan is dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft (gehad) om het ondervragingsrecht uit te oefenen. Aldus is sprake van schending van het ondervragingsrecht en daarmee van het recht op een eerlijk proces conform artikel 6 EVRM. Dat de rechtbank voor de zitting van 21 december 2023 aangeeft geen onderzoekswensen te verwachten, althans slechts bij nieuwe en bijzondere ontwikkelingen, en dat het Openbaar Ministerie daarna uitvoeringsstukken verstrekt betreffende onder meer het letsel bij [verdachte] na zijn arrestatie, waar de rechtbank van aangeeft dat de verdediging zich hierover op de zitting van 21 december 2023 slechts kan uitlaten, is wederom illustratief voor het feit dat de verdediging onvoldoende gelegenheid en faciliteiten krijgt om [verdachte] adequaat te kunnen bijstaan. Immers, alle onderzoekswensen van mr. [advocaat 7] op dit punt zijn afgewezen. De verdediging heeft vanwege de beknopte tijd die zij van de rechtbank krijgt niet de gelegenheid om alle achterliggende stukken te kunnen lezen en verifiëren, maar de bestudering van de uitvoeringsstukken heeft wel geleid tot nieuwe vragen. Om die reden heeft de verdediging summier onderbouwde aanvullende onderzoekswensen ingediend. De rechtbank had bij het serieus nemen van de belangen van [verdachte] als verdachte en zijn recht op een eerlijk proces zijn zaak moeten afsplitsen, om te garanderen dat een adequate verdediging gevoerd kan worden. Daar is in feite sinds 19 juli 2023 geen sprake van. Door de beslissing dit niet te doen is er geen sprake van een proces dat voldoet aan het uitgangspunt van de onschuldpresumptie en de garanties die aan de verdachte moeten worden geboden, aldus – steeds – de verdediging.
Hoewel het bovenstaande niet in een verweer is vervat ziet de rechtbank aanleiding om ambtshalve enige opmerkingen te maken over het verloop van de laatste fase van de procedure in de zaak van [verdachte] in het licht van zijn recht op een eerlijk proces.
Feitelijke gang van zaken
Het Openbaar Ministerie heeft in de periode van 8 tot en met 28 juni 2022 gedurende negen dagen gerekwireerd in de zaken van zeventien verdachten in Marengo, waaronder [verdachte] . Daarna heeft de verdediging tien dagen (op 16, 19, 20 en 22 september 2022, 13, 15, 20 en 21 december 2022 en 1 en 2 februari 2023) gepleit in de zaak van [verdachte] , waarbij een deel van het pleidooi overigens ook de zaken van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] betrof. Met een gemiddelde van vijf uren per dag heeft de verdediging van [verdachte] dus ongeveer vijftig uren gepleit. Het Openbaar Ministerie heeft gerepliceerd op 27 en 29 maart 2023. De verdediging heeft ten slotte gedupliceerd op 19 april 2023. [verdachte] is op die dag de gelegenheid geboden het laatste woord te voeren, maar is niet verschenen.
Op de zitting van 19 april 2023 is op verzoek van de verdediging ook mr. [advocaat 8] gehoord, als meegebrachte getuige. Daarnaast heeft de verdediging op deze zitting voorafgaand aan de dupliek een aantal onderzoekswensen ingediend en enkele onderzoekswensen aangekondigd. Het Openbaar Ministerie heeft daar op 10 mei 2023 schriftelijk op gereageerd. In de tussentijd heeft zich de bijzondere omstandigheid voorgedaan dat enkele dagen na de dupliek mr. [advocaat 7] is aangehouden. Haar is vervolgens – bij wijze van ordemaatregel – door de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) de tuchtmaatregel van voorlopige schorsing opgelegd. Per brief, gedateerd 3 en 12 mei 2023, heeft [verdachte] de rechtbank laten weten te persisteren bij de onderzoekswensen van 19 april 2023. Op 17 mei 2023 heeft een regiezitting plaatsgevonden. De kantoorgenote van mr. [advocaat 7] , die ook als advocaat van [verdachte] stond geregistreerd, had toen inmiddels de verdediging neergelegd, waardoor hij in zijn strafzaak geen rechtsbijstand meer leek te hebben. De rechtbank heeft op 19 juni 2023 op een ( deels besloten) zitting met [verdachte] gesproken over zijn verdedigingssituatie. Op 29 juni 2023 hebben mrs. [advocaat 8] , [advocaat 9] en [advocaat 10] zich gesteld als de nieuwe raadslieden van [verdachte] .
Op de zitting van 14 juli 2023 heeft de verdediging van [verdachte] een aantal verzoeken gedaan. Daarop heeft de rechtbank op 19 juli 2023 beslist.188 Daarbij is aangegeven dat op 6 oktober 2023 een pro forma/regiezitting is waarbij in de zaken van alle verdachten geldt dat tegen die tijd wordt geïnventariseerd of er onderzoekswensen zijn naar aanleiding van nieuwe feiten of omstandigheden. Tevens is bepaald dat de verdediging van [verdachte] tot uiterlijk 15 september 2023 de gelegenheid krijgt schriftelijk te reageren op de op 10 mei 2023 gegeven reactie van het Openbaar Ministerie op onderzoekswensen. Op de zitting van 6 oktober 2023 is de rechtbank, voordat kon worden toegekomen aan verzoeken of onderzoekswensen, door de verdediging gewraakt. Nadat op 8 november 2023 het wrakingsverzoek is afgewezen,189 is het onderzoek op de zitting op 22 november 2022 hervat. De rechtbank heeft op 1 december 2023 beslist op de verzoeken en de onderzoekswensen van de verdediging.190 Op 21 december 2023 heeft een volgende pro formazitting plaatsgehad. Voorafgaand aan deze zitting heeft de verdediging bij e-mailbericht van 14 december 2023 een aantal onderzoekswensen ingediend. Vervolgens hebben de raadslieden op 18 december 2023 per direct de verdediging neergelegd en aangegeven dat [verdachte] de onderzoekswensen handhaaft. In een door hem ondertekende brief van 15 december 2023 heeft [verdachte] laten weten dat hij vindt dat de rechtbank geen eerlijk proces voor hem mogelijk heeft gemaakt, dat hij zich misleid voelt met betrekking tot de gelegenheid nieuwe advocaten te vinden en dat hij geen enkele andere advocaat meer zal accepteren bij de rechtbank.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de – gehele – verdediging van [verdachte] voldoende tijd en faciliteiten gekregen om haar verdediging te voeren. Er is zeer uitgebreid gepleit en er zijn vele verweren gevoerd, waarop in dit vonnis uitgebreid wordt ingegaan. De raadslieden die de verdediging van mr. [advocaat 7] hebben overgenomen zijn welbewust in een strafzaak van een ongekende omvang gestapt, die bijna afgerond was. Het gegeven dat zij op het moment dat zij zich als raadslieden stelden een grote kennisachterstand hadden voor wat betreft het strafdossier, maakt niet dat het proces tegen [verdachte] niet eerlijk is. Waar het om gaat is dat de nieuwe verdediging van [verdachte] voldoende tijd en faciliteiten moest krijgen om de verdediging voor het restant van de eerste aanleg vorm te geven en te voeren. Die tijd en faciliteiten hebben zij gekregen. Indien zich majeure gebeurtenissen in de strafzaak zouden hebben voorgedaan waarvoor grondige dossierkennis noodzakelijk was om haar positie hierin te bepalen zou de verdediging meer tijd gekregen hebben. Dergelijke gebeurtenissen hebben zich echter niet voorgedaan. Ook de voeging van nieuwe stukken kort voor de uitspraakdatum beoordeelt de rechtbank niet als een dergelijke gebeurtenis, gezien haar beslissing omtrent het gebruik van deze stukken. Alle door de verdediging aangevoerde omstandigheden leiden, afzonderlijk noch gezamenlijk, tot de conclusie dat de wijze waarop het proces tegen [verdachte] zoals het in eerste aanleg is gevoerd, niet eerlijk is geweest.
3.8
Conclusie
Voor zover in het voorgaande al vormverzuimen of (andere) onrechtmatigheden zijn vastgesteld leiden deze noch op zichzelf, noch gezamenlijk tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Ook het niet-ontvankelijkheidsverweer dat is gevoerd in de zaak Zeilboot – en dat bij de bespreking van dat zaaksdossier zal worden behandeld – slaagt niet. De conclusie van de rechtbank is daarom dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.
Verder is de dagvaarding geldig, is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
4.1
PGP-identificatie
4.1.1
Identificatie e-mailadressen verdachten Marengo
De rechtbank heeft op basis van de processen-verbaal van identificatie – en in voorkomende gevallen op basis van overige informatie in het dossier en/of wat is besproken ter terechtzitting – vastgesteld wie de gebruiker van een PGP-e-mailadres was. Ook is op basis daarvan vastgesteld of, en zo ja onder welke bijnamen een bepaalde gebruiker bekend stond of werd opgeslagen. In bijlage 2 bij dit vonnis is een overzicht opgenomen van deze PGP-e-mailadressen en de gebruikers met hun eventuele bijnamen.
De rechtbank zal hierna ten aanzien van [verdachte] aan de hand van de vindplaats in het dossier weergeven op grond waarvan is vastgesteld dat hij de gebruiker van een bepaald e-mailadres was. Als die verwijzing naar de vindplaats in het dossier – waar de feiten en omstandigheden die leiden tot de identificatie zijn beschreven – nog tot een inhoudelijke reactie nopen, naar aanleiding van hetgeen door de verdediging is aangevoerd of ambtshalve is geconstateerd, zal de rechtbank daarop hierna ook ingaan.
4.1.2
Identificatie van e-mailadressen van overige gebruikers
Het dossier bevat een aantal processen-verbaal van identificatie met betrekking tot e-mailadressen die door het Openbaar Ministerie aan andere personen, niet zijnde verdachten in Marengo, worden toegeschreven. In sommige gevallen is de identificatie van de gebruiker(s) van die overige e-mailadressen van belang voor de beoordeling en duiding van conversaties uit de zaaksdossiers en/of voor de koppeling van e-mailadressen aan (Marengo-)verdachten. Om die reden is de rechtbank nagegaan of de identificatie op basis van de in die processen-verbaal van identificatie genoemde feiten en omstandigheden gerechtvaardigd is. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit het geval is. Om die reden zijn ook deze overige gebruikers van e-mailadressen in de genoemde bijlage bij dit vonnis opgenomen.
4.1.3
Identificatie e-mailadressen [verdachte]
4.1.3.1 Standpunt van de verdediging
De verdediging betoogt dat het onderzoek naar de identificatie van het aan [verdachte] toegeschreven e-mailadres 39x7w1nz2h@ennetcom.biz in Tandem onrechtmatig is geweest omdat daarmee in strijd is gehandeld met de voorwaarden die de Canadese rechter heeft gesteld aan het gebruik van de Ennetcom-data. Dit onderzoek was namelijk voor Tandem niet relevant en, voor zover het al relevant was voor Tandem, is die redenering niet verantwoord in het dossier. Aan de hand van de identificatie van dit e-mailadres zijn vele andere adressen geïdentificeerd.
In aanvulling op de gevoerde PGP-verweren stelt de verdediging verder dat door het zoeken in de Ennetcom-data op de zoekterm ‘Tito’ 700 e-mailadressen zijn gevonden waarvan er slechts 10 aan [betrokkene 16] werden toegeschreven en welke berichten allemaal zijn gelezen. Dit levert een buitenproportionele privacy schending van derden op zonder dat daar een effectieve rechterlijke toetsing aan vooraf is gegaan. Aangezien ‘Tito’ ‘oom’ betekent was voorzienbaar dat de zoekslag zoveel adressen met berichten zou opleveren. Deze schending moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, subsidiair tot bewijsuitsluiting van al het PGP-materiaal.
4.1.3.2 Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt uit het dossier dat voor het onderzoek Tandem relevant was om vast te stellen wie de gebruiker was van de 39x7, dat dit onderzoek in Tandem heeft plaatsgevonden en dat daarbij (ook) berichten zijn aangetroffen die voor het onderzoek Marengo relevant zijn. Verder geldt dat het onderzoek in de Ennetcom-data naar de zoektermen Tito en King Tito heeft plaatsgevonden in het onderzoek Tandem.192 Daargelaten dat de belangen van [verdachte] hierdoor niet zijn geschonden, de inbreuk op de privacy van onbekende derden is zeer beperkt en de rechtbank oordeelt dat de zoekslag op ‘Tito’ niet disproportioneel is.
4.1.3.3 Standpunten ten aanzien van de identificatie
Het Openbaar Ministerie stelt dat aan [verdachte] de hierna te noemen e-mailadressen en de gebruikersnaam 777777z kunnen worden toegeschreven. Hij wordt door andere gebruikers aangeduid met onder andere de (bij)namen ‘Kleine’, ‘Toto’, ‘pobrecito’, ‘King’, ‘Pat’, ‘Parlement’ en ‘Angel of Death’.
De verdediging betoogt dat de identificatie van [verdachte] als gebruiker van de aan hem toegeschreven e-mailadressen niet kan standhouden.
4.1.3.4 Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de identificatie
De rechtbank stelt op basis van de hierna aan te halen processen-verbaal van identificatie vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van de navolgende e-mailadressen en dat ‘Kleine’, ‘Toto’, ‘pobrecito’, ‘King’, ‘Pat’, ‘Parlement’ en ‘Angel of Death’ benamingen zijn voor [verdachte] .
- 39 x7w1nz2h@ennetcom.biz,193 gebruikt in april 2016;
- 26 c709@activeshield.net (hierna ook: 26c7),194 gebruikt in mei 2016;
- q9858k665h@ennetcom.biz (hierna ook: q985),195 gebruikt in april 2016;
De verdediging stelt over dit adres dat de identificatie ervan onvoldoende controleerbaar is en geen eenduidige forensische waarde heeft omdat de uitgaande berichten ontbreken. Daarin hadden mogelijk contra-indicaties gevonden kunnen worden voor de identificatie of aanwijzingen dat het toestel mogelijk niet (altijd) in gebruik was bij een en dezelfde persoon. De identificatie zou daarom van het bewijs moeten worden uitgesloten. De rechtbank schrijft dit adres echter wel toe aan [verdachte] op basis van het desbetreffende proces-verbaal van identificatie. De rechtbank wijst er onder andere op dat daarin is vastgesteld dat familieleden van [verdachte] dit adres op dezelfde wijze opslaan als de andere e-mailadressen van [verdachte] en dat de gebruiker van dit e-mailadres en de gebruiker van account 39x7 het e-mailadres 26c7 opslaan onder 'moi Sky'. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat dit adres maar beperkte tijd bij hem en/of (gedeeltelijk) ook bij een ander of anderen in gebruik is geweest zodat rechtbank ervan uit gaat dat dit adres steeds bij [verdachte] in gebruik is geweest.
- keqf425h@pgpsafe.net en 1bdea2@activeshield.net,196 gebruikt in mei 2016;
- gebruikersnaam 777777z;197
De verdediging betoogt dat deze gebruikersnaam niet aan [verdachte] kan worden toegeschreven. De rechtbank begrijpt echter uit het proces-verbaal van identificatie dat het hier gaat om doorstuurberichten aan [medeverdachte 7] , afkomstig van een afzender die bij [medeverdachte 7] bekend is als ‘777777z’. In het proces-verbaal van identificatie wordt uiteengezet dat de 777777z soms berichten doorstuurt afkomstig van [medeverdachte 11] . In dat geval verwijdert de 777777z de zogenoemde forwardregel zodat voor de ontvanger niet kenbaar is van wie het bericht oorspronkelijk afkomstig is. Dat het in die gevallen om [medeverdachte 11] gaat die een bericht stuurt aan [verdachte] blijkt uit de voor [medeverdachte 11] kenmerkende schrijfwijze waarbij hij twee puntjes zet achter een zin in plaats van één en de omstandigheid dat hij [verdachte] steevast aanduidt als ‘mr’. Dat het [verdachte] zelf is als hij een bericht stuurt dat bij [medeverdachte 7] dan ook met de gebruikersnaam 777777z binnenkomt blijkt uit de schrijfwijze waarbij ‘y’ wordt gebruikt in plaats van ‘ij’ en het aanduiden van [medeverdachte 7] als ‘broer’.
Dictum
[verdachte] wordt kort gezegd beschuldigd van het volgende.
Zaak A (13/997006-18)
Feit 1: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 2] op 17 april 2016 in IJsselstein (ZD Ster);
Feit 2: Betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 3] en/of [betrokkene 7] en of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 9] in de periode van 17 april 2016 tot en met 22 juni 2016 in Utrecht (ZD Kreta);
Feit 3: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 3] op 22 juni 2016 in Utrecht (ZD Kreta);
Feit 4: Betrokkenheid bij de poging tot moord op [betrokkene 11] op 11 oktober 2016 in Utrecht (ZD Tennis);
Feit 5: Betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord op [betrokkene 12] , gepleegd in de periode van 1 december 2016 tot en met 14 januari 2017 in Zaandam en/of Amsterdam en/of Utrecht (ZD Doorn);
Feit 6: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 4] , gepleegd op 12 januari 2017 in Utrecht (ZD Roos);
Feit 7: Als leider/bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie met als oogmerk moord, gekwalificeerde diefstal en/of het bezit van vuurwapens en munitie in de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 januari 2017 (ZD 140 Sr).
Zaak B (13/997050-19)
Feit 1: Betrokkenheid bij de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing in de spyshop in de periode van 15 augustus 2015 tot en met 19 oktober 2015 op het adres [adres] in Nieuwegein (ZD Rudolf);
Feit 2: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 1] op 9 september 2015 in Huizen
(ZD Rudolf);
Feit 3: Betrokkenheid bij de poging tot moord op [slachtoffer 6] op 2 juli 2016 in Amsterdam
(ZD Raspvijl);
Feit 4: Betrokkenheid bij de poging tot moord op [betrokkene 14] op 5 december 2016 in Rotterdam (ZD Plato);
Feit 5: Betrokkenheid bij de poging tot moord op [slachtoffer 6] op 8 december 2016 in Amsterdam (ZD Zeilboot);
Feit 6: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 6] op 8 december 2016 in Laren
(ZD Zeilboot).
Zaak C (13/997063-20)
Feit 1: Betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 5] op 9 mei 2016 in Amsterdam en/of betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 5] in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 januari 2016 in Rotterdam (ZD Aker);
Feit 2: Betrokkenheid bij de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 2] en/of [betrokkene 4] in de periode van 1 maart 2016 tot en met 17 april 2016 in IJsselstein en/of Utrecht (ZD Ster).
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1, die aan dit vonnis is gehecht. Die bijlage geldt als hier ingevoegd.
3
3. Voorvragen
De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De rechtbank zal hier in het navolgende op ingaan.
3.1
Algemeen kader vormverzuimen
Als bij het voorbereidend onderzoek sprake is van onherstelbare vormverzuimen, kan de rechter daaraan gevolgen verbinden. Uit de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het moet gaan om vormverzuimen die zijn begaan in het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. De rechter kan ook gevolgen verbinden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. Een rechtsgevolg kan dan op zijn plaats zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit.2
De consequenties die de rechter aan schending van een vormverzuim kan verbinden zijn, in oplopende zwaarte: de enkele constatering van de schending van een vormverzuim, strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
In het algemeen geldt dat hoe groter de ernst van het vormgebrek en de gevolgen daarvan zijn, des te zwaarder het rechtsgevolg is dat de rechter daaraan kan verbinden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de zwaarste sanctie voor een vormverzuim, de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn. In zijn arrest van 1 december 20203 heeft de Hoge Raad over de aan te leggen maatstaf overwogen:
‘De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden.
Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239).’
Bij de beoordeling of sprake is van vormverzuimen waaraan de rechter een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan verbinden dient, zoals hiervoor vermeld, te worden nagegaan of sprake is van de situatie dat “the proceedings as a whole were not fair”, met andere woorden: heeft de verdachte een oneerlijk proces gehad? Onderdeel van een eerlijk proces is dat de rechter die over de zaak oordeelt het onderzoek in de zaak onafhankelijk en onpartijdig, zonder vooringenomenheid, uitvoert en daarna een gemotiveerd oordeel geeft. Onderdeel van een eerlijk proces is ook dat de verdediging tegen het onderzoeksmateriaal en de beschuldigingen kan inbrengen wat zij daartegen wil inbrengen en daartoe het door haar gewenste onderzoek kan uitvoeren. Daarvoor moet de verdediging ook voldoende tijd en gelegenheid worden gegund. Of sprake is van een eerlijk proces is niet alleen afhankelijk van de mate waarin rekening wordt gehouden met de belangen van de verdachte, maar ook met de gerechtvaardigde belangen van anderen die bij het strafproces zijn betrokken, zoals slachtoffers en nabestaanden. Ook dient daarbij rekening te worden gehouden met het publieke belang bij het onderzoek en bestraffing van de specifieke strafbare feiten die het betreft. De beoordeling of sprake is geweest van een eerlijk proces kan in beginsel pas achteraf worden gemaakt. Dan kan namelijk pas worden bezien of de rechter alle betrokken belangen juist heeft afgewogen en beoordeeld. Dit betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, al vooruit moet kijken naar haar beoordeling over de eerlijkheid van dit proces in zijn geheel.
Beoordeling
De apparatuur die in de vanaf 2016 gehuurde serverkast stond, is dus niet gekopieerd. Het kopiëren bij PGP-safe is bovendien op enig moment door de Costa Ricaanse autoriteiten beëindigd toen die servers nog niet volledig waren gekopieerd.71 Daar komt bij dat in het dossier die berichten terecht zijn gekomen die het Openbaar Ministerie uit de Marengo-dataset als relevant heeft geselecteerd. Hierbij past overigens de kanttekening dat de verdediging inzage heeft gehad in de Marengo-dataset en zij zelf ook heeft kunnen verzoeken om voeging van berichten die zij relevant vond.
Verder geldt dat de meeste verdachten hebben ontkend de (enige) gebruiker van een bepaald PGP-account te zijn, dan wel zich op hun zwijgrecht hebben beroepen. Slechts enkele verdachten hebben duiding gegeven aan de inhoud van de berichten. In de berichten wordt soms onduidelijk gesproken. In sommige gevallen zijn conversaties onvolledig. In een deel van de conversaties ontbreken zelfs alle berichten van een van de deelnemers. De context van de berichten is dan ook niet steeds duidelijk. Daar staat tegenover dat voor de bewijswaarde relevant is dat personen die een versleutelde berichtendienst gebruikten zich onbespied waanden en vaak openlijk communiceerden over waar ze mee bezig waren, zonder pogingen dit te verhullen. Ook dat weegt de rechtbank mee bij de beoordeling.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat weliswaar met behoedzaamheid naar de PGP-berichten voor het bewijs moet worden gekeken, maar dat het niet zo is dat de PGP-berichten in algemene zin niet of in onvoldoende mate aan het bewijs kunnen bijdragen vanwege hun onvolledigheid.
3.3.7.2.6 Forensische onbetrouwbaarheid van de PGP-data
De verdediging betoogt dat de PGP-data niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden omdat deze forensisch onbetrouwbaar zijn.
3.3.7.2.6.1 Hashwaarden
De rechtbank stelt voorop dat in het dossier is verantwoord dat de data zoals die in Canada en Costa Rica zijn veiliggesteld en gekopieerd ook de data zijn die in Nederland zijn gebruikt. Die vaststelling kon worden gedaan aan de hand van een vergelijking van de zogenoemde hashwaarden van die data.72
3.3.7.2.6.2 Integriteit en betrouwbaarheid van de PGP-data
De verdediging heeft herhaaldelijk gesteld dat zich bij Ennetcom integriteitsproblemen en storingen hebben voorgedaan die mogelijk van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van het PGP-materiaal. Met name rond en op de PGP-regiezittingen van11 en 12 maart 2021 is hierover het debat gevoerd tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie. De rechtbank heeft vervolgens op 1 april 2021 het verzoek van de verdediging om een deskundige te benoemen en getuigen te horen in verband met deze integriteitsproblemen en storingen afgewezen.73 De verdediging heeft bij pleidooi opnieuw aandacht gevraagd voor dezelfde gestelde integriteitsproblemen en storingen.
De rechtbank overweegt in navolging van het arrest van 11 februari 2022 van het gerechtshof Amsterdam74 het volgende. Bij elk ICT-systeem dat is aangesloten op het internet, en dus ook bij het Ennetcom-systeem, bestaat de mogelijkheid dat de data worden gewijzigd, bijvoorbeeld door een hack of door een technisch gebrek. Deze omstandigheid is echter onvoldoende om aan te nemen dat de Ennetcom-data onbetrouwbaar zijn. Daarbij is van belang dat duizenden gebruikers jarenlang (kennelijk naar tevredenheid) gebruik hebben gemaakt van de diensten van Ennetcom. Overheidsdiensten bleken lange tijd niet in staat om de communicatie die via dit systeem werd gevoerd te onderscheppen en de daarbij behorende PGP-telefoons te ‘kraken’. Uit de verklaring die de bestuurder van Ennetcom op 7 juni 2021 als getuige heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt verder dat Ennetcom in zijn bedrijfsvoering aandacht had voor onregelmatigheden in het communicatiesysteem, voorzorgsmaatregelen nam om dergelijke onregelmatigheden te voorkomen en ook maatregelen trof bij incidenten.75 De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het verhoor bij de rechter-commissaris van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2019 van de bij Ennetcom van december 2014 tot januari 2016 werkzame service- en supportmanager.76 Deze verklaart onder andere dat de controles na een incident in Parijs medio 2015 werden aangescherpt. Uit een door de bestuurder van Ennetcom opgestelde lijst blijkt dat dergelijke incidenten zich wel voordeden, maar dat het aantal incidenten – afgezet tegen de hoeveelheid klanten en de omvang van door hen verstuurde berichten – in al die jaren betrekkelijk gering is.77
De rechtbank stelt vast dat de vragen van de verdediging die specifiek raken aan de integriteit van de data in het dossier zijn beantwoord. De rechtbank wijst op het reeds aangehaalde rapport van [naam deskundige 2] van 5 februari 2018 en het eveneens eerder aangehaalde verhoor bij de rechter-commissaris van 12 februari 2018 in het onderzoek Tandem II. In dat verhoor heeft [naam deskundige 2] onder andere gereageerd op de bevindingen van ir. [naam deskundige 3] in zijn – op verzoek van de verdediging – opgestelde rapportage van 16 januari 2018.78 Ook wijst de rechtbank op het rapport van [naam deskundige 2] van 9 maart 2018 in het onderzoek Tandem II.79
De uitleg van [naam deskundige 2] komt er in de kern op neer dat ‘een beetje ontsleutelen’ van PGP-data niet mogelijk is. Als de ontsleuteling niet correct zou zijn, dan zou dit een onsamenhangende en onleesbare tekst hebben opgeleverd. Manipulatie van de inhoud van de berichten zou in beginsel mogelijk zijn maar is, gelet op de PGP-versleuteling, eigenlijk praktisch onmogelijk. De rechtbank ziet gelet op deze uitleg geen aanleiding om aan de juistheid van de ontsleuteling te twijfelen. De rechtbank wijst in dit verband ook op het proces-verbaal waarin de recherche een aantal zuiver theoretische scenario’s heeft doorgenomen rondom de integriteit en de betrouwbaarheid van de gegevens van de Ennetcom-servers.80 Daarin wordt gesteld dat manipulatie van de inhoud van berichten tot inconsistenties in de berichtenuitwisseling of zelfs tot onleesbaarheid van de berichten zou moeten leiden en dat daarvan niet is gebleken. Ook staat daarin dat configuratiefouten of technische gebreken het bedrijfsmodel van Ennetcom zouden raken en dat het onaannemelijk is dat dergelijke gebreken door de beheerders niet onmiddellijk zouden worden opgelost. De rechtbank kan dat goed volgen, aangezien – zoals hiervoor al overwogen – vele gebruikers jarenlang (kennelijk naar tevredenheid) gebruik hebben gemaakt van de diensten van Ennetcom. Er zijn, zo schrijft de recherche in dat proces-verbaal, geen indicaties aangetroffen voor sporen van technische gebreken in de berichtenuitwisseling of in de BES-systemen. In de conclusie van het proces-verbaal wordt de verdediging erop gewezen dat, als zij concrete feiten en omstandigheden aanwijst, scenario’s verder kunnen worden onderzocht.81 Van die mogelijkheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt.
De rechtbank is gelet op het voorgaande niet gebleken dat de gestelde integriteitsproblemen of storingen invloed hebben gehad op de ontsleutelde inhoud van de PGP-berichten. Bij het voorgaande betrekt de rechtbank nog dat de inhoud van de PGP-berichten op een groot aantal onderdelen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, zoals hierna bij de bespreking van de zaaksdossiers zal worden weergegeven.
3.3.7.2.6.3 PGP-e-mailadres (mede) bij een ander in gebruik
Enkele raadslieden voeren het verweer dat hun cliënt niet de enige gebruiker was van een bepaald e-mailadres en/of dat een e-mailadres op enig moment tijdelijk in gebruik was bij een ander dan de eerdere gebruiker.
De rechtbank stelt in dit verband voorop dat, waar dit het geval zou zijn, dit geen invloed heeft op de integriteit van het bericht zelf, gelet op wat hiervoor over de ontsleuteling is overwogen. De rechtbank heeft in de zaaksdossiers inderdaad voorbeelden aangetroffen van het wisselen van de gebruiker van een PGP-telefoon en het tijdelijk gebruiken van een PGP-telefoon van een ander.
Conclusie
Niettemin kunnen de uitlatingen die in het kader van deze zaken worden gedaan van invloed zijn op hoe het publiek aankijkt tegen (de verdachten in) de zaak Marengo.
De rechtbank is zich er voorts van bewust dat de veiligheidsmaatregelen rondom dit proces, maar ook rondom en in de detentielocatie(s) van verdachten in dit proces, leiden tot veel media-aandacht, soms ingegeven door voorstellen voor regelgeving en moties van politici maar mogelijk ook op basis van (anonieme) bronnen binnen de politie en/of de detentielocatie(s).
De rechtbank heeft zich geconcentreerd op het procesdossier, de behandeling ter terechtzitting en de daar door de procespartijen en verdachten ingebrachte (schriftelijke) stukken en standpunten. Bij gelegenheid heeft de rechtbank laten weten dat zij op basis daarvan haar oordeel zal vormen en niet op basis van artikelen in de media. De rechtbank heeft in dit verband haar zorgen geuit over het lekken van (informatie uit) processtukken naar journalisten, ook op momenten dat deze stukken nog niet aan de rechtbank of de verdediging waren verstrekt. Het is kennelijk ook voorgekomen dat journalisten kennis hebben kunnen nemen van iPhone-berichten van de kroongetuige die geen onderdeel uitmaakten van het procesdossier maar slechts ter inzage – en om die reden niet geanonimiseerd – waren verstrekt aan de raadslieden in de zaak Marengo.180 De rechtbank is ook kritisch geweest op de wijze waarop het Openbaar Ministerie het ‘Proces-verbaal bevindingen verificatie verklaringen [medeverdachte 6] betreffende het onderzoek 26Koper’ (hierna: proces-verbaal 26Koper) in deze strafzaak heeft opgesteld. Daarover heeft de rechtbank geoordeeld dat het Openbaar Ministerie wellicht een andere, minder beschadigende wijze van verslaglegging had kunnen kiezen en dat het Openbaar Ministerie bij het maken van een keuze daarin weinig oog heeft gehad voor de positie van de in het proces-verbaal 26Koper genoemde advocaten, nu het zich had moeten realiseren dat het risico op voor advocaten schadelijke berichten in de pers aanwezig was en dat het voor deze advocaten buitengewoon lastig zou zijn zich hiertegen te weren.181
De verdediging heeft overigens ook geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat de rechtbank is beïnvloed door de media-aandacht. Voor zover zij daarbij heeft gewezen op de afwijzing van specifieke onderzoekswensen geldt dat de rechtbank deze afwijzingen steeds heeft gemotiveerd. De verdediging mag het daarmee oneens zijn. Dat betekent echter niet dat de rechtbank vooringenomen is geweest. De gevoerde verweren worden op dit punt daarom verworpen.
3.6.2.3 Strafvermindering?
De verdediging heeft (subsidiair) gesteld dat strafvermindering dient te volgen.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2015182 stelt de rechtbank voorop dat het haar in beginsel vrij staat bij het bepalen van de straf rekening te houden met nadeel dat door media-aandacht voor een verdachte is veroorzaakt, ook indien dit niet aan het toedoen van het Openbaar Ministerie is te wijten of indien dit niet als een schending van artikel 8 EVRM kan worden aangemerkt. Deze factoren kunnen wel van belang zijn voor het bepalen van de ernst van het nadeel en de mate waarin met die nadelige gevolgen bij de strafoplegging rekening wordt gehouden. Dat betekent overigens niet dat een verdachte indien hij te lijden heeft gekregen van indringende media-aandacht omtrent zijn strafzaak, altijd recht heeft op matiging van de hem op te leggen straf.
De rechtbank ziet in het gestelde door de verdediging niet dat [verdachte] (processueel) nadeel heeft ondervonden van de media-aandacht en, voor zover al sprake is van nadeel, dat hiervan het Openbaar Ministerie een verwijt kan worden gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen is de media-aandacht namelijk niet van invloed geweest op de objectiviteit van de rechtbank en heeft deze er niet toe geleid dat [verdachte] geen eerlijk proces heeft gekregen. Dit neemt niet weg dat het lekken van processtukken te denken geeft en enkele uitlatingen van politici en vertegenwoordigers van de politie en/of de officier van justitie in de media kunnen hebben bijgedragen aan de vorming van de publieke opinie over de verdachten en de zaak Marengo. De rechtbank zal hierna verder uiteenzetten dat en waarom dit in haar ogen niet leidt tot strafmindering.
3.6.3
Lekken van processtukken
3.6.3.1 Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op het lekken van processtukken naar de media. Zij heeft in dit verband gesteld dat het dossier in het onderzoek Koper, met daarin onder andere een ‘dodenlijst’ van [verdachte] , naar de media is gelekt in de periode waarin dat onderzoek liep. Verder heeft zij opgemerkt dat Het Parool in de periode dat het onderzoek Marengo liep (al) over een lijst beschikte van acht moorden en vier moordplannen van [verdachte] waarover de kroongetuige in zijn kluisverklaringen had verklaard, nog voordat de verdediging en de rechtbank daarover beschikten. Zij heeft daarvan aangifte gedaan. Ook heeft zij gewezen op het proces-verbaal 26Koper dat volgens de verdediging al enkele weken voordat het aan de rechtbank en verdediging was verspreid, naar diverse media was gelekt. Een specifiek voorbeeld van lekken is verder, volgens de verdediging, het lekken uit de EBI. Aanwijzingen daarvoor zijn onder andere de uitlatingen van journalist [naam journalist] en Kamerlid [naam Kamerlid] over de berichten via e-mates en de vermeende contacten en briefwisseling tussen [verdachte] en [betrokkene 24] Ook is er vanuit de EBI geheimhouderscommunicatie gelekt, zoals volgt uit een artikel van journalist [naam journalist] over EBI-bewaarders die geconstateerd zouden hebben dat als een van de raadslieden om 16:00 uur naar de EBI belt, de advocatentelefoon op speaker wordt gezet en er derden deelnemen aan het gesprek.
Ten slotte heeft de verdediging in dit verband gewezen op de aanhoudende negatieve berichten in de richting van [verdachte] die – zo begrijpt de rechtbank de stelling van de verdediging – ook het gevolg moeten zijn van lekken aan de media. Daarbij is gewezen op de uitlatingen van Kamerlid [naam Kamerlid] over de detentieomstandigheden van [betrokkene 16] in relatie tot [verdachte] en de publicatie van artikelen van journalist [naam journalist] over het veronderstelde verblijf van [verdachte] in Iran, waar [verdachte] bescherming zou genieten, terwijl hij in werkelijkheid in Dubai verbleef. Het gevolg van deze publicaties was dat Dubai dacht dat [verdachte] banden heeft met Iran, een land waarmee de VAE in staat van conflict verkeert. Ook heeft de verdediging gewezen op de mediaberichten over de bedreigingen aan het adres van prinses [naam prinses] en premier [naam premier] , waar [verdachte] ten onrechte mee in verband is gebracht. Zelfs nadat journalist [naam journalist] hierover heeft gezegd dat niet werd gedoeld op [verdachte] in relatie tot deze bedreigingen, is dit blijven ‘hangen’ en heeft het voor [verdachte] onder andere tot gevolg gehad dat hij niet meer mocht bellen met zijn familie, aldus de verdediging. Ook de verdediging van [medeverdachte 7] heeft gesteld dat uitlatingen in de media gedaan konden worden omdat er processtukken zijn gelekt.
3.6.3.2 Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat er gedurende dit proces aanwijzingen waren dat journalisten al beschikten over (informatie uit) processtukken voordat deze stukken aan de rechtbank en de verdediging waren verstrekt. Ook is al overwogen dat zij onder ogen heeft gezien dat publicaties in de media (mede) gebaseerd kunnen zijn geweest op informatie van (anonieme) bronnen binnen politie en/of justitie.
Conclusie
De rechtbank heeft op de verzoeken beslist op 27 december 2023.191
Oordeel van de rechtbank
Kern van de grieven van de voormalige raadslieden is dat zij vanaf het moment dat zij zich hebben gesteld onvoldoende tijd en faciliteiten hebben gekregen om een adequate verdediging te kunnen voeren en dat de zaak had moeten worden afgesplitst om [verdachte] een eerlijk proces te geven. Hiermee miskent de verdediging echter dat zij zich, op het moment dat zij zich stelden, dienden te verhouden tot de stand waarin het geding zich toen bevond. Mr. [advocaat 7] had al zeer uitgebreid gepleit en – na de repliek van het Openbaar Ministerie – ook al gedupliceerd. Wat nog open stond waren de op de dag van de dupliek geformuleerde (nieuwe) onderzoekswensen rondom [betrokkene 25] De nieuwe verdediging heeft over deze kwestie op de zitting standpunten kunnen innemen en verzoeken kunnen doen en de rechtbank heeft vervolgens gemotiveerde beslissingen gegeven op deze verzoeken. Daarbij mocht ook verwacht worden dat de verdediging ondanks haar kennisachterstand in staat was om over deze kwestie het debat te voeren. De verzoeken rondom [betrokkene 25] hielden immers geen enkel verband met het strafdossier, maar waren ingegeven door uitlatingen in de strafzaak tegen [betrokkene 25] , waar de verdediging – in de persoon van mr. [advocaat 8] , de voormalig raadsman van [betrokkene 25] – bijzondere kennis van droeg. De omstandigheid dat de verdediging zich niet in de uiteindelijke beslissingen van de rechtbank kan vinden, maakt niet dat [verdachte] geen eerlijk proces heeft gehad.
Met een dupliek op 19 april 2023 en een geplande vonnisdatum op 27 februari 2024 is het uiteraard denkbaar dat zich majeure gebeurtenissen voordoen in de strafzaak waarover de verdediging zich moet kunnen uitlaten, maar dat zij daar nog niet toe in staat kan worden geacht, omdat dit niet kan zonder een grondige dossierkennis. In dat geval was afsplitsing van de zaak van [verdachte] of uitstel van alle vonnissen in de zaak Marengo onafwendbaar geweest. Een dergelijke situatie heeft zich echter niet voorgedaan. De summiere aanvulling op het dossier voor de zitting van 14 juli 2023 was in ieder geval niet een dergelijke gebeurtenis. Dit betrof vooral stukken uit de (persoons)dossiers van medeverdachten, die voor de volledigheid in de dossiers van alle verdachten zijn gevoegd. Deze stukken zijn overwegend al voor 19 april 2023 verstrekt, toen mr. [advocaat 7] de verdediging nog voerde. Voor zover deze aanvulling al nieuwe stukken bevatte, heeft de verdediging ruimschoots de gelegenheid gehad om hierover een standpunt in te nemen. Ook de inhoud van de (uitvoerings)stukken van de autoriteiten van de VAE die op 4 december 2023 zijn verspreid zijn niet te beschouwen als een dergelijke majeure gebeurtenis. Ze zijn qua omvang gering en hebben betrekking op een zeer afgebakend onderwerp, namelijk het bij [verdachte] ontstane letsel en zijn overbrenging naar Nederland. De rechtbank kan niet inzien dat de verdediging tot 21 december 2023 onvoldoende tijd had om hierover een standpunt in te nemen of onderzoekswensen in te dienen. De verdediging heeft dit laatste ook gedaan.
Op 17 januari 2024 heeft het Openbaar Ministerie – op een moment dat [verdachte] geen rechtsbijstand meer had – enkele nieuwe stukken aan de rechtbank gestuurd ter voeging in het procesdossier. Op 6 februari 2024 heeft de rechtbank een zitting gehouden in de zaken van alle verdachten om met de procespartijen over deze nieuwe stukken te spreken. [verdachte] is daar niet verschenen, maar heeft wel via mr. [advocaat 8] in een e-mailbericht laten weten dat hij een evident belang heeft bij onderzoekswensen en om zich daarbij aan te sluiten, maar dat hij geen advocaat heeft die zijn belangen effectief kan behartigen en het ook praktisch onmogelijk is om dat te regelen. Om aanhouding heeft hij niet gevraagd. Dat deze stukken worden gevoegd op een moment dat [verdachte] verstoken is van rechtsbijstand is op zichzelf een onwenselijke situatie, maar deze wordt veroorzaakt doordat de raadslieden na overleg met [verdachte] de verdediging hebben neergelegd en doordat [verdachte] heeft aangegeven dat hij geen andere raadslieden wil tijdens de verdere procedure bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 8 februari 2024 in de zaken van alle verdachten besloten dat zij – gelet op het moment van voeging, zo kort voor de geplande uitspraakdatum – in de eerste aanleg de nieuwe stukken niet zal gebruiken als bewijsmiddel. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat [verdachte] niet in zijn belangen is geschaad en dat zijn recht op een eerlijk proces niet het in geding komt.
Conclusie
Ook blijkt het uit een bericht van 777777z dat [medeverdachte 7] op 23 mei 2016 doorstuurt aan [medeverdachte 13] met de begeleidende tekst ‘dit is wat ik van die kleine krijg’.198 Aangezien ‘kleine’ een bekende benaming voor [verdachte] is, biedt dit verdere steun aan de identificatie van de bij [medeverdachte 7] opgeslagen gebruikersnaam. In het bericht van 20 mei 2016 van [verdachte] (vanaf het e-mailadres 26c709@activeshield.net) aan [medeverdachte 11] ziet de rechtbank verdere bevestiging dat [medeverdachte 7] [verdachte] onder de gebruikersnaam 777777z heeft opgeslagen.199 Dit bericht luidt:
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
12:06
26c709@
activeshield.net
kmqt639k@
pgpsafe.net
( [medeverdachte 11] )
FW: Steen [05/20/2016 @ 2:2 pm]
Zo grote bus mercedes sprinter of vw kraffter wel hele grote witte
------Origineel bericht------
Van: 777777 19 03
Onderwerp: <$RemoveOnDelivery,Confirm> B33AQ
Verzonden: 20 Mei 2016 13:46
Wat voor busje en waren het mocros? Of blackas?
De rechtbank begrijpt uit dit bericht dat [verdachte] het antwoord van [medeverdachte 7] , op zijn vraag over het busje dat [medeverdachte 7] heeft gezien, doorstuurt aan [medeverdachte 11] . Dat in dit specifieke bericht van 19:03 uur 777777, dus zonder de letter z achter de zevens, genoemd staat als naam van de afzender maakt dat niet anders. Het kenmerkende zijn immers vooral de zevens. De berichten van [verdachte] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 11] die dag tussen 12:01:11 uur en 12:13 uur laten geen ruimte voor een andere uitleg dan dat dit ook [verdachte] is. Ook [medeverdachte 6] gaat er in zijn verklaring200 geconfronteerd met deze berichten, van uit dat het bij de berichten van de 777777z gaat om berichten afkomstig van [verdachte] , zij het dat [medeverdachte 6] zegt dat [verdachte] een bericht van ‘meneer 777777z’ doorstuurt en daarmee over het hoofd ziet dat, zoals uit het proces-verbaal van identificatie wel blijkt, het hier gaat om een gebruikersnaam die [medeverdachte 7] aan [verdachte] heeft gekoppeld.
- 0 al4h68280@ennetcom.biz,201 gebruikt in januari 2016;
- 678 x35054d@ennetcom.com, gebruikt in augustus 2015, en kz75579ds7@ennetcom.com,202 gebruikt in september 2015;
De verdediging stelt over deze identificaties dat ze alleen gebaseerd zijn op doelredeneringen. Daarbij wijst ze op een onjuiste trouwdatum van 28 augustus die in de berichten naar voren komt en waarover dan wordt geverbaliseerd dat dit kan aansluiten bij een mogelijk islamitisch huwelijk dat vooraf zou zijn gegaan aan het burgerlijk huwelijk in september. Dit kan echter niet omdat de wet voorschrijft dat een burgerlijk huwelijk vooraf moet gaan aan religieus huwelijk, aldus de verdediging.
De rechtbank neemt de berichten over de huwelijksdatum niet mee bij de vaststelling dat de adressen aan [verdachte] kunnen worden toegerekend. Op basis van de overige inhoud, waaronder de namen van familieleden, stelt de rechtbank vast dat deze adressen aan [verdachte] kunnen worden toegerekend. De berichten omtrent de huwelijksdatum zijn daarbij geen harde contra-indicatie voor de identificatie van deze adressen, nu de huwelijksduur wel overeenkomt.
- 64 l55w9x0q@ennetcom.biz, gebruikt in juli en augustus 2015, en propane@pgp-crypto.li;203
- kf86z2f97d@ennetcom.com,204 gebruikt in 2015;
- jh582y25i1@ennetcom.com,205 gebruikt in februari 2015;
- 1 p9969l776@ennetcom.com,206 gebruikt in oktober en november 2015;
- a24b74@activeshield.net (hierna ook: a24b),207 gebruikt in januari 2017;
- 6151 a5328p@ennetcom.com,208 gebruikt in april 2016;
- Time will tell;
Verder stelt de rechtbank vast dat [verdachte] ook bekend is onder de naam ‘time will tell’. [medeverdachte 6] heeft op 26 januari 2017 verklaard dat hij van [medeverdachte 7] PGP-berichten van [verdachte] kreeg doorgestuurd. Aan onder andere de naam ‘time will tell’ die bij dat doorstuurbericht stond vermeld kon hij zien dat het van [verdachte] afkomstig was. [medeverdachte 6] zegt dat hij sowieso deze maand nog een berichtje heeft ontvangen met die naam erboven.209 Ook op 31 januari 2017 verklaart hij dat e-mails via de PGP werden doorgestuurd en dat als een doorstuurbericht de naam ‘time wil tell’ vermeldde, dat dat dan [verdachte] was.210 De verklaring over deze bijnaam vindt bevestiging in de PGP-berichten die in verband staan met zijn verklaringen over zaaksdossier Roos/Doorn. De rechtbank wijst in dit verband op de kluisverklaring van [medeverdachte 6] waar hij onder andere verklaart dat hij op 12 januari 2017 met [medeverdachte 7] had afgesproken en met hem heeft besproken wat [verdachte] heeft gezegd. [verdachte] wilde de tussenpersoon uitschakelen die het bij de liquidatie van [slachtoffer 4] gebruikte voertuig had geleverd. [medeverdachte 6] verklaart dat hij daarop heeft gezegd dat dat geen zin meer had omdat de tussenpersoon zijn naam al had verraden. [verdachte] heeft ook gezegd dat als [medeverdachte 6] voor problemen zou zorgen, ze hem ( [medeverdachte 6] ) ook zouden pakken.211Deze verklaringen van [medeverdachte 6] worden bevestigd in de navolgende berichten van 12 en 14 januari 2017 waarbij zichtbaar is dat [medeverdachte 7] een bericht doorstuurt van de afzender ‘time will tell’.212 De rechtbank stelt dan ook vast dat ‘time will tell’ een bijnaam is van [verdachte] .
12 januari 2017
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
18:06
[medeverdachte 7]
[medeverdachte 4]
Hy moet zeggen jongen van [betrokkene 26] neef van [betrokkene 27] neus broer anders zeg my laat ik hem vandaag zometeen direct slapen
18:10
[medeverdachte 7]
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 6]
18:13
[medeverdachte 7]
[medeverdachte 4]
Vraag hem of we die tussen persoon moetten opruimen
18:14
[medeverdachte 7]
[medeverdachte 4]
TIME WILL TELL..... [01/12/2017 @ 7:13 pm]
En die [medeverdachte 6] moet de waarheid vertellen aan hun! Dat hij die auto aan hun heeft verkocht in A'dam
14 januari 2017
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
19:28
[verdachte]
[medeverdachte 4]
Hy weet ga iedereen van hem laten slapen als die my naam heeft genoemt grote heeft hem heeel goed gesproken en nu stiekem my naam noemen zieke honden
- Enemy for motherfuckers
De rechtbank stelt vast dat met de benaming Enemy for motherfuckers [verdachte] wordt aangeduid. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 12] en [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10] ) deze benaming opslaan voor een van hun contacten.
Dictum
De rechtbank moet zich dus al in het kader van de voorvragen (mede) een oordeel vormen over haar eigen beslissingen in Marengo en de wijze waarop deze zijn gemotiveerd.
Namens diverse verdachten is betoogd dat om meerdere redenen sprake is van vormverzuimen, die ieder voor zich maar ook in samenhang bezien en bij elkaar opgeteld (primair) moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Verdedigingen hebben zich over en weer bij elkaars verweren aangesloten. Het gaat dan onder andere om verweren in het kader van het PGP-bewijs, de rechtmatigheid van de overeenkomst met de kroongetuige en de verweren in het kader van de gestelde publieke berechting. De door de verdediging van [verdachte] gevoerde verweren, waaronder ook vallen de verweren waarbij namens hem is aangesloten, zullen in het navolgende worden besproken. De rechtbank zal daarbij beoordelen of sprake is van de door de verdediging gestelde vormverzuimen, en zo ja, of deze leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In het voorkomende geval zal de rechtbank beoordelen of een eventueel ander, minder zwaar, rechtsgevolg aan een geconstateerd vormverzuim verbonden zal moeten worden. De rechtbank zal voorts nagaan of een eventuele opeenstapeling van vormverzuimen die op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden, in samenhang bezien wel dienen te leiden tot het oordeel dat geen sprake (meer) is van een eerlijk proces.
3.2
De kroongetuige
3.2.1
Inleiding
In dit onderdeel zal de rechtbank de rechtmatigheid beoordelen van de overeenkomst die de Staat der Nederlanden heeft gesloten met [medeverdachte 6] als kroongetuige en daarnaast een oordeel geven over de betrouwbaarheid van de verklaringen die hij heeft afgelegd.
De rechtbank zal eerst de totstandkoming van de overeenkomst met [medeverdachte 6] beschrijven. Daarna zal zij de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen. Vervolgens komen de verweren aan bod die de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 6] betwisten. Hoewel de door de verschillende verdachten gevoerde verweren niet geheel overeenkomen en niet alle verdachten zich over en weer bij alle verweren hebben aangesloten, zal de rechtbank ze gezamenlijk bespreken, ook in de vonnissen van de verdachten namens wie geen verweer gevoerd is.
Het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigenovereenkomst ligt op grond van de wettelijke regeling primair bij de rechter-commissaris. Maar als de rechtmatigheid van deze overeenkomst uitdrukkelijk onderbouwd door de verdediging wordt bestreden, moet de rechtbank – als zij oordeelt dat de overeenkomst wel rechtmatig is – de redenen geven die daartoe hebben geleid (artikel 359 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)).
De rechtbank dient te beoordelen of de overeenkomst met [medeverdachte 6] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en/of de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst – in het licht van de gevoerde verweren – binnen de grenzen van het recht is gebleven.
3.2.2
Totstandkoming van de overeenkomst
[medeverdachte 6] is op 14 januari 2017 met een vuurwapen in Amsterdam aangehouden en vervolgens in voorlopige hechtenis genomen. Dit was een vooropgezet plan, waarover hij met zijn raadsman had overlegd. Na zijn aanhouding heeft hij verteld dat hij klem zat tussen twee groeperingen – de familie [slachtoffer 4] en de groepering rond [verdachte] –, dat hij zelf betrokken was geweest bij verschillende liquidaties en dat hij bereid was daarover verklaringen af te leggen. In de dagen daarna hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [medeverdachte 6] , bijgestaan door zijn raadsman, het Team Bijzondere Getuigen (TBG) en de aan dat team verbonden officier van justitie (de TBG-officier van justitie). In die gesprekken heeft [medeverdachte 6] gemeld over welke levensdelicten hij zou kunnen verklaren en zijn de voorwaarden voor het afleggen van kluisverklaringen besproken. Uiteindelijk heeft hij tussen 26 januari 2017 en 18 mei 2017 in totaal 41 kluisverklaringen afgelegd. In de maanden daarna heeft een verificatieonderzoek naar deze verklaringen plaatsgevonden.
In september 2017 is [medeverdachte 6] als verdachte aangemerkt in het onderzoek Roos en in zijn cel aangehouden. Deze aanhouding was niet gebaseerd op de kluisverklaringen van [medeverdachte 6] (die immers nog in de kluis lagen), maar op andere onderzoeksbevindingen. In november 2017 heeft [medeverdachte 6] een voorovereenkomst ondertekend. Op 20 december 2017 heeft het College van procureurs-generaal toestemming gegeven voor de voorgenomen overeenkomst. Op 27 december 2017 heeft [medeverdachte 6] een overeenkomst gesloten met de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door een officier van justitie, nadat de rechter-commissaris op dezelfde datum deze overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en [medeverdachte 6] had getoetst en rechtmatig had bevonden. De rechter-commissaris heeft deze beslissing op 29 december 2017 schriftelijk vastgelegd en ondertekend. De ondertekende overeenkomst is tekstueel gelijk aan de voorovereenkomst.
In de overeenkomst verbindt [medeverdachte 6] zich om als getuige verklaringen af te leggen met betrekking tot een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (hierna: de dealfeiten) en doet hij afstand van zijn verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Sv. Daarnaast verklaart [medeverdachte 6] dat de inhoud van zijn kluisverklaringen naar zijn beste weten volledig op waarheid berust. De officier van justitie verbindt zich om bij onverkorte nakoming door [medeverdachte 6] de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten te zullen stellen op twaalf jaren gevangenisstraf. Daarbij verklaart de officier van justitie dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige is, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van vierentwintig jaren zou inhouden.
In de overeenkomst is vastgelegd dat [medeverdachte 6] wordt vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan) en voorbereiding voor deze moord, het medeplegen van de moord op [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan, meer subsidiair voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 12] (hierna: [betrokkene 12] )), het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 11] (hierna: [betrokkene 11] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan en – de rechtbank begrijpt, meer subsidiair – voorbereidingshandelingen voor die moord) en de deelname aan een criminele organisatie die in het bijzonder tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties.
[medeverdachte 6] is na het sluiten van de overeenkomst nog tientallen keren, vaak hele dagen lang, verhoord. Vanaf maart 2018 is hij intensief verhoord door de (tactische) recherche. Op de terechtzitting van 11 juli 2019 is er een eerste gelegenheid geweest voor de verdediging om [medeverdachte 6] vragen te stellen. Verspreid over het eerste half jaar van 2020 is hij vervolgens veertien dagen verhoord door de rechter-commissaris, waarbij de verdediging hem voor het eerst uitgebreid vragen kon stellen. Vanaf december 2020 is [medeverdachte 6] meermaals ter terechtzitting verhoord, eerst door de rechtbank en vervolgens door diverse advocaten. Het laatste verhoor ter terechtzitting vond plaats op 6 februari 2024, in de zaak van [medeverdachte 7] .
Beoordeling
Deze gevallen komen voor zover nodig in die zaaksdossiers aan de orde. In voorkomende gevallen wordt in de processen-verbaal van identificatie verantwoord op basis waarvan is geconcludeerd dat een e-mailadres op een volgende gebruiker is overgegaan.
Op basis van het dossier heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat gewisseld werd van gebruiker zonder dat dit kenbaar werd gemaakt aan de andere deelnemer aan een gesprek. Dat ligt ook voor de hand: het zou immers ernstig afbreuk doen aan het vertrouwen van de andere deelnemers aan de versleutelde communicatie als zij het risico zouden lopen dat hun berichten onbedoeld bij derden terecht zouden kunnen komen. Dat geldt temeer nu de gesprekken in het dossier Marengo veelal zien op (voorbereidingen van) liquidaties. In het verlengde hiervan ligt ook niet voor de hand dat een derde gebruik maakt van een PGP-toestel van een ander zonder dat de eigenlijke gebruiker dat weet, en al helemaal niet dat die derde dan communiceert over (voorbereidingen van) liquidaties. Al met al brengt dit de rechtbank ertoe om, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uit te gaan dat als een PGP-account aan een geïdentificeerde persoon kan worden gekoppeld, de berichten van dat account ook door die persoon zijn verzonden of ontvangen.
3.3.7.2.7 Yüksel Yalçinkaya tegen Turkije
De rechtbank heeft zich rekenschap gegeven van het na de dupliek van de verdediging gewezen arrest van het EHRM van 26 september 2023 in de zaak Yüksel Yalçinkaya tegen Turkije, waarin het EHRM oordeelt dat artikel 6 EVRM is geschonden.82 Dit arrest geeft de rechtbank evenwel geen aanleiding om anders te oordelen over de geboden inzage- en controlemogelijkheden voor de verdediging in relatie tot het recht op een eerlijk proces. Daartoe is redengevend dat het EHRM in dat arrest expliciet heeft overwogen – kort gezegd – dat de omstandigheid dat het bewijs ziet op versleutelde elektronische data geen aanleiding is om een andere toets toe te passen in het licht van artikel 6 EVRM dan de toets die het steeds heeft aangelegd.83Ook waar het gaat om het niet aan de verdediging verstrekken van alle brondata verwijst het EHRM naar zijn eerdere jurisprudentie.84 Bovendien verschillen de feitelijke vaststellingen in die Turkse zaak zodanig van de feiten in Marengo dat een vergelijking niet opgaat. De rechtbank wijst er onder andere op dat de klager in die Turkse zaak geen toegang had tot gegevens die specifiek op hemzelf betrekking hadden, dat dit (ByLock-)bewijs van doorslaggevend belang was voor de veroordeling en klager geen reële mogelijkheid had om het bewijs te betwisten. Ook was de Turkse rechter niet ingegaan op de verweren van klager over de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de gegevens. Die omstandigheden doen zich in Marengo – zoals hiervoor uiteen is gezet – niet voor. Zo heeft de verdediging wél inzage in de Marengo-dataset, hebben de raadslieden de ‘eigen lijnen’ op een laptop verstrekt gekregen, kan de verdediging desgewenst bij het NFI met Hansken in de Marengo-dataset zoeken en heeft zij gedurende dit proces verzoeken met betrekking tot dat PGP-bewijs kunnen doen en daaromtrent verweren kunnen voeren, waarop de rechtbank steeds gemotiveerd heeft beslist.
3.3.8
Voorwaardelijke verzoeken
3.3.8.1 Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU
De verdediging heeft voorwaardelijk, namelijk indien de verdediging niet wordt gevolgd in een of meerdere van de door haar ingenomen standpunten over de uitleg en schending van het Unierecht met betrekking tot de verkrijging en verwerking van de PGP-data, dan wel als wordt volstaan met constatering van een vormverzuim, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU, met het verzoek aan het Hof om de zogenoemde versnelde procedure (een procedure préjudicielle accélérée, PPA) toe te passen. Daartoe stelt de verdediging een aantal concreet geformuleerde vragen voor.
De rechtbank komt gelet op voorgaande beslissingen toe aan de beoordeling van dit verzoek. De rechtbank heeft hiervoor uiteengezet dat zij de verdediging niet of niet steeds geheel volgt in haar standpunten over gestelde schendingen van Unierecht en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen. Het antwoord op de te stellen vragen ligt echter naar het oordeel van de rechtbank al besloten in de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU zoals die eerder is besproken. De rechtbank acht zich dan ook voldoende voorgelicht en wijst het verzoek daarom af.
3.3.8.2 Aanhouden van de zaak
De verdediging heeft bij dupliek aan haar voorwaardelijk verzoek het subsidiaire verzoek toegevoegd dat als de rechtbank het (nog) niet noodzakelijk acht zelf prejudiciële vragen te stellen, de zaken van verdachten aan te houden tot na de beslissing van het Hof van Justitie EU op de prejudiciële vragen van het Berlijnse gerecht van 19 oktober 2022. Die vragen zijn vooral relevant voor de vraag of uit het Unierecht, in het bijzonder uit het doeltreffendheidsbeginsel, volgt dat schendingen van het Unierecht – samengevat – ook bij ernstige strafbare feiten niet geheel zonder gevolgen mogen blijven en ten minste gevolgen moeten hebben voor het bewijs of de op te leggen straf.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Europese jurisprudentie, ook die waarin het doeltreffendheidsbeginsel een rol speelt. Daarover acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht. De omstandigheid dat een ander, niet Nederlands gerecht (mede) over dat onderwerp prejudiciële vragen heeft gesteld, geeft de rechtbank geen aanleiding de zaken aan te houden in afwachting van die beantwoording. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachten in deze zaak zich al zeer lange tijd in (geschorste) voorlopige hechtenis bevinden en voor hen van belang is dat de zaken thans worden afgerond.
3.3.8.3 Overige voorwaardelijke verzoeken
De verdediging heeft voorts voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechtbank tot enige bewezenverklaring zal komen, verzocht om alle Ennetcom- en PGP-safe-data die met de rechtshulpverzoeken aan Canada en Costa Rica zijn verkregen op toegankelijke wijze verstrekt te krijgen en daar het Openbaar Ministerie opdracht toe te geven. Daarnaast is voor dat geval verzocht (alsnog) de volgende personen als getuige te horen/als deskundige te benoemen:
1. betrokkene 17]2. [betrokkene 18]
3. [ naam deskundige 2] of een andere direct bij de werking en ontwikkeling van Hansken betrokken deskundige (van het NFI)4. Dr. [naam deskundige 1]
5. Onafhankelijke deskundigen teneinde te onderzoeken:
- De effectiviteit, waaronder ook de betrouwbaarheid, van de methode om middels
zoekwoorden een selectie van de brondata te maken in het kader van waarheidsvinding;
- Of voldoende is voorzien in controle op betrouwbaarheid van onderliggende brondata;
- Of Hansken voldoende stabiel is, loggegevens en versies qua instellingen en tools inzichtelijk zijn en resultaten van de inzet van Hansken voldoende correct, reproduceerbaar en controleerbaar zijn;
- Of sprake is of kan zijn van een effectieve mogelijkheid van tegenonderzoek omtrent de
verwerking van de Ennetcom- en PGP-safe-data middels de software van Hansken en de
ontwikkeling en toepassing van Hansken door de medewerkers van het NFI in dat kader;
- Of en zo ja welke nadelen voor de mogelijkheden van contra expertise het gevolg zijn van de keuzen om data in bulk te verkrijgen;
- Of de mogelijkheden voor het overzetten van resultaten uit Hansken naar het dossier
voldoende betrouwbaar en controleerbaar zijn;
- Of onafhankelijkheid van bejegening van de data gegarandeerd is;
- Of voldaan is aan eisen van het Hof van Justitie EU en het EHRM (op grond van de artikelen 7 en 8 EU Handvest en artikel 8 EVRM) over de bejegening van dergelijke data in bulk door mensen en technisch middel;
- Of de ten behoeve van het beroepsgeheim ingezette waarborgen voldoende effectief en
inzichtelijk zijn;
6.
Conclusie
Vast staat dit echter niet en waar dit aannemelijk is – bijvoorbeeld omdat de desbetreffende journalist met zoveel woorden in een artikel schrijft zijn informatie te hebben gekregen van dergelijke anonieme bronnen of door inzage in processtukken – dan is daarmee nog niet gezegd dat het Openbaar Ministerie daaromtrent een relevant verwijt kan worden gemaakt.
3.6.3.2.1 Lekken inzake Koper
Waar het gaat om het lekken naar de media van processtukken uit het onderzoek Koper in de periode dat die strafzaak speelde, ontgaat de rechtbank de relevantie voor de zaak Marengo. Voor zover de verdediging doelt op het in het Marengo-dossier gevoegde TCI-proces-verbaal van 4 april 2018 over ‘een lijst met informatie over de organisatie van [verdachte] en de betrokkenheid van deze organisatie bij diverse misdrijven’, welke lijst als bijlage bij dat TCI-proces-verbaal is gevoegd,183 heeft het Openbaar Ministerie uitgelegd dat het dit heeft gedaan zodat inzichtelijk is welke informatie destijds in het criminele milieu zou rondgaan. De inhoud van de lijst wijst erop dat er destijds in het criminele circuit veel (al dan niet juiste) informatie rondging. Dat (de informatie op) deze lijst door politie of justitie is gelekt staat dus bepaald niet vast.
3.6.3.2.2 Lekken inzake Marengo
De verdediging heeft op 31 mei 2019 aangifte gedaan van het schenden van ambtsgeheimen door – kort gezegd – de politie en/of het Openbaar Ministerie betrokken bij het onderzoek Marengo. De aanleiding daarvoor was een artikel in Het Parool van 29 mei 2019 waarin de journalist schreef dat de kroongetuige de organisatie van de voortvluchtige [verdachte] heeft beschuldigd van acht liquidaties en twee mislukte moordpogingen wat zou blijken uit de zinsnede: ‘uit een lijst die is opgenomen in zijn nog geheime kluisverklaringen, waarover het Parool beschikt. Die verklaringen worden een dezer dagen aan de verdachten verstrekt (...).’ Door de Rijksrecherche is vervolgens onderzoek verricht en de resultaten daarvan zijn verstrekt.184 Het onderzoek heeft, zo schrijft de hoofdofficier van justitie in zijn brief, niet tot een verdachte geleid en is afgesloten. Het onderzoek heeft, onder andere, uitgewezen dat het erg onwaarschijnlijk lijkt dat de journalist inzage heeft gehad in de verklaringen van de kroongetuige omdat er enkel wordt gerelateerd wat al eerder in de media is verschenen, de lijst verre van volledig is en de inhoud van het artikel van de journalist, voor zover het de zaak Tennis betreft, niet juist is. Mocht er al sprake zijn van schending van de geheimhoudingsverplichting, dan maakt de onbekendheid met het feit of en van wie de journalist informatie zou hebben verkregen in combinatie met het aantal personen dat op de hoogte kon zijn van (een gedeelte van) de verklaringen van de kroongetuige, de kans dat nader onderzoek zou leiden tot een persoon/verdachte nihil. Het achterhalen van de identiteit van de perso(o)n(en) van wie de journalist informatie mogelijk zou hebben gekregen is daarmee illusoir te noemen, aldus de hoofdofficier van justitie in de aangehaalde brief. De verdediging is vervolgens een artikel 12 Sv-procedure gestart, maar het beklag is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard.185De rechtbank leidt hieruit af dat een mogelijke schending van ambtsgeheimen niet licht is opgevat en is onderzocht, maar in dit geval niet heeft geleid tot de vaststelling dat sprake is van een dergelijke schending. De stelling van de verdediging dat de kring van personen die toegang had tot de kluisverklaringen zo groot is dat dit – zo begrijpt de rechtbank – op zichzelf al in strijd is met de te betrachten zorgvuldigheid, maakt dit niet anders, omdat hiervoor legitieme (onderzoeks)redenen kunnen zijn.
Ten aanzien van het gestelde voortijdig lekken naar de media van het proces-verbaal 26Koper geldt dat, ook als deze stukken aan de media zijn verstrekt, de rechtbank niet kan vaststellen hoe dit is gebeurd en daarmee niet kan vaststellen dat het Openbaar Ministerie daarvoor verantwoordelijkheid draagt.
3.6.3.2.3 Lekken inzake EBI en overig
De rechtbank kan hier betrekkelijk kort over zijn. Op basis van de aangehaalde artikelen lijkt het erop dat journalisten en politici bronnen hebben binnen detentielocaties en/of politie in brede zin. Het zou naïef zijn om te denken dat volledig kan worden voorkomen dat informatie bedoeld of onbedoeld wordt gelekt. Het is niettemin buitengewoon zorgelijk omdat het – en dat heeft de verdediging met verve betoogd – ertoe kan leiden dat het publiek verdachten al als schuldig beschouwt aan de strafbare feiten waarvoor zij in Marengo terechtstaan, maar ook aan allerlei andere strafbare feiten waar zij niet voor vervolgd worden. Voor die strafbare feiten geldt bovendien dat verdachten zelfs geen gelegenheid hebben zich in een strafrechtelijke procedure te verweren. Uit geen van de aangehaalde publicaties kan de rechtbank echter de conclusie trekken dat het Openbaar Ministerie een relevant verwijt kan worden gemaakt dat de media (mogelijk) informatie heeft gekregen van bronnen binnen detentielocaties en/of politie in brede zin.
3.6.3.2.4 Conclusie ten aanzien van lekken
Gezien de geschetste voorbeelden zijn er aanwijzingen dat er gelekt wordt naar de media. Dit is buitengewoon zorgelijk in verband met de onschuldpresumptie. Het leidt de rechtbank echter niet tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie hiervoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Deze publicaties hebben ook niet bijgedragen aan of invloed gehad op enig oordeel van de rechtbank bij de behandeling en de uitkomst van deze strafzaak.
3.6.4
Uitlatingen in strijd met de onschuldpresumptie
3.6.4.1 Door opvolgende ministers en Kamerleden
De verdediging heeft gewezen op vele voorbeelden waarin ministers en politici met name over [verdachte] , maar ook over [medeverdachte 7] spreken als ‘criminele kopstukken’, ‘grootste en gevaarlijke criminelen’ en ‘topcriminelen’ terwijl zij nog verdachten zijn. Dit is zorgelijk omdat daardoor bij het publiek de indruk kan ontstaan dat zij wel al schuldig zijn bevonden. De rechtbank is echter van oordeel dat deze uitlatingen – voor zover zij al raken aan de zaak Marengo – niet voor rekening en risico van het Openbaar Ministerie kunnen worden gebracht.
3.6.4.2 Door politiefunctionarissen en een officier van justitie
De verdediging wijst op publicaties in kranten waarin wordt geciteerd uit interviews met politievertegenwoordigers en waarin ‘bronnen binnen politie’ worden aangehaald. Ook is gewezen op het boek van een journalist met de titel ‘De drugsmaffia dicteert’, waarin een chef van de Amsterdamse recherche en een officier van justitie betrokken bij de zaak Koper worden geciteerd. Enkele citaten die de verdediging aanhaalt wekken zowel ten aanzien van [verdachte] als [medeverdachte 7] de indruk alsof al zou zijn vastgesteld dat zij leiding gaven aan een criminele organisatie. Echter, de rechtbank kan niet vaststellen wat de precieze bewoordingen zijn geweest in die desbetreffende interviews en/of in hoeverre nuancerende bewoordingen daarbij mogelijk zijn weggelaten. De verdediging verwijst op dit punt naar het genoemde boek en (het vierde deel van) de serie ‘De jacht op de mocromaffia’. Deze maken echter geen onderdeel uit van het procesdossier en de rechtbank heeft daarvan ook geen kennis genomen. Ook de meeste krantenartikelen maken geen deel uit van het dossier, voor zover zij niet zijn gevoegd bij de pleitnota of eenvoudig via een link in de pleitnota waren te vinden. De rechtbank moet in zoverre dan ook afgaan op wat de verdediging hierover heeft aangehaald. Ter illustratie wijst de rechtbank er in dit verband bovendien op dat zij in de aangehaalde citaten terugleest dat ook zou zijn gezegd dat ‘men bezig is het bewijs daarvoor rond te krijgen’ en ‘We proberen zicht te krijgen op de exacte rolverdeling en willen iedereen voor de rechter brengen’ en ‘(…) wijst alles op [verdachte] , maar het bewijs moet er wel zijn’.
Conclusie
Uit de zogeheten pin, behorend bij dit contact in de contactenlijst van [betrokkene 10] , blijkt dat deze pin in de telefoon van de zus van [betrokkene 16] is opgeslagen als PROBRI STITO NEW, een bekende bijnaam van [verdachte] . Bovendien wordt de gebruiker van het PGP-account Enemy for motherfuckers 1 in gesprekken tussen [betrokkene 5] (‘Kale new’) en [betrokkene 10] aangeduid als ‘Pat’, afgeleid van ‘Patron’, eveneens een bekende bijnaam van [verdachte] .213
4.2
Zaaksdossier Rudolf
4.2.1
Inleiding
Op 9 september 2015 rond 18:22 uur gaat de politie af op een melding over een schietincident in [woonplaats] . Ter plaatse treffen de verbalisanten een blauwkleurige Ford Ka aan. Op de bestuurdersstoel zien zij een man zitten met in zijn hoofd drie kogelwonden. Ook in zijn linker bovenarm zit een kogelwond.214 De man, [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), is overleden als gevolg van meerdere opgelopen schotverwondingen.215 Op de oprit worden vier kogelhulzen aangetroffen.216
Een fietser is getuige geweest van het neerschieten van [slachtoffer 1] . Deze getuige verklaart dat een kleine blauwe personenauto bezig was om in te parkeren toen een geheel in het zwart geklede persoon aan kwam lopen in de richting van de auto. Toen deze persoon de auto op ongeveer één meter was genaderd, richtte deze persoon een voorwerp op de bestuurder van de auto. De getuige hoorde drie korte harde knallen en zag vuurflitsen uit het voorwerp komen. Zij zag ook dat de bestuurder van de auto in elkaar zakte.217
Zaaksdossier Rudolf ziet naast de moord op [slachtoffer 1] ook op de voorbereiding van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in een pand van een spyshop te Nieuwegein (hierna: de spyshop) in de periode van 15 augustus 2015 tot en met 19 oktober 2015.
[verdachte] wordt vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] en voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen om een ontploffing in de spyshop teweeg te brengen.
De moord op [slachtoffer 1] is eerder onderzocht in het TGO-onderzoek Rudolf in het arrondissement Midden-Nederland. Dit onderzoek richtte zich op de uitvoerders van de moord. Voor zijn rol als spotter is [betrokkene 1] door de rechtbank Midden-Nederland onherroepelijk veroordeeld tot vijftien jaren gevangenisstraf voor medeplichtigheid in vereniging aan de moord op [slachtoffer 1] .218 [betrokkene 28] (hierna: [betrokkene 28] ) is onherroepelijk veroordeeld tot tien jaren en acht maanden gevangenisstraf voor het medeplegen van medeplichtigheid tot het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] .219
4.2.2
Standpunten
Volgens het Openbaar Ministerie kan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] en het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing bewezen worden verklaard.
De verdediging betoogt dat [verdachte] van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.
4.2.3
Voorgeschiedenis
Op 15 juli 2015 worden in het onderzoek Koper diverse verdachten aangehouden in verband met de voorbereidingen van het plegen van moord en het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid wapens. In de woning van een van de verdachten in het onderzoek Koper – [betrokkene 29] (hierna: [betrokkene 29] ) – wordt onder meer een notitieboekje met handgeschreven aantekeningen aangetroffen. Uit die administratie en het onderzoek blijkt dat er op 26 mei 2015 door verdachten in Koper – [betrokkene 30] (hierna: [betrokkene 30] ) en [betrokkene 31] (hierna: [betrokkene 31] ) – bij de spyshop twee bakensets en een alarmset zijn aangeschaft voor € 7.000,-.220
[slachtoffer 1] werkte bij de spyshop. Een van de eigenaren van de spyshop (hierna: spyshop-eigenaar 1) verklaart dat de Amsterdamse recherche bij de spyshop is geweest omdat een aantal maanden daarvoor mensen zijn gepakt met vuurwapens. Een van die personen had een tracker bij de spyshop gekocht. Hij denkt dat veel klanten (ten onrechte) denken dat [slachtoffer 1] de baas was van de spyshop omdat hij altijd achter de balie stond. Spyshop-eigenaar 1 is de zwager van [slachtoffer 1] en was vroeger rechercheur.221 De politie heeft met een vordering gegevens opgevraagd bij de spyshop waarna de desbetreffende factuur van de aanschaf op 26 mei 2015 van twee trackers en een alarmset ter waarde van circa € 7.000,- is verstrekt.222 Spyshop-eigenaar 1 overhandigt tijdens een aanvullend verhoor een SD-kaartje aan de politie waarop camerabeelden staan die vanuit de spyshop zijn gemaakt. Op de beelden is een visser te zien die met een verrekijker in de richting van de spyshop kijkt. De visser is hem opgevallen, hij heeft hem wel vier of vijf keer gezien.223
Een andere mede-eigenaar van de spyshop (hierna: spyshop-eigenaar 2) verklaart op 14 september 2015 dat hij de opnames van de visser heeft gemaakt op 10 augustus 2015 om 10:08 uur. Ze hebben de visser meerdere malen gezien. De laatste keer was een week of tien dagen geleden. De visser leek te sms-en met twee handen, alsof hij een BlackBerry gebruikte. Deze getuige verklaart dat hij in juli 2015 is gehoord door de politie in verband met een wapenloods en dat er ook administratie was gevorderd en overgelegd.224 Hij verklaart in een later verhoor ook dat [slachtoffer 1] werd betrokken bij het afrekenen van grotere bedragen en dat dit de indruk zou kunnen wekken dat zijn rol in de spyshop belangrijker was dan in werkelijkheid het geval was.225
De politie bekijkt de beelden van het filmpje van 10 augustus 2015 en herkent daarop [betrokkene 1] aan de hand van een politiefoto als de door de spyshop-eigenaren beschreven visser.226 Een andere verbalisant herkent [betrokkene 1] ook op het filmpje. Hij noemt ook contacten van hem, waaronder verdachten in het onderzoek Koper, te weten [betrokkene 31] en [betrokkene 30] .227
4.2.4
Onderzoek huurauto [betrokkene 1] en rijbewegingen Citroën C4 en Ford Ka
[betrokkene 1] huurt een witte Citroën C4 met kenteken [kenteken] van 7 september 2015 tot en met 10 september 2015.228 Hij wordt op 8 september 2015 in deze auto gecontroleerd.229 De auto zou tot 14 september 2015 gehuurd worden, maar wordt door de huurder eerder, namelijk op 10 september 2015, teruggebracht. Uit onderzoek blijkt dat deze auto na het ophalen op 7 september 2015 direct naar [woonplaats] , waar [slachtoffer 1] woont, rijdt. Op 8 september 2015 rijdt de Citroën in de omgeving van de spyshop te Nieuwegein en vervolgens weer naar de straat waar [slachtoffer 1] woont. Aan het einde van de middag is de Citroën weer in de omgeving van de spyshop. Zo ook in de ochtend van 9 september 2015 en aan het einde van die middag. Op camerabeelden van de spyshop is in de middag van 9 september 2015 (om 15:31 uur) een man met een hengel te zien, die aanwezig is tot het moment dat [slachtoffer 1] het pand verlaat om 17:33 uur. Op die beelden is ook te zien dat om 17:36 uur een witte, op de Citroën C4 gelijkende, auto voorbijrijdt op de – ten opzichte van de spyshop aan de overzijde van het water gelegen – Jutphasestraatweg richting de Graaf Florisweg. Op camerabeelden elders in Nieuwegein is te zien dat er om 17:38:25 uur een Ford Ka langs de spyshop rijdt en dat er om 17:38:46 uur een witte auto in dezelfde richting rijdt (vermoedelijk de Citroën). Op andere camerabeelden uit Nieuwegein is om 17:41:14 uur de Ford Ka te zien en om 17:41:21 uur de Citroën.
Dictum
Het dossier bevat in totaal ruim 3.000 pagina’s aan verhoren van [medeverdachte 6] .
3.2.3
Verweren betreffende de rechtmatigheid van de overeenkomst
Er zijn diverse verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 6] , omdat de overeenkomst met [medeverdachte 6] niet rechtmatig is.
Zo is aangevoerd dat de huidige toepassing van de kroongetuigenregeling, zoals door de Hoge Raad is goed gevonden in het Passageproces, niet juist is in het licht van de wetsgeschiedenis. Uitgangspunt van de kroongetuigenregeling is dat een kroongetuige geen koopgetuige mag zijn, maar in de huidige praktijk is de beschermingsovereenkomst een vrijplaats voor het geven van een financiële beloning in ruil voor verklaringsbereidheid. Enig rechterlijk toezicht ontbreekt, terwijl artikel 226j lid 3 Sv daarvoor wel een aanknopingspunt biedt. In deze zaak zijn er door de iPhone-berichten van [medeverdachte 6] sterke aanwijzingen dat er een toezegging is gedaan van een buitenproportionele beloning. Uit die berichten blijkt dat [medeverdachte 6] geld wil zien en zelf een causaal verband legt tussen dat geld en zijn verklaringen. Dat is in strijd met de bedoeling van de wetgever en daarmee in strijd met de wet en dus onrechtmatig.
Doordat de verdediging geen inzicht wordt verschaft in de financiële inhoud van de beschermingsovereenkomst, een rechter hier geen kennis van heeft kunnen nemen en de vragen aan de kroongetuige over zijn financiële verwachtingen werden belet, kan niet worden volgehouden dat de verdediging een redelijke gelegenheid heeft gehad om de wederrechtelijkheid van de afspraken met de kroongetuige, waaronder de mogelijkheid van de beïnvloeding van de betrouwbaarheid van die getuige door die overeenkomst, te presenteren. Dit is een schending van de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) vervatte ‘equality of arms’. Daar komt bij dat aannemelijk is dat de verklaringen van de kroongetuige, indien deze worden gebruikt, van doorslaggevend belang zullen zijn, maar er geen maatregelen zijn getroffen ter compensatie van het gebrek aan kennis van de verdediging over de totstandkoming van de overeenkomst.
Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat er aan [medeverdachte 6] ongeoorloofde toezeggingen zijn gedaan. Zo beweert hij zelf dat hem is toegezegd dat de straf die aan hem is opgelegd voor het wapenbezit op 14 januari 2017 op enigerlei wijze in de executiefase zou worden verdisconteerd in de aan hem op te leggen straf in de zaak Marengo. Als door het Openbaar Ministerie verdiscontering van de voornoemde straf is afgesproken, dan staat vast dat [medeverdachte 6] in strijd met de wet meer korting op zijn straf toegezegd heeft gekregen dan is toegestaan. Daarmee is in strijd met de wet gehandeld en derhalve is er wederom sprake van een schending van artikel 6 EVRM.
Ook het feit dat bij de strafeis rekening wordt gehouden met de inmiddels gewijzigde regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de v.i.-regeling) – waardoor netto slechts acht jaren gevangenisstraf resteert – levert volgens de verdediging een grotere korting op de straf op dan wettelijk is toegestaan. Daar komt bij dat de overeengekomen bruto-strafeis van vierentwintig jaren – vergeleken met de strafeisen in de zaken van de medeverdachten – al disproportioneel laag was. Bovendien is sprake van ontoelaatbare toezeggingen door [medeverdachte 6] niet te vervolgen in de zaken Zeilboot/Raspvijl en Orinoco, door hem niet te vervolgen voor Opiumwetdelicten, door het ongemoeid laten van het financiële voordeel (uit drugshandel, liquidaties, chantage en witwaspraktijken) en door de begunstiging van de levenspartner van [medeverdachte 6] . Dit geldt ook voor de keuzes die het Openbaar Ministerie gemaakt heeft bij het opstellen van de tenlasteleggingen van [medeverdachte 6] . Hij wordt in de zaak Kreta – anders dan zijn medeverdachten – niet vervolgd voor voorbereiding van de moord op de broers [betrokkene 8] en [betrokkene 7] en [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9] ), hoewel hij daartoe wel handelingen heeft verricht. In de zaak Roos/Doorn wordt hij de facto niet vervolgd voor voorbereiding van de moord op [betrokkene 12] , nu dit meer subsidiair ten laste is gelegd en daar dus niet aan toe gekomen zal worden.
Tot slot stelt de verdediging dat er een extra begunstiging zit in bepaling 4.2 van de overeenkomst, waarin staat dat als [medeverdachte 6] de overeenkomst niet is nagekomen, hij een redelijke termijn krijgt om dat alsnog te doen. Dit is een toezegging die buiten het kader van artikel 226g Sv valt. Daarmee is in strijd met de wet gehandeld en een onrechtmatige overeenkomst gesloten. Ook dit levert een schending van artikel 6 EVRM op.
3.2.4
Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overeenkomst
3.2.4.1 Onjuiste toepassing kroongetuigenregeling?
In de Passage-arresten van 23 april 2019 heeft de Hoge Raad de door het gerechtshof Amsterdam geschetste kaders waarbinnen de kroongetuigenregeling moet worden toegepast, bevestigd.4 Kern is volgens de Hoge Raad ‘dat toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuige geen onderdeel uitmaken van de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak en evenmin kunnen worden beschouwd als afspraken in de zin van art. 226g, vierde lid, Sv, zodat voor het openbaar ministerie geen verplichting bestaat dergelijke toezeggingen bekend te maken en deze ook geen voorwerp zijn van toetsing door de rechter-commissaris op de voet van art. 226g, derde lid, Sv of door de zittingsrechter’.5 Dat is de wettelijke regeling zoals zij op dit moment is. De omstandigheid dat er in de wetenschap en in de politiek af en toe gepleit wordt voor een aanpassing van de regeling en de invoering van een onafhankelijke toetsing van de op grond van artikel 226l Sv gesloten beschermingsovereenkomst, doet daaraan niet af. Voor een toetsing van de beschermingsovereenkomst door de rechter-commissaris biedt artikel 226j lid 3 Sv thans in ieder geval geen grondslag.6
Uitgangspunt van de kroongetuigenregeling is – daar heeft de verdediging gelijk in – dat de verklaring van de kroongetuige niet ‘gekocht’ mag worden. Anderzijds zullen de beschermingsmaatregelen die uiteindelijk worden getroffen veelal ook een financiële component bevatten. Een kroongetuige zal eenmaal op vrije voeten immers een nieuw bestaan moeten opbouwen en dat kost geld. De stelling van de verdediging dat er sterke aanwijzingen zijn dat er in het onderhavige geval sprake is van een koopgetuige en dat er (dus) een causaal verband is tussen de verklaringen van de kroongetuige (c.q. zijn verklaringsbereidheid) en een beloning, volgt de rechtbank echter niet. De rechtbank heeft kennisgenomen van de door de verdediging ingebrachte chats van de kroongetuige met familieleden, die zijn teruggevonden op de iPhone die hij in de periode september 2017 tot medio februari 2018 heimelijk in zijn cel heeft gehad. Op grond van die berichten lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat [medeverdachte 6] in het kader van de beschermingsovereenkomst zoveel mogelijk geld wilde ontvangen. Er is echter geen aanknopingspunt voor de stelling dat er vervolgens ook daadwerkelijk zulke hoge geldbedragen aan [medeverdachte 6] zijn toegezegd, dat die redelijkerwijs niet meer met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht.
Redengevend is daarbij dat de door de verdediging geciteerde berichten weliswaar duidelijk maken dat [medeverdachte 6] bepaalde financiële wensen heeft, maar dat nergens blijkt dat het Openbaar Ministerie deze wensen vervolgens ook heeft gehonoreerd. Verder dateren de berichten waarin [medeverdachte 6] zijn wensen aan zijn familieleden kenbaar maakt, voor een deel van januari 2018, dus van na het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst op 27 december 2017 verbond hij zich om verklaringen af te leggen.
Beoordeling
De Canadese rechter [naam Canadese rechter] van het Superior Court of Justice in Toronto, omtrent de uitleg van de door hem geformuleerde voorwaarden, zoals ten aanzien van het woord “for”
en het door hem bedoelde toezicht en de toestemming en welke data (omvang en aard) hij
meende te verstrekken aan Nederland;
7. De Costa Ricaanse rechter die over de uitvoering van het rechtshulpverzoek van het
Nederlandse Openbaar Ministerie aan de Costa Ricaanse autoriteiten heeft beslist omtrent
welke data (omvang en aard) hij meende te kunnen laten kopiëren voor en verstrekken aan
Nederland naar aanleiding van dat rechtshulpverzoek.
Omdat de rechtbank tot bewezenverklaringen zal komen, komt zij toe aan de beoordeling van deze verzoeken. De rechtbank wijst het verzoek tot verstrekking van alle brondata af omdat – zoals hiervoor gemotiveerd uiteen is gezet – de verdediging daar geen recht op heeft. Ook de verzoeken tot het horen van getuigen en het benoemen van deskundigen worden afgewezen. De rechtbank acht zich voldoende ingelicht op basis van de stukken, de uitvoerige behandeling op met name de speciaal voor dat doel gehouden PGP-regiezitting van 11 en 12 maart 2021 en de daarna nog gewisselde standpunten en toelichtingen ter terechtzitting. Van de noodzaak tot het horen van de door de verdediging verzochte personen is daarom niet gebleken. Om dezelfde reden is de rechtbank de noodzaak tot het benoemen van de verzochte deskundigen niet gebleken. De verzoeken worden afgewezen.
3.4
Dubai-observatie
3.4.1
Feitelijke gang van zaken
Op 17 juni 2019 komt bij het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) informatie binnen dat mr. [advocaat 4] op 19 juni 2019 met vlucht EK0148 om 15:20 uur naar Dubai zal vliegen en dat hij hoogstwaarschijnlijk daar de gezochte [verdachte] gaat ontmoeten. Het Openbaar Ministerie besluit naar aanleiding van deze informatie tot observatie van mr. [advocaat 4] op Schiphol en in Dubai.
Mr. [advocaat 4] is kortstondig geobserveerd op Schiphol en met een artikel 126ne Sv vordering zijn de gegevens uit het Travel Information Portal (TRIP) verkregen. Daaruit blijkt dat mr. [advocaat 4] inderdaad om 15:20 uur naar Dubai zal vliegen, met een terugvlucht op 23 juni 2019. Nadat op 19 juni 2019 op Schiphol blijkt dat hij in gezelschap is van mr. [advocaat 5] wordt besloten ook hem te observeren.
Uit het dossier maakt de rechtbank op dat via de liaison officer aan de autoriteiten van Dubai het verzoek is gedaan om mr. [advocaat 4] (en vervolgens ook mr. [advocaat 5] ) in Dubai te observeren. Aan de afdeling Interpol van het Criminal Investigation Department van de Dubai Police (hierna ook: Interpol Dubai Police) is meegedeeld dat mr. [advocaat 4] een advocaat is, maar niet de advocaat van [verdachte] , en dat het Nederlands recht zich niet verzet tegen deze inzet. Op 19 juni 2019 wordt een schriftelijk verzoek aan Interpol Dubai Police verstrekt inhoudend onder meer het verzoek tot 24-uurs observatie van mr. [advocaat 4] en zijn hotelgegevens, waaronder hotelgegevens waar hij mogelijk eerder heeft verbleven. Voorts wordt gevraagd om een regelmatige (om het half uur of bij elke start/stop van mr. [advocaat 4] ) update van de ontwikkelingen in Dubai, bijvoorbeeld cameraobservatie van een locatie/pand waarbij het vermoeden bestaat dat [verdachte] daar verblijft en het uitvoeren van alle opsporingshandelingen die leiden tot de aanhouding van [verdachte] .
Op 20 juni 2019 wordt door de Dubai Police in de lobby van het hotel een ontmoeting geobserveerd tussen mr. [advocaat 5] en een onbekend persoon (die later [betrokkene 19] (hierna: [betrokkene 19] ) blijkt te zijn). Van deze ontmoeting wordt een foto gemaakt die via de liaison officer bij de Nederlandse politie terechtkomt. Op 21 juni 2019 wordt door de Dubai Police een ontmoeting geobserveerd tussen mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] en [betrokkene 19] en een andere onbekende man met een bril en een pet. Ook van deze ontmoeting wordt een foto gemaakt die via de liaison officer bij de Nederlandse politie terechtkomt. Omdat de Nederlandse politie vermoedt dat de onbekende man [verdachte] is, wordt om zijn aanhouding gevraagd, maar de Dubai Police doet dit niet omdat zij onvoldoende overtuigd zijn dat dit [verdachte] betreft. De Dubai Police verstrekt ondanks verzoeken daartoe geen verslag van de observaties. Voor zover bij de Nederlandse politie bekend zijn er geen andere ontmoetingen door de Dubai Police geobserveerd.
Op 10 december 2021 zijn door middel van een rechtshulpverzoek tien gedetailleerde vragen aan de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) gesteld over de Dubai-observatie. Op 2 oktober 2023 wordt een antwoord gegeven, waarbij geen gedetailleerde informatie is verstrekt.
3.4.2
Verweren
De kern van de verweren van de verdediging van [medeverdachte 4] en die van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] is dat het (stelselmatig) volgen van de raadslieden onrechtmatig en in strijd met de beginselen van een goede procesorde is en een vormverzuim als bedoeld in 359a Sv oplevert, respectievelijk een bouwsteen is daarvoor. Deze verweren lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.4.2.1 Verweer in de zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte]
De verdediging stelt zich op het standpunt dat door het Openbaar Ministerie geheimhoudersrechten zijn geschonden door het zonder daartoe strekkende machtiging stelselmatig observeren van twee advocaten tot in Dubai in juni 2019. Een zorgvuldige belangenafweging over de doorbreking van hun beroepsgeheim is niet gemaakt, gelet op het gevaar dat uitging van de operatie voor mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] . Onduidelijk is gebleven welke waarborgen zijn bedongen in relatie tot hun veiligheid. Het Openbaar Ministerie neemt ten onrechte aan dat er geen sprake is geweest van stelselmatige observatie en heeft uit eigen beweging niets verantwoord in het dossier. De dwingend voorgeschreven procedures voor het schenden van geheimhoudersrechten zijn niet gevolgd. Een bevel tot gevangenneming voor [verdachte] is bovendien pas op 24 september 2019 verstrekt. Volgens de verdediging is daarmee sprake van ernstige verzuimen in het kader van het waarborgen van het beroepsgeheim en het belang van cliënten en eenieder om zich vrij van vrees voor openbaarmaking voor advies tot een professioneel verschoningsgerechtigde te kunnen wenden. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie herhaaldelijk willens en wetens, structureel en zelfs beleidsmatig in strijd met de fundamentele wettelijke rechtsbeginselen en normen gehandeld en dus in strijd met het recht van cliënten op vertrouwelijke en effectieve rechtsbijstand. Daarmee is het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM geschonden. Het Openbaar Ministerie heeft tevens ontoereikend gehandeld op het gebied van transparantie en de veiligheid van personen, hetgeen eveneens een schending van de artikelen 2, 3 en 6 EVRM met zich brengt.
3.4.2.2 Verweer in de zaak van [medeverdachte 4]
De verdediging voert aan dat de Dubai-observatie blijk geeft van een Openbaar Ministerie dat de pijlen is gaan richten op een aantal advocaten. De zeer onzorgvuldige en disproportionele wijze waarop dit is gedaan schendt de vrijheid en integriteit van de verdediging en wijst op kwade wil. Voor zover een belangenafweging heeft plaatsgevonden is deze onvolledig en onzorgvuldig geweest en de verdedigingsrechten van [medeverdachte 4] zijn ongerechtvaardigd geschonden. De feitelijke grondslag voor de observatie is onvoldoende en een juridische basis voor de inzet ontbreekt. Een zorgvuldige besluitvorming heeft niet plaatsgevonden en het overleg met de autoriteiten in Dubai was zeer beperkt. Er was geen enkel toezicht en geen enkele controle of invloed vanuit Nederland op de wijze waarop de Dubai Police de verzoeken zou uitvoeren, behalve toen Nederland in aanwezigheid van mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] de verkeerde persoon wilde laten aanhouden.
Conclusie
Dit wijst erop dat de geïnterviewden hebben gesproken over verdachten, maar daarbij wel nuances hebben aangebracht en (alleen) het beeld vanuit de opsporing hebben geschetst. Zoals uit de aangehaalde jurisprudentie van het EHRM volgt is de woordkeuze belangrijk voor de beoordeling van de vraag of uitlatingen in strijd zijn met de onschuldpresumptie. In dit geval staat juist de precieze woordkeuze en de context van de uitlatingen in de aangehaalde interviews voor de rechtbank niet vast, nog daargelaten dat het veelal niet gaat over de strafbare feiten waarvoor verdachten in Marengo worden vervolgd. De rechtbank ziet al met al dan ook niet in hoe het zaaks-Openbaar Ministerie een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de inhoud van deze publicaties.
3.6.4.3 Gevolgen voor detentie-omstandigheden [verdachte] en nieuwe regelgeving
De verdediging heeft gesteld dat [verdachte] in een strenger detentie-regime terecht is gekomen. Het Openbaar Ministerie heeft erkend dat ten aanzien van [verdachte] beperkende maatregelen zijn opgelegd. De rechtbank heeft echter geen enkele aanwijzing dat die maatregelen zijn opgelegd als gevolg van mediaberichtgeving, zoals de verdediging stelt. Het Openbaar Ministerie heeft erop gewezen dat de beperkende maatregelen zijn opgelegd door de directeur van de EBI en dat tegen beslissingen van de directeur de mogelijkheid bestaat van beklag bij de commissie van toezicht en beroep bij de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).
De aanpassing van de detentieregels en de nieuwe huisregels van de EBI gelden niet alleen voor [verdachte] maar voor alle EBI-verdachten en zijn, zo begrijpt de rechtbank uit de repliek van het Openbaar Ministerie, ook aan alle EBI-verdachten uitgereikt. De rechtbank is niet gebleken dat deze regels er zijn gekomen vanwege de media-aandacht voor de zaak Marengo. De directe aanleiding voor deze regels zijn de aangenomen moties van een Kamerlid waarin onder andere werd aangedrongen op – kort gezegd – maatregelen ter voorkoming van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Het lijkt er veeleer op dat deze regels zijn ingegeven door de verdenkingen tegen de voormalig advocaat van [verdachte] , [advocaat 6] , in het hiervoor al aangehaalde onderzoek Mandel.
3.6.4.4 Artikel op de website van het Openbaar Ministerie
De verdediging heeft bij dupliek gewezen op citaten uit een artikel op de website van het Openbaar Ministerie.186 Bij bestudering van dit artikel heeft de rechtbank geconstateerd dat het hier om een persbericht gaat dat is uitgebracht op de laatste dag van het requisitoir in de zaak Marengo, namelijk op 28 juni 2022. Hoewel in de kop van het bericht en in het bericht zelf onomwonden staat dat [verdachte] opdrachtgever is van alle moorden, pogingen moord en voorbereiding voor moord in de zaak Marengo en dat het daarbij niet alleen gaat om het laten doodschieten van slachtoffers, maar ook om het laten opblazen van auto’s en gebouwen met (vermoedelijk) mensen daarin, moet dit bericht in de context worden gezien van het toelichten door het Openbaar Ministerie op grond waarvan het tot zijn strafeis is gekomen. Dat staat namelijk ook met zoveel woorden in diezelfde kop: ‘Overwegingen OM voor de strafeis’. De rechtbank ziet het belang van uitleg van de eis op deze laatste dag van het requisitoir, zeker in een zaak van een omvang en met een (maatschappelijke) impact als deze. Voor de lezer is ook aanstonds duidelijk dat het hier de weergave betreft van het door het Openbaar Ministerie ingenomen standpunt ter zitting. De rechtbank heeft ook kunnen constateren dat het nieuwsbericht in grote lijnen overeenkomt met de bewoordingen in het afsluitende gedeelte van het requisitoir. De omstandigheid dat in het nieuwsbericht de meervoud-vermelding ‘gebouwen’ staat is hoogstens weinig zorgvuldig te noemen. De stelling dat het voor de verdediging niet duidelijk zou zijn waar het Openbaar Ministerie op doelt, volgt de rechtbank echter niet. In het requisitoir zelf staat immers in enkelvoud ‘gebouw’ en daarmee wordt duidelijk gerefereerd aan de aan [verdachte] ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor een aanslag op de spyshop.
3.6.4.5 Veroordeling voor bedreiging
Bij dupliek heeft de verdediging ook nog gewezen op een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 februari 2023187 waarin het gerechtshof een bedreiging (met enig misdrijf tegen het leven gericht) bewezen heeft verklaard omdat de verdachte in die zaak het desbetreffende slachtoffer dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Je moet maar oppassen, pas maar op met alles wat je doet, ik ben namelijk het neefje van [verdachte] .” De motivering van het gerechtshof houdt in: “Immers gelden naar het oordeel van het hof als feiten van algemene bekendheid dat [naam] als opdrachtgever met moorden in verband wordt gebracht, dat hij eind 2019 is uitgeleverd aan Nederland en sindsdien gedetineerd is en dat hij als verdachte betrokken is in het zogenaamde ‘[zaak]’ dat, kort gezegd, drugshandel en een reeks moorden tot onderwerp heeft.” Anders dan de verdediging kennelijk meent, behelst deze motivering geen uitlating in strijd met de onschuldpresumptie, omdat het gerechtshof niet stelt of suggereert dat vaststaat dat [verdachte] de feiten waarvan hij wordt verdacht heeft gepleegd.
3.6.6
Conclusie
Om 19:50 uur wordt de Citroën geparkeerd in de omgeving van het woonadres van [betrokkene 1] .230 Uit een telecomanalyse blijkt dat een onder [betrokkene 1] in beslag genomen telefoon in de periode van 7 september 2015 tot en met 9 september 2015 meerdere keren de locatie van de door hem gehuurde Citroën aanstraalt.231 [slachtoffer 1] rijdt op 9 september 2015 in een Ford Ka.232 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [betrokkene 1] achter [slachtoffer 1] aan is gereden.
4.2.5
Duiding van de PGP-berichten
Na de aanhoudingen in het onderzoek Koper op 15 juli 2015 is er berichtenverkeer tussen verschillende personen waaronder [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 1] en
[betrokkene 28] . In die berichten gaat het onder andere over de aanhouding in dat onderzoek van [betrokkene 29] , bijgenaamd ‘Devil’233 en [betrokkene 32] (hierna: [betrokkene 32] ), bijgenaamd ‘Boek’.234 De rechtbank acht de navolgende berichten relevant. De tijdsaanduiding van de hierna weergegeven berichten betreft steeds UTC-tijd.235 Als het exacte tijdstip relevant is zal de rechtbank dit in de tabel corrigeren met de zomertijd (+2 uur) die toen gold. Waar een dergelijke aanpassing wordt gedaan zal dit expliciet worden overwogen.
15 juli 2015
236
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
11:25
[verdachte]
[medeverdachte 3]
By devil en boek gaan ze niks vinden toch sir?
12:16
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 3]
Echt fucked up dus
14:48
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Sir allemaal top advos erop zetten
voor boek iedereen direct vandaag sir
16:36
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Sir by wie liggen die yzers die liggen toch by iemand thuis verstopt?? En stash bij wie stashen we??? Leg me uit?
16:45
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Sir laat ze zus nieuwe sleutels halen en met bus hele kluis weg daar anders hangen we!!! En waar zyn de vrouwen en assie??
16:54
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Die eigenaar van osso moet toch sleutels hebben sir??? Waar is eigenaar van osso???? Heb je devil ze zus al gestuurt om nieuwe sleutels te halen??
17:06
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Ok en laat zus van dev nieuwe pas en sleutel regelen dan regel ik grote bus en halen we kluis weg daar sir
17:25
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 3]
Welke box ?
17:27
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Ja sir begryp echt niet hoe jullie die pasje en sleutels by hem hebben kunnen laten echt geen begrip ervoor u weet hoe heet we zyn sir al weken maanden weet u hoeveel yzers daar liggen is echt geen woorden voor
17:29
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Nee nee nee sir sorry maar dit is zwaar te gek voor woorden echt te gek voor woorden iedereen weet hoe heet we zyn en dan pasje waar yzers liggen thuis !! En geen extra nood waar vrouwen en assie ligen dit is onbegrypelyk echt sir echt te erg gewoon!!!
17:35
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Wat een dodelyke fout echt dodelyk gewoon
17:40
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Ok relax sir insch'allah komt goed alleen nu belangrykste die bewys van vrouwen weg en die assie alles aan die rotje geven beste direct!
20:17
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Weet advo al van wat ze verdacht worden sir? En ze kunnen alleen box van devil hebben opengemaakt by ze ma en zussen zyn ze iet geweest anders hadden ze zus meteen inval gedaan sir
20:18
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Zeker sir we hebben geluk! Wanneer krygt ze sleutel van haar box?
20:19
[verdachte]
[medeverdachte 3]
We hebben wereld geluk nu snel die sleutel en kluis leeg in heb al waar alles heen kan sir!!
20:23
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Wie ze box is dat van devil 136??
21:03
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Sir laten we checken of ze yzers hebben gevonden zoniet direct weg!! En kluis van vrouwen kan je niet snachts kapot maken toch?
21:09
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Stash bus ook gepakt sir?? Ja sz kan ze meteen pakken wegzetten!!! Maar yzer is het belangrykste dat ze die niet pakken want dat is gewoon zwaar arsenaal
21:16
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Pfffff sir die yzers moeten weg daar!!
21:23
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Sz staat klaar voor ons sir en kunnen bus met stash pakken als moet! Waar is onze bus met stash sir??
21:27
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Ok sir belangryste is yzer en die vrouwen alles kunnen we aan SZ geven
21:40
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Sir advos moeten nu toch weten wat aanklacht is ??
21:42
[verdachte]
[medeverdachte 3]
En tegen boek sir die aanklacht moet nu ook be
Dictum
Kennelijk waren de beschermingsmaatregelen en de daarbij behorende financiële afspraken toen nog niet geregeld. Daar komt bij dat de kluisverklaringen, waarin hij over alle dealfeiten uitgebreid heeft verklaard, ruim daarvoor – in de periode van januari tot mei 2017 – zijn afgelegd. Er was toen nog geen concreet zicht op een overeenkomst en een van de hoofdpunten van de kroongetuigenovereenkomst is, naast het afleggen van nadere verklaringen, dat hij in die kluisverklaringen de waarheid heeft verklaard. Die kluisverklaringen kunnen dus hoe dan ook niet aangemerkt worden als ‘gekocht’. Er is het voorgaande in aanmerking nemende geen aanknopingspunt voor de suggestie van de verdediging dat [medeverdachte 6] welbewust over zoveel mogelijk feiten is gaan verklaren, om een (financieel) zo gunstig mogelijke deal eruit te slepen.
De omstandigheid dat de verdediging de (financiële aspecten van de) beschermingsmaatregelen niet kan toetsen levert geen schending van het beginsel van ‘equality of arms’ op. De positie van de verdediging verschilt hierin immers niet van het zaaks-Openbaar Ministerie en de verdediging heeft bovendien volop de gelegenheid gehad om het waarheidsgehalte van de kluisverklaringen en (daarmee) de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen. Van een onjuiste toepassing van de kroongetuigenregeling – en van een schending van artikel 6 EVRM – is gezien het bovenstaande geen sprake.
3.2.4.2 Zijn er ongeoorloofde toezeggingen gedaan?
De verweren richten zich voor een groot deel op (vermeend) ongeoorloofde toezeggingen. Daarvoor geldt het volgende. De toezegging die in het kader van een kroongetuigenovereenkomst mag worden gedaan is dat strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zal worden gevorderd, te weten – voor zover hier van belang – maximaal de helft bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast kan er sprake zijn van zogenoemd gunstbetoon als bedoeld in artikel 226g lid 4 Sv. Dit gaat om het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die een gunstige invloed kunnen hebben op de bereidheid van de kroongetuige tot het afleggen van een verklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering of anderszins verband houden met de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Gunstbetoon ziet op toezeggingen van relatief geringe omvang. Een toezegging die niet meer behelst dan hetgeen de officier van justitie onder normale omstandigheden met toepassing van het bestaande beleid zou hebben besloten, is geen toezegging in de zin van de wet.
In de door het College van procureurs-generaal opgestelde Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) is het kader van de toezeggingen nader uitgewerkt, waarbij in artikel 5 de niet toelaatbare toezeggingen zijn omschreven. Dit artikel luidt, voor zover van belang:
‘De officier van justitie mag geen toezeggingen doen met betrekking tot:
1. de inhoud van de tenlastelegging (zogenoemde plea-bargaining, bijvoorbeeld over het aantal op te nemen feiten in de dagvaarding en de zwaarte daarvan);
2 . het in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid afzien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten (een toezegging die strekt tot het staken van de opsporing of tot een sepot na afsluiting van het opsporingsonderzoek in afwijking van het bestaande vervolgingsbeleid, is derhalve niet toegestaan);
3. (…)
4. het geven van een financiële beloning;
5. (…)
6. het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing;
7. het begunstigen van anderen dan de getuige, zoals diens levenspartner;
8. (…)’
Financiële beloning?
Hiervoor is al overwogen dat de berichten in de iPhone van [medeverdachte 6] weliswaar de conclusie rechtvaardigen dat hij zoveel mogelijk geld wilde ontvangen in het kader van de beschermingsovereenkomst, maar dat er geen aanwijzing is dat het Openbaar Ministerie hierin is meegegaan en hem – via de beschermingsovereenkomst – in ruil voor zijn verklaringen een financiële beloning heeft toegezegd.
Veroordeling wapenbezit in januari 2017
Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 6] zich op 14 januari 2017 heeft laten aanhouden met een vuurwapen omdat hij bescherming zocht. Bij een doorzoeking zijn vervolgens een tweede vuurwapen en een jammer aangetroffen. [medeverdachte 6] is hiervoor vervolgd en aan hem is uiteindelijk in hoger beroep op 20 september 2018 zeven maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest opgelegd. Als basis voor de stelling van de verdediging dat sprake zou zijn van een ongeoorloofde toezegging, geldt de bewering van [medeverdachte 6] dat het Openbaar Ministerie hem zou hebben toegezegd dat de straf voor het wapenbezit bij de executie afgetrokken zou worden van de uiteindelijk op te leggen straf in de zaak Marengo. [medeverdachte 6] en zijn verdediging baseren dit op handgeschreven berekeningen van mr. [advocaat 1] . Het Openbaar Ministerie betwist echter dat een dergelijke afspraak is gemaakt.
De rechtbank stelt voorop dat de afspraak die volgens [medeverdachte 6] gemaakt is, een afspraak zou zijn als genoemd in artikel 5 lid 6 van de Aanwijzing, en dat deze daarmee ongeoorloofd zou zijn. Dat deze toezegging door het Openbaar Ministerie gedaan zou zijn is echter niet aannemelijk geworden. De verklaring van [medeverdachte 6] en de berekeningen van mr. [advocaat 1] zijn daarvoor onvoldoende, waarbij wordt meegewogen dat de andere advocaat die [medeverdachte 6] destijds bijstond heeft verklaard dat die afspraak niet is gemaakt. Bovendien hebben partijen bij het ondertekenen van de kroongetuigenovereenkomst ten overstaan de rechter-commissaris uitdrukkelijk verklaard dat er geen verdere of andersluidende afspraken zijn gemaakt.
Is de basis-strafeis van vierentwintig jaren proportioneel?
Zoals hiervoor besproken heeft het Openbaar Ministerie in de overeenkomst de basis-strafeis bepaald op een gevangenisstraf van vierentwintig jaren en toegezegd om vijftig procent hiervan als straf te zullen eisen bij nakoming van de verplichtingen door [medeverdachte 6] . In het algemeen geldt dat het Openbaar Ministerie bij het bepalen van een strafeis een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter moet eerbiedigen. Dat geldt ook voor een strafeis tegen een kroongetuige. Het is echter denkbaar dat een toegezegde basis-strafeis tegen een kroongetuige zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. Daarvan is sprake als het Openbaar Ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid niet tot de toegezegde basis-strafeis heeft kunnen komen.
[medeverdachte 6] wordt (kort gezegd) vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 3] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan) en voorbereiding van deze moord (subsidiair de medeplichtigheid daaraan), het medeplegen van de moord op [slachtoffer 4] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan, meer subsidiair voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 12] ), het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 11] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan en – de rechtbank begrijpt, meer subsidiair – voorbereidingshandelingen voor die moord) en de deelname aan een criminele organisatie die in het bijzonder tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties. In vergelijking met de straffen die het Openbaar Ministerie in de zaak Marengo heeft geëist tegen medeverdachten is de basis-strafeis van vierentwintig jaren gevangenisstraf naar de huidige maatstaven laag te noemen. Daarbij moet echter worden meegewogen dat de overeenkomst is gesloten in december 2017 en dat de straffen die destijds voor dergelijke feiten werden opgelegd beduidend lager waren dan thans het geval is.
Beoordeling
De gevaarzetting die daaruit volgt wordt door het Openbaar Ministerie weggewuifd. De Dubai-observatie kan de toets van subsidiariteit en proportionaliteit niet doorstaan en is daarmee onrechtmatig. Het voorgaande dient als bouwsteen voor de artikel 359a Sv-verweren en er wordt aandacht gevraagd voor de steeds meer complex wordende positie van (strafrecht)advocaten, waarbij in de samenleving door dergelijk handelen een negatief sentiment verder wordt aangewakkerd, waartegen die advocaten zich onmogelijk of slechts zeer beperkt kunnen verweren.
Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren.
3.4.3
Oordeel van de rechtbank
Vooropgesteld wordt dat de observatie heeft plaatsgevonden in het kader van de opsporing ter aanhouding van [verdachte] op de voet van artikel 565 Sv (oud) (in het onderzoek CapeCoral) en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen [verdachte] ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten (in het onderzoek Marengo). Indien al een verzuim kan worden vastgesteld, dan is dat buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek en is artikel 359a Sv dus niet van toepassing. De vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling die buiten het bereik ligt van artikel 359a Sv is daarmee echter niet uitgesloten. De rechtbank verwijst voor het hiervoor geldende kader naar hetgeen hiervoor (zie hoofdstuk 3.1 Algemeen kader vormverzuimen) is opgenomen.
3.4.3.1 Gestelde onrechtmatigheden
De omstandigheid dat bij de besluitvorming om tot observatie over te gaan op basis van de TCI-informatie is geacteerd, acht de rechtbank geoorloofd. De informatie was voldoende concreet en actueel en de omstandigheid dat over de betrouwbaarheid van die informatie geen oordeel kon worden gegeven, doet daar niet aan af.
Artikel 126g lid 1 Sv vereist een bevel tot observatie van de officier van justitie als het gaat om het stelselmatig volgen van een persoon of het stelselmatig waarnemen van diens aanwezigheid of gedrag. Het Openbaar Ministerie stelt dat de verwachting was dat de observatie in Dubai slechts gedurende een korte periode zou plaatsvinden op vermoedelijk alleen openbare locaties. Gelet daarop was een bevel ex artikel 126g Sv dus niet nodig. Een en ander hoefde daarom ook niet in het (artikel 565 Sv (oud) BOB-)dossier van [verdachte] te worden verantwoord, aldus het Openbaar Ministerie. In het licht van hetgeen aan de Dubai Police gevraagd is volgt de rechtbank het Openbaar Ministerie daarin niet. Er is immers verzocht om 24-uurs observatie met een regelmatige update van de ontwikkelingen (om het half uur of bij elke start/stop van mr. [advocaat 4] ) en bijvoorbeeld cameraobservatie. Een dergelijke observatie kan – nu deze kennelijk op geen enkele wijze voor wat betreft de intensiteit is ingeperkt, zeker indien een en ander uit handen wordt gegeven aan een buitenlandse opsporingsdienst waarover geen enkele controle kan worden uitgeoefend – potentieel tot resultaat hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen en dat dus sprake is van stelselmatige observatie. Een bevel ex artikel 126g Sv was dus vereist.
Het ontbreken daarvan is een vormverzuim, maar het betreft geen onherstelbaar vormverzuim waaraan de rechter gevolgen kan verbinden. In de zaak van [verdachte] geldt immers dat het ontbreken van een dergelijk bevel geen vormverzuim is dat is begaan in het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting, nu het is begaan in het onderzoek ter opsporing en aanhouding van [verdachte] . Ook anderszins kan aan het vormverzuim geen gevolgen worden verbonden, nu in geen geval geoordeeld kan worden dat de Dubai-observatie van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van een van de Marengo-verdachten ter zake van de ten laste gelegde feiten in de zaak Marengo.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of er door (besluitvorming rondom) de observatie anderszins sprake is van onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat iedere niet-verdachte ongewild onderdeel (en daarmee onderwerp) van politieonderzoek kan worden. Advocaten zijn hiervan niet uitgezonderd. Zij hebben echter – gezien hun verschoningsrecht en het grote maatschappelijke belang van dat verschoningsrecht – wel een bijzondere positie, die maakt dat het Openbaar Ministerie zeer omzichtig te werk moet gaan als een advocaat op enigerlei wijze in een strafrechtelijk onderzoek wordt betrokken. Dit wordt benadrukt in de door het College van procureurs-generaal opgestelde Aanwijzing toepassing dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden bij advocaten (hierna: de Aanwijzing). Deze luidt voor zover hier van belang:
‘De toepassing van opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen tegen advocaten vergt een hoge mate van zorgvuldigheid. (…) Dat betekent niet dat het OM nooit zou mogen overgaan tot het toepassen van dwangmiddelen jegens advocaten. Wel zal in die gevallen waarin het verschoningsrecht (mogelijk) in beeld is, zeer goed acht geslagen moeten worden op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.’
De rechtbank gaat ervan uit dat mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] beroepshalve – en niet privé – de reis naar Dubai hebben gemaakt en dat daarom de Aanwijzing van toepassing is. [verdachte] stond al enige tijd internationaal gesignaleerd ter aanhouding in verband met het onderzoek Marengo. De officier van justitie belast met de opsporing van [verdachte] heeft over de ontvangen TCI-informatie contact gehad met de rechercheofficier van justitie en de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket. Er is door hen besloten over te gaan tot de observatie vanwege het grote maatschappelijk belang bij de aanhouding van [verdachte] en de zeer grote maar vruchteloze opsporingsinzet om hem aan te houden. Meegewogen is dat er op dat moment een grote dreiging uitging van het (vermoedelijke) criminele samenwerkingsverband, terwijl het niet voor de hand lag dat [verdachte] cliënt was van mr. [advocaat 4] en het doel uitsluitend de aanhouding van [verdachte] betrof. De observatie zou gedurende een beperkte periode op publiek toegankelijke plekken worden uitgevoerd. Desgevraagd heeft de betreffende officier van justitie op verzoek van de rechtbank een nader proces-verbaal opgemaakt met betrekking tot de mogelijke gevaarzetting voor de betrokken advocaat, waarbij de officier van justitie inzicht biedt in de afweging en ten slotte opmerkt dat er op geen enkel moment aanwijzingen zijn geweest voor enige vorm van concrete gevaarzetting jegens de advocaat.
In het licht van het belang van de opsporing en aanhouding van [verdachte] acht de rechtbank het op zichzelf niet onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie tot deze afweging is gekomen. Door het enkel observeren van ontmoetingen die advocaten hebben in de publieke ruimte komt hun verschoningsrecht niet onmiddellijk in het gedrang. Anders dan de verdediging van [medeverdachte 4] meent volgt uit de beslissing tot de Dubai-observatie niet dat het Openbaar Ministerie – al dan niet uit kwade wil – de pijlen op de advocatuur richt. De rechtbank neemt daarbij aan dat de inzet ook was gevolgd als de TCI-informatie een ontmoeting met een niet-advocaat betrof. In het licht van het enorme belang om [verdachte] aan te houden – de ernst van de verdenking tegen hem, het gevaar dat hij kennelijk op vrije voeten vormde en de langdurige, vruchteloze inzet van een grote hoeveelheid opsporingscapaciteit – voldoet het initiële besluit om mr. [advocaat 4] te (doen) observeren aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Wel geldt dat in de uitvoering van het besluit om te observeren – los van het ontbreken van het bevel ex artikel 126g Sv – een aantal zaken naar het oordeel van de rechtbank niet goed is gegaan.
Conclusie
kent zyn sir belangrykste nu is top advos voor hun!!
22:18
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Sms tito die kent ze allemaal
16 juli 2015
237
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
14:15
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Echt sir u ziet weet niet wat er is maar hoe dingen zyn geregelt en we zyn zo heet geen woorden voor alleen voor die yzer is zeker 5jaar!! Echt ongelooflyk vrouwen geld sleutels wat een fucking amateurs shit en zoveel zenders hebben we gevonden en nu hangt iedereen gewoon ongeloolyk
17 juli 2015
238
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
16:05
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Onder
------Origineel bericht------
Van: Blackknight devil
Aan: Eigen/own
Onderwerp:
Verzonden: 17 Jul 2015 16:03
Salaam alikom sir ik heb net die man gesproken die devill helpt broertje van [betrokkene 33] hy zei tegen my dat ze in maart zyn begonnen met dit onderzoek en het komt door die gestolen autos die s5 en rs6 die iniedergeval die S5 die gestolen is die jongens werden in de gaten gehouden toen hun die auto verkochten zat er al een zender onder die auto is van wyk by duurstede naar geina gereden en daarna naar mourik daar is die in box gezet hebben ze gekeken zagen ze hem staan hebben ze box vol gehangen met camera en richtmicrofoon ze hebben beelden van spotters en boek by garage en gesprekken dat ze het over liqudatie hebben voorbereiding ze hebben hun zien oefenen met schieten met kalas die spotters zyn naar box van devil gegaan met devil zyn code binnengekomen zo zyn ze by die box gekomen
19:34
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Onder
-----Origineel bericht-----
Van: Sz
Aan: Eigen/own
Onderwerp: Fw:
Verzonden: 17 Jul 2015 17:04
Salam mr, lees even onder goed! Mijn neefje heeft ze nog 5 x vertel sweep die autos hij is met ze bij die autos geweest mr! Hij vond het raar dat die accus leeg waren! Mijn neefje sweept altijd zijn autos enzo! Die heeft er ook een paar snelle autos liggen!
-----Origineel bericht-----
Van: Ipi nifo
Aan: Selftest
Onderwerp: Re:
Verzonden: 17 Jul 2015 19:02
Oke dat is klote nifo.. Ik heb ze nog duidelijk gezegt controleer deze auto want accu's kunnen niet zomaar leeg lopen! Ik heb het wel 5x gezegt dat ze die auto's moeten swepen en dat door de politie apparatuurs die ze plaatsen de accu's leeg eten.. Nee ze hebben mij niet verteld hoelang die daar al stond.
-----Origineel bericht-----
Van: Brd
Aan: lp
Onderwerp: Re:
Verzonden: 17 Jul 2015 18:56
Nee niet omdat nifo, omdat ze die autos in beslag hebben genomen! Er was een onderzoek door een van die autos.. Zat zender onder! Onder die s5 vanaf maart lie
22:33
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Ok sir moeten heads klaar hebben staan en u moet echt weg daar zosnel mogelyk tot we dossier hebben
19 juli 2015
239
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
16:06
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Sir pak geld wat u nodig hebt en stashes en alles regel ik maak u niet druk 2jongens die ryden meer niet nodig en heads altyd klaarstaan snelle fietsen zyn er yzers alles gaat gewoon door sir! En zeg hoeveel pap u nodig hebt en pak het ik regel alles we'll!! Ik liet aan u over maar nu gaan we op myn manier werken
16:22
[verdachte]
[medeverdachte 3]
Exact sir dit soort dingen wisten we dat kan gebeuren alleen zonde van zulke fouten met huurautos na yzer opslag dev vrouwen geld yzers telefoons etc dat mocht absoluut niet maar tot de dood en dan verder sir
20 juli 2015
240
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
10:28
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 3]
Nee ben even na head toe
28 juli 2015
241
Tijdstip
Verzender
Ontvanger
Bericht
22:46
[betrokkene 28]
[medeverdachte 3]
Oke en waar zijn ze gekocht sir daar tog bij de spay zeker
23:36
[betrokkene 28]
[medeverdachte 3]
Oke welk die we laats zagen sir of die andere want je heb er 2 ouwe die we laats zagen met zweapen en kale ouwe die vroeger scoutoe was
23:40
[betrokkene 28]
[medeverdachte 3]
Ja en je heb en ander eigen naar die kale die ouwe man hij heeft zo jeep auto Porsche cajen die is die ouwe scoutoe manetje
23:42
[betrokkene 28]
[medeverdachte 3]
Of die ander ouwe die we laats zagen 1 van die 2 heben de woord daar en die ander zijn werk manetjes meestal is die ouwe daar die we laats zagen die help de klanten denk ook dat hij dan heb gepraat om dat tie ze heb geholpen
23:44
[betrokkene 28]
[medeverdachte 3]
Maar k denk die ouwe van laats sir die we hebben gezien zit niks in de auto flikker en auto zit vol jah wat u zeg
23:47
[betrokkene 28]
[medeverdachte 3]
U bedoel die ouwe van laats tog die we hebben gezien die weet k niet dan ga k we’ll even posten daar wat voor auto hij heeft
Uit de voorgaande berichten leidt de rech
Dictum
Alle omstandigheden overziend is de basis-strafeis van vierentwintig jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen, terwijl de maximale strafkorting van vijftig procent niet wordt overschreden. Daarom acht de rechtbank de overeenkomst met [medeverdachte 6] ook op het punt van de overeengekomen basis-strafeis niet onrechtmatig.
Aanpassing strafeis aan nieuwe v.i.-regeling
Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie een lagere straf geëist dan in de overeenkomst is toegezegd. Aanleiding daarvoor is de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021. In deze nieuwe wet is de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling gemaximeerd tot twee jaren bij gevangenisstraffen vanaf zes jaren. De basis-strafeis van vierentwintig jaren zou ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een gevangenisstraf van twaalf jaren en een netto gevangenisstraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [medeverdachte 6] volgens het Openbaar Ministerie bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan. Tijdens de gesprekken daarover met de raadslieden van [medeverdachte 6] is, toen het ging over de netto-strafverwachting, het voornemen van het kabinet om de v.i.-regeling te versoberen wel aan bod gekomen. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie aan de raadslieden aangegeven dat de afspraak zoals die met [medeverdachte 6] op dat moment werd gemaakt (en de gerechtvaardigde verwachtingen die [medeverdachte 6] daaraan mocht ontlenen) door het Openbaar Ministerie zouden worden geëerbiedigd. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij steeds gezegd dat het laatste woord hierover uiteraard aan de rechter is. De inhoud van de overeenkomst biedt volgens het Openbaar Ministerie ruimte om een gevangenisstraf te eisen die erop neerkomt dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten, nu in de overeenkomst is opgenomen: ‘onder gelijkblijvende omstandigheden’. Na de invoering van de Wet straffen en beschermen zijn de omstandigheden gewijzigd. In het requisitoir is daarom niet vierentwintig jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, welke met vijftig procent is verminderd tot de uiteindelijke strafeis van tien jaren gevangenisstraf in plaats van twaalf jaren gevangenisstraf. De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat het Openbaar Ministerie daarmee een grotere korting op de strafeis heeft gegeven dan de wet toestaat.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij het aangaan van de overeenkomst in 2017 gold de oude regelgeving die erop neerkwam dat een veroordeelde tot een lange gevangenisstraf in beginsel na het uitzitten van twee derde van zijn gevangenisstraf in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie en [medeverdachte 6] konden bij het aangaan van de overeenkomst geen rekening houden met de gevolgen die de Wet straffen en beschermen zou hebben voor de uitvoering van de aan [medeverdachte 6] op te leggen straf, omdat de invoering van die wet nog onzeker was. De mogelijkheid dat [medeverdachte 6] na de inwerkingtreding van deze wet bij een gelijkblijvende basis-strafeis in een nadeliger positie zou komen te verkeren dan waar hij op grond van de overeenkomst van uit mocht gaan, is wel onder ogen gezien. Hoewel in de overeenkomst alleen gesproken wordt over de basis-strafeis en niet over de netto uit te zitten gevangenisstraf, acht de rechtbank het aannemelijk dat juist de te verwachten netto gevangenisstraf voor [medeverdachte 6] van belang is geweest bij de vraag of hij de overeenkomst wilde aangaan. In die zin is er dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden die tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor [medeverdachte 6] nu anders uitpakt dan hij bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. Gelet op het belang dat opgewekt vertrouwen in beginsel gehonoreerd dient te worden is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie in afwijking van de overeenkomst zijn strafeis ter zitting mocht baseren op een basis-strafeis van twintig jaren gevangenisstraf. De rechtmatigheid van de overeenkomst wordt daardoor ook achteraf niet aangetast.
Het niet vervolgen voor bepaalde zaken en de keuzes bij de tenlastelegging
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leent de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Ditzelfde geldt voor de spiegelbeeldige beslissing om niet te vervolgen. Maatstaf is daarbij of niet geoordeeld kan worden dat een redelijk handelend lid van dat Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien. Het enkele feit dat die vervolgingsbeslissing een criminele getuige betreft maakt niet dat daardoor de beoordelingsmaatstaf verandert.
[medeverdachte 6] heeft verklaard dat hem enige weken na de poging om [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) te vermoorden door middel van een explosief onder zijn auto bij ’t Kalfje in Amsterdam (de zaak Raspvijl) door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] is gevraagd of hij semtex kon leveren. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat het zijn eigen conclusie was dat dit voor een nieuwe aanslag op [slachtoffer 6] bedoeld zou zijn. [medeverdachte 6] heeft daar toen navraag over gedaan bij een contactpersoon maar daar is het wat semtex betreft bij gebleven – deze is, zo verklaart [medeverdachte 6] , nooit door hem geleverd. Omdat de gesprekken die [medeverdachte 6] stelt te hebben gevoerd pas plaatsgevonden zouden hebben na de bomaanslag bij ’t Kalfje, kan de rechtbank niet inzien hoe dat leidt tot een strafbare rol van [medeverdachte 6] in de zaak Raspvijl. Ook los daarvan is niet onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie heeft afgezien van vervolging, alleen al omdat het in de verklaring van [medeverdachte 6] enkel gaat over gesprekken en steunbewijs ontbreekt.
Voor wat betreft de zaak Zeilboot geldt dat het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het leveren van kentekeninformatie door [medeverdachte 6] op 8 december 2016 onvoldoende is voor een strafbare rol van [medeverdachte 6] bij de moord op [slachtoffer 6] , nu hij vaker kentekeninformatie opvroeg en doorgaf, dit ook gebeurde voor bijvoorbeeld observaties door de politie en hij op dat moment niet wist dat de door hem opgevraagde informatie bedoeld was ten behoeve van de moord op [slachtoffer 6] . Voorts heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat het laten bevragen van kentekens en het doorgeven van die informatie wordt meegewogen in het verwijt van deelname aan de criminele organisatie. De rechtbank acht de beslissing om [medeverdachte 6] niet in de zaak Zeilboot te vervolgen – het dossier in ogenschouw nemend – niet onbegrijpelijk.
Met betrekking tot de zaak Orinoco – een schietincident op 24 december 2010 waarbij [medeverdachte 6] iemand in zijn been geschoten zou hebben – geldt dat het Openbaar Ministerie van het parket Midden-Nederland eind 2022 heeft beslist dat vervolging van [medeverdachte 6] daarvoor niet opportuun is ‘gezien (onder meer) het tijdsverloop, de recente veroordeling van [medeverdachte 6] voor het wapenbezit en de huidige vervolging van [medeverdachte 6] in 26Marengo, alsmede het feit dat de huidige ernstige problematiek op het gebied van cocaïnehandel en de daarmee gepaard gaande geweldsdelicten al alle focus en capaciteit kosten van politie en justitie Midden-Nederland.’7 Een dergelijke beslissing valt niet alleen binnen de beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie heeft, maar kan bovendien – nu deze vijf jaren na het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst pas is genomen – nimmer worden aangemerkt als een (ongeoorloofde) toezegging in het kader van die overeenkomst.
Beoordeling
Waar kennelijk in de afweging van het Openbaar Ministerie is betrokken dat de observatie gedurende een beperkte periode op publiek toegankelijke plekken zou worden uitgevoerd, blijkt niet – althans, voor de rechtbank niet kenbaar – dat dit op deze wijze is gedeeld met de Dubai Police. Dat had wel gemoeten, nu het verzoek om 24-uurs observatie zonder deze beperking veel ruimer door de Dubai Police zou kunnen worden opgevat. Daarnaast geldt dat het verzoek aan de Dubai Police om de man met een bril en een pet die bij de tweede ontmoeting aanwezig was aan te houden terwijl mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] nog aanwezig waren, kennelijk als impulsieve reactie, terugkijkend buitengewoon risicovol was. Niet alleen had, als dit gebeurd was, voor hen ter plekke een gevaarlijke situatie kunnen ontstaan, maar bovendien kan bij iemand die zich al geruime tijd schuilhoudt en die in een dergelijke situatie wordt aangehouden, of bij zijn entourage, (ten onrechte) het idee postvatten dat de advocaten iets met deze aanhouding van doen hebben. De gevolgen van deze onregelmatigheden dienen echter te worden gerelativeerd. De Dubai Police heeft immers alleen de eerder genoemde twee ontmoetingen in de hal van het hotel aan de Nederlandse politie gemeld. Een gedegen verslaglegging van de observaties ontbreekt, maar er zijn geen aanwijzingen dat zij met hun observaties verder in het privéleven van mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] zijn doorgedrongen. Ook geldt dat de Dubai Police zelf heeft besloten om de man met een bril en een pet niet aan te houden, waardoor de hiervoor geschetste mogelijke veiligheidsrisico’s voor mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] zich uiteindelijk niet hebben voorgedaan.
3.4.3.2 Conclusie
De conclusie is dat er in de besluitvorming en de uitvoering van de Dubai-observatie fouten zijn gemaakt, die gelukkig zonder gevolgen zijn gebleven. Van een zodanig fundamentele inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat deze de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg zou moeten hebben is echter geen sprake. De rechtbank onderkent wel dat de positie van (strafrecht)advocaten complexer is geworden en dat advocaten zich tegen een inzet zoals de Dubai-observatie onmogelijk of slechts zeer beperkt kunnen verweren. Het is dan ook niet voor niets dat de rechtbank van het Openbaar Ministerie openheid van zaken heeft verlangd en in dit kader getuigenverzoeken heeft gehonoreerd. Op grond van artikel 126g Sv had (het bevel tot) de observatie op schrift dienen te worden gesteld, had dit verantwoord moeten worden in het artikel 565 Sv (oud) BOB-dossier van [verdachte] en was er een notificatieplicht ten opzichte van mr. [advocaat 4] . Maar los daarvan had het het Openbaar Ministerie gepast dat zij ter toetsing van haar handelen – nu er een inzet op advocaten is geweest – uit eigen beweging de gang van zaken van meet af aan had vastgelegd en de relevante stukken in het dossier had gevoegd. Dat dit niet is gebeurd maakt echter niet dat de gevolgde handelwijze daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt.
De verweren worden dan ook verworpen.
3.5
Verkapte uitlevering
3.5.1
Overbrenging van [verdachte] naar Nederland
3.5.1.1 Standpunten
De verdediging heeft in verband met de overbrenging van [verdachte] van Dubai naar Nederland aangevoerd dat er sprake is van een groot aantal onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv, dan wel schendingen van de artikelen 2, 3, 5, 6 en 13 EVRM en het folterverdrag en de regelgeving omtrent genoegzame verslaglegging ex artikel 152 Sv, waardoor er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces. Daartoe voert de verdediging – samengevat – aan dat de overbrenging een verkapte uitlevering betreft die in samenwerking tussen de autoriteiten van Nederland en de VAE tot stand is gekomen. Als gevolg daarvan is [verdachte] de bescherming van een uitleveringsprocedure ontnomen. Nederland is verantwoordelijk te houden voor het feit dat [verdachte] in Dubai bij zijn arrestatie en tijdens zijn verblijf op het politiebureau is mishandeld en gemarteld omdat dit voorzienbaar was op basis van wat over de detentieomstandigheden in de VAE bekend is en gezien de door Nederland aan de VAE over [verdachte] verstrekte informatie. Het Openbaar Ministerie heeft verzoeken tot aanhouding (een Red Notice) doen uitgaan en onjuiste en voor [verdachte] gevaarzettende informatie, waaronder veronderstelde banden tussen [verdachte] en Iran, aan Dubai verstrekt. [verdachte] is in Dubai consulaire bijstand, tolkenbijstand alsmede rechtsbijstand onthouden. Ten slotte is [verdachte] bij de overdracht en bij het verdere verblijf in Nederland adequate medische bijstand onthouden. Het onrechtmatig handelen van de Nederlandse overheid is aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen als een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Primair heeft de verdediging daarom bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair moet de vrijheidsbeneming van [verdachte] onrechtmatig worden geacht en meer subsidiair dient bij een eventuele strafoplegging het handelen van het Openbaar Ministerie tot aanzienlijke strafvermindering te leiden.
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verweren ten aanzien van de aanhouding van [verdachte] in Dubai en zijn overbrenging naar en detentie in Nederland feitelijke en/of juridische grondslag missen en om die reden falen. Nederland kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het door [verdachte] in Dubai opgelopen letsel, van een verkapte uitlevering is geen sprake en aan [verdachte] is en wordt in Nederland adequate medische zorg geboden.
3.5.1.2 Oordeel van de rechtbank
3.5.1.2.1 Inleiding
De rechtbank overweegt allereerst dat de aanhouding van [verdachte] in Dubai en zijn overbrenging naar Nederland niet onder het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv vallen.85Eerder is (zie hoofdstuk 3.1 Algemeen kader vormverzuimen) evenwel al uiteengezet dat ook aan een vormverzuim dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een rechtsgevolg kan worden verbonden. De rechtbank dient in dit geval na te gaan of bij de aanhouding en overbrenging van [verdachte] sprake is geweest van een vormverzuim of een onrechtmatige handeling die van bepalende invloed is geweest op de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten en waardoor de verdachte in een zodanige positie terecht is gekomen dat zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak tekort is gedaan.
3.5.1.2.2 Beoordelingskader
Bij die beoordeling stelt de rechtbank voorop dat Nederland er in beginsel niet voor verantwoordelijk kan worden gehouden als een derde staat ervoor kiest om niet een uitleveringsprocedure te volgen, maar ertoe overgaat een verdachte (vreemdelingrechtelijk) uit te zetten of over te dragen. Dit kan anders zijn als vast komt te staan dat Nederland een verkapte uitlevering zou hebben gefaciliteerd of daarop zou hebben aangestuurd. De rechtbank leidt dit beoordelingskader af uit de in de noot weergegeven conclusies van enkele advocaten-generaal bij de Hoge Raad waarin de in dit verband relevante uitgangspunten worden beschreven.86 In de meeste zaken heeft de Hoge Raad vervolgens het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO) verworpen. Ook heeft de rechtbank zich gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 12 september 201787 en het arrest van het EHRM van 12 mei 2005 in de zaak Öcalan tegen Turkije.88
3.5.1.2.3 Vaststelling gang van zaken
De rechtbank zal in verband met de beoordeling of Nederland een verkapte uitlevering heeft gefaciliteerd of daarop heeft aangestuurd, nagaan welke feiten over de opsporing, aanhouding en overbrenging van [verdachte] in relatie tot Dubai kunnen worden vastgesteld.
Dictum
Dit zou alleen anders zijn als op voorhand zou zijn toegezegd dat er geen vervolging zou plaatsvinden voor na het sluiten van de overeenkomst opkomende verdenkingen, maar dat daar sprake van is, is gesteld noch gebleken.
Hoewel er – vooral op basis van de eigen verklaringen van [medeverdachte 6] – ontegenzeggelijk aanwijzingen zijn dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan Opiumwetdelicten, valt de beslissing van het Openbaar Ministerie om hem daar niet voor te vervolgen zonder meer binnen de beoordelingsvrijheid die het ten aanzien daarvan heeft. Het opsporingsonderzoek heeft zich immers niet hierop gericht, maar op een groter belang, namelijk een groot aantal moorden en pogingen daartoe, voorbereidingshandelingen voor moorden en een criminele organisatie die zich met moorden bezighield. Die beslissing van het Openbaar Ministerie beoordeelt de rechtbank niet als een ontoelaatbare toezegging.
Voor geen van de door de verdediging genoemde kwesties – het niet vervolgen van [medeverdachte 6] in de zaken Zeilboot/Raspvijl en Orinoco, het niet vervolgen voor Opiumwetdelicten – geldt derhalve dat de door het Openbaar Ministerie genomen beslissingen onbegrijpelijk zijn en buiten de beoordelingsvrijheid vallen die het Openbaar Ministerie toekomt. Dit geldt ook voor de (andere) keuzes die het Openbaar Ministerie gemaakt heeft bij het opstellen van de tenlasteleggingen. De keuze om [medeverdachte 6] in de zaak Roos/Doorn alleen in de subsidiaire variant voor voorbereiding van de moord op [betrokkene 12] te vervolgen is – nu hij na de (vergis)moord op [slachtoffer 4] is gestopt met die voorbereidingen – niet onbegrijpelijk. Dit geldt ook voor de keuze om hem in de zaak Kreta niet te vervolgen voor voorbereiding van moord op [betrokkene 9] en de broers [betrokkene 7 en 8] , nu hij over de zaak Kreta uitgebreide verklaringen heeft afgelegd en het zwaartepunt van zijn voorbereidingshandelingen duidelijk lag bij [slachtoffer 3] . Dat het Openbaar Ministerie hierover – in strijd met het in artikel 5 lid 1 en 2 van de Aanwijzing verwoorde immuniteitsverbod – toezeggingen heeft gedaan aan dan wel afspraken heeft gemaakt met [medeverdachte 6] , is bovendien gesteld noch aannemelijk geworden.
Begunstiging levenspartner [medeverdachte 6] ?
De verdediging stelt dat uit de berichten in de hiervoor genoemde iPhone blijkt dat de levenspartner van [medeverdachte 6] spreekt over maandelijkse toelagen, gelden die verborgen werden, een huis in Marokko dat zou worden gekocht en een auto, waarbij er ontevredenheid is over de auto. Dit zijn financiële voordelen voor de levenspartner die in strijd zijn met artikel 5 lid 7 van de Aanwijzing, aldus de verdediging.
Vast staat dat de partner van [medeverdachte 6] – door buiten haarzelf liggende omstandigheden – uit haar normale leven is weggerukt en in een beveiligingsprogramma terecht is gekomen. Dat de situatie waarin zij verkeert met zich kan brengen dat zij van de overheid een toelage en bepaalde voorzieningen krijgt, wekt geen bevreemding. De berichten waar de verdediging op wijst bieden geen ondersteuning voor de stelling dat er daarbij sprake zou zijn van een verboden toezegging aan [medeverdachte 6] door het begunstigen van zijn levenspartner.
Ongemoeid laten van financieel voordeel (uit drugshandel, liquidaties, chantage en witwaspraktijken)?
De verdediging stelt dat [medeverdachte 6] niet geconfronteerd is met een ontnemingsvordering en dat hij geen vragen hoefde te beantwoorden over drugshandel, zijn financiële voordeel en zijn – uit de berichten in de iPhone naar voren komende – chantage- en afpersingspraktijken. De verdediging verzuimt echter te onderbouwen waarom dit op een ongeoorloofde toezegging aan de kroongetuige zou wijzen. Op grond van de kroongetuigenovereenkomst is het duidelijk waarover [medeverdachte 6] verplicht is te verklaren. Ten aanzien van ander (vermeend) strafbaar handelen dan de dealfeiten heeft hij geen verklaringsplicht. Over eventueel financieel voordeel dat hij gehad heeft als gevolg van de dealfeiten is hij op grond van de overeenkomst wél verplicht te verklaren. De rechtbank constateert dat hij dat ook gedaan heeft en dat het enige financiële voordeel dat hij – naar eigen zeggen – heeft gehad € 5.000,- was voor zijn rol in de zaak Tennis. De keuze om ten aanzien van dit bedrag af te zien van een ontnemingsvordering past – gezien de hoogte van het bedrag, afgezet tegen de aard en de omvang van de verdenkingen waarvoor [medeverdachte 6] wel vervolgd wordt – binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie toekomt. Van een beslissing die zo onbegrijpelijk is dat deze moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen is geen sprake.
Is de bepaling in artikel 4.2 van de overeenkomst een ongeoorloofde toezegging?
Artikel 4.2 van de kroongetuigenovereenkomst luidt als volgt:
‘Zover de officier van justitie van mening is dat sprake is van de onder 4.1 sub a genoemde omstandigheid, zal hij zulks aangeven bij de raadsman van de getuige alsmede de getuige zelf en de getuige in staat stellen om binnen een redelijke termijn alsnog de voorwaarde uit de overeenkomst na te komen.’
Dit artikel verwijst naar het in artikel 4.1 sub a van de overeenkomst geformuleerde recht van de officier van justitie om deze schriftelijk te ontbinden in het geval dat de getuige enige voorwaarde uit de overeenkomst niet, niet volledig of niet naar behoren nakomt. De stelling van de verdediging dat er een extra begunstiging zit in deze bepaling kan de rechtbank niet volgen.
De verplichtingen van [medeverdachte 6] zijn in de overeenkomst als volgt omschreven:
1.1
De getuige verplicht zich vanaf de datum van ondertekening van deze overeenkomst telkens overeenkomstig de hem door of vanwege het College van Procureurs-Generaal of de officier van justitie gegeven aanwijzingen onvoorwaardelijk zijn medewerking te verlenen aan het afleggen van (nadere) verklaringen tegenover leden van het Openbaar Ministerie of door of vanwege de officier van justitie aangewezen ambtenaren als bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering. De verplichting tot het afleggen van deze (nadere) verklaringen heeft betrekking op de misdrijven die worden beschreven in de (kluis)verklaringen die als bijlage bij deze overeenkomst zijn gevoegd.
1.2
Een zelfde verplichting als onder 1.1 genoemd bestaat ten aanzien van het afleggen van getuigenverklaringen tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement en/of de strafkamer van enige rechtbank en/of de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig ressort en/of de strafkamer van enig gerechtshof in het kader van de strafrechtelijke vervolging, waaronder begrepen het op naam en zonder vermomming afleggen van verklaringen in een openbare terechtzitting, tenzij het Openbaar Ministerie vermomming noodzakelijk acht.
1.3
De getuige zal bij gelegenheid van de hiervoor onder 1.1 en/of 1.2 genoemde verhoren niet weigeren te verklaren over zijn eigen (al dan niet strafrechtelijk relevante) betrokkenheid bij de feiten die worden genoemd in de (kluis)verklaringen zoals neergelegd in de bijgevoegde processen-verbaal. Hij zal zijn verklaringen zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid afleggen. De getuige doet afstand van het hem als verdachte toekomende verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Wetboek van Strafvordering.
Beoordeling
Het (persoons)dossier (van [verdachte] ) bevat hierover diverse processen-verbaal waaruit de rechtbank de volgende – zoveel mogelijk chronologisch weergegeven – gang van zaken opmaakt, zoals weergegeven door de verbalisanten.
Voorafgaand aan de aanhouding van [verdachte]
14 november 2017
Nederland verzoekt op 14 november 2017 via Interpol met een zogenoemde Red Notice,89 gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 9 november 2017, om de aanhouding van [verdachte] in verband met de verdenking van betrokkenheid bij de liquidatie van [slachtoffer 3] op 22 juni 2016 (zaaksdossier Kreta) en deelname aan een criminele organisatie. [verdachte] staat vanaf dat moment internationaal gesignaleerd. De Red Notice wordt later nog aangepast, op 7 augustus 201890 en op 22 augustus 2019. In de Red Notice van 22 augustus 2019 (A-9037/8-2019)91 staan, naast de eerder genoemde verdenkingen, alle overige verdenkingen jegens [verdachte] in de zaak Marengo beschreven.
September 2018
Rechercheurs van de Landelijke Eenheid maken van 10 tot 13 september 2018 een dienstreis naar Dubai en bespreken het belang van de opsporing en aanhouding van [verdachte] met de Dubai Police. Op 12 september 2018 gaan zij met de liaison officer in Dubai naar de Dubai Police waar zij mondeling informatie verstrekken over onder andere de start van het onderzoek, persoonsgegevens van [verdachte] en zijn familie en vermoedelijk door [verdachte] gebruikte aliassen. Ook geven zij een overzicht van zaken die vermoedelijk met [verdachte] verband houden, waarbij een korte afzonderlijke toelichting op (naar de rechtbank begrijpt: al dan niet geslaagde) liquidaties van specifieke personen wordt verstrekt, te weten [betrokkene 20] (hierna: [betrokkene 20] ), [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 4] , [betrokkene 12] en [betrokkene 21] . Ook wordt informatie verstrekt over de criminele contacten tussen [verdachte] enerzijds en [betrokkene 16] en [betrokkene 22] anderzijds, over de aanslagen op de kantoren van Panorama en De Telegraaf, de stand van zaken van het onderzoek en de opsporing van [verdachte] en mogelijke aanknopingspunten in Dubai. De rechercheurs spreken daarbij niet over een mogelijk verblijf van [verdachte] in Iran of over contacten of banden van [verdachte] met Iran. De rechercheurs beschrijven achteraf dat deze ontmoeting het enige rechtstreekse contact van hen is geweest met de Dubai Police. Voor het overige lopen alle contacten via de liaison officer.92
De verbindingsambtenaar van het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: LIRC) bevestigt wat deze rechercheurs beschrijven over de wijze waarop het contact met de Dubai Police is verlopen. De verbindingsambtenaar somt in een proces-verbaal op op welke specifieke data tot de dag van de aanhouding van [verdachte] verdere informatie via de liaison officer met de Dubai Police is gedeeld. De rechtbank leidt hieruit af dat de Dubai Police uitgebreid op de hoogte is gesteld van – onder meer – de verdenkingen tegen [verdachte] , de valse identiteiten met bijbehorende paspoorten die [verdachte] zou gebruiken en zijn mogelijke verblijfplaats en die van zijn familieleden en dat meermalen TCI-informatie is gedeeld met de Dubai Police.93
Periode van maart tot en met augustus 2019
Twee rechercheurs die vanaf 1 maart 2019 tot de aanhouding van [verdachte] als teamleiding betrokken zijn bij de opsporing van [verdachte] relateren dat zij geen rechtstreeks contact met de autoriteiten van Dubai hebben gehad – alle contacten lopen via de liaison officer of het LIRC. Dit met uitzondering van één telefonisch contact op 19 juni 2019. Dat contact ontstaat ongepland doordat de telefoon op speaker wordt gezet door de liaison officer terwijl hij in gesprek is met zijn contactpersoon in Dubai. In dat gesprek vragen de rechercheurs de Dubai Police of er nog informatie of ondersteuning nodig is in de opsporing naar [verdachte] , maar zij krijgen te horen dat dat niet nodig is.94 Een dergelijk aanbod tot ondersteuning in de opsporing naar [verdachte] doet het onderzoeksteam ook meerdere malen via de liaison officer. Daarop antwoordt de Dubai Police steeds mondeling dat zij het niet nodig vindt gebruik te maken van de Nederlandse capaciteit om [verdachte] in Dubai op te sporen.95
In deze periode (namelijk van 20 juni 2019 tot 23 juni 2019) vindt ook de observatie plaats op mrs. [advocaat 4] en [advocaat 5] op Schiphol en in Dubai (de Dubai-observatie). De rechtbank verwijst in dit verband naar wat hiervoor (zie hoofdstuk 3.4.1 Feitelijke gang van zaken) is vastgesteld en overwogen.
Periode van september tot de aanhouding in december 2019
Op 24 september 2019 beveelt de rechtbank de gevangenneming van [verdachte] .
In oktober 2019 brengt de hoofdcommissaris van politie tijdens de General Assembly van Interpol in Santiago in Chili in een gesprek met daar aanwezige autoriteiten van de VAE de Interpol Red Notice met betrekking tot het verzoek tot aanhouding van [verdachte] onder de aandacht.96
Na het verschijnen van een artikel in De Telegraaf op 27 november 2019 wijst de liaison officer de Dubai Police op dat artikel. Het artikel zelf wordt niet gedeeld.97 In dit artikel wordt onder andere geschreven dat [verdachte] regelmatig op het eiland Kish zou verblijven en mogelijk banden zou hebben met Iran.
In november en december 2019 maken medewerkers van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (hierna: NCTV) dienstreizen naar Dubai. In november 2019 maakt een medewerker van de NCTV een dienstreis naar Dubai voor de deelname aan een cybersecurity-congres. In december 2019 wordt een boeking en een mutatie van die boeking gemaakt voor een andere medewerker van de NCTV die deelneemt aan een werkgroep over de luchtvaart in Dubai.98 De rechtbank stelt vast dat deze dienstreizen (dus) losstaan van de opsporing naar [verdachte] .
Op 11 december 2019 deelt de liaison officer digitaal de Red Notice (A-9037/8-2019) met de Dubai Police.99
Periode van 16 en 17 december 2019
[verdachte] wordt op 16 december 2019 op grond van de internationale signalering in Dubai aangehouden door de Dubai Police. De toenmalige korpschef van de Nationale Politie ontvangt in de vroege ochtend van 16 december 2019 van ‘Commander [naam Commander] ’ van de Dubai Police telefonisch het bericht van deze aanhouding. De korpschef informeert telefonisch achtereenvolgens de hoofdofficier van het Landelijk Parket en het hoofd van de Dienst Landelijke Recherche over de aanhouding.100 Het Landelijk Parket wordt in de ochtend van 16 december 2019 door de liaison officer gebeld met de mededeling dat hij op de hoogte is gesteld van de aanhouding van [verdachte] in Dubai. Vervolgens wordt gestart met het in orde maken van het uitleveringsverzoek voor [verdachte] . Daartoe wordt op dinsdag 17 december 2019 via Interpol Den Haag een bericht gestuurd aan Interpol Abu Dhabi met het verzoek om een bevestiging van de aanhouding en informatie over de door de VAE benodigde documenten of procedures. Op die dag ontvangt het Landelijk Parket echter ook van de liaison officer telefonisch het bericht dat de Dubai Police voornemens is [verdachte] aan Nederland over te dragen en dat vanuit Interpol Abu Dhabi de vraag is gesteld of het mogelijk is om [verdachte] op korte termijn op te halen.101
De liaison officer schrijft daarover het volgende. Op dinsdag 17 december 2019 wordt hij omstreeks 19:40 uur telefonisch in kennis gesteld door het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Interpol, afdeling Wanted persons, Colonel [naam Colonel] (hierna: [naam Colonel] ), behorende tot de Dubai Police. Als plaatsvervangend hoofd Interpol is hij belast met de afhandeling van de aangehouden verdachte [verdachte] . [naam Colonel] deelt de liaison officer mee dat Interpol verwacht snel uitsluitsel te krijgen over de eventuele uitlevering van [verdachte] en stelt aan de liaison officer de vraag hoe snel Nederland een veiligheidsmissie kan sturen om [verdachte] te begeleiden.
Dictum
Met betrekking tot onderwerpen die niet worden genoemd in de (kluis)verklaringen geldt het verschoningsrecht van de getuige onverkort.
1.4
De getuige verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dat de inhoud van zijn (kluis)verklaringen, zoals deze blijkt uit bijgevoegde processen-verbaal naar zijn beste weten volledig op waarheid berust.
1.5
De getuige zal vanaf het moment van ondertekening van deze overeenkomst, behoudens het onder 1.6 gestelde, op geen enkele wijze tegenover derden, met uitzondering van zijn raadsman, zijn partner en zijn naaste familie, melding maken van deze overeenkomst en de (inhoud van) de daarin bedoelde verklaringen.
1.6
De getuige zal rechtstreeks noch door middel van een derde, onder wie zijn raadslieden, anders dan tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement en/of de raadsheer- commissaris in enig resort en/of in een (openbare) terechtzitting van de strafkamer van enige rechtbank of gerechtshof, dan wel ingevolge enige (andere) wettelijke verplichting, mededeling doen over de totstandkoming van deze overeenkomst en de wijze waarop aan deze overeenkomst uitvoering wordt gegeven. De getuige zal geen mededeling doen over (aspecten van) getuigenbescherming(smaatregelen).
Slechts bij de eerste drie verplichtingen – het onvoorwaardelijk zijn medewerking verlenen aan het afleggen van nadere verklaringen over de dealfeiten tegenover de recherche (1.1), tegenover rechters (1.2) en het bij die verhoren niet mogen weigeren te verklaren over zijn eigen betrokkenheid bij de dealfeiten en het zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaren (1.3) – is het niet, niet volledig of niet naar behoren nakomen herstelbaar. Bij niet-nakoming van de overige verplichtingen, waarbij met name de onder 1.4 opgenomen verplichting voor [medeverdachte 6] dat de inhoud van zijn (kluis)verklaringen naar zijn beste weten volledig op waarheid berust in het oog springt, is niet-nakoming onherstelbaar. Naar haar aard kan een bepaling als artikel 4.2 slechts betrekking hebben op herstelbaar niet nakomen. Echter, ook zonder deze bepaling vloeit uit de artikelen 6:265 jo. 6:82 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voort dat bij dergelijk niet nakomen pas tot ontbinding van de overeenkomst kan worden overgegaan nadat de schuldenaar een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen die termijn uitblijft. Een dergelijke contractsbepaling voegt dus niets toe. De stelling van de verdediging dat artikel 4.2 een vrijbrief is om te liegen en daarmee een ongeoorloofde toezegging van het Openbaar Ministerie, is derhalve onjuist.
3.2.4.3 Samenvatting en conclusie
Uit het hiervoor besprokene volgt dat de kroongetuigenregeling niet onjuist is toegepast door het Openbaar Ministerie en dat er geen aanwijzingen zijn dat aan [medeverdachte 6] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Daarbij geldt dat de overeenkomst met [medeverdachte 6] betrekking heeft op feiten als bedoeld in artikel 226g Sv en het Openbaar Ministerie het naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [medeverdachte 6] te komen. Hij kon immers verklaren over een aantal voltooide en mislukte liquidaties waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen behelsden bovendien de vermeende opdrachtgever en het middenkader, die tot op dat moment niet of nauwelijks in beeld waren bij justitie. Door de verklaringen van [medeverdachte 6] kon zicht worden verkregen op een nog actieve criminele organisatie (zie hoofdstuk 4.10 Zaaksdossier 140 Sr (criminele organisatie)) die (mede) als oogmerk had het plegen van moorden, die tot dan toe onder de radar was gebleven. Ook in onderling verband en samenhang bezien is er geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of het uitsluiten van de verklaringen van [medeverdachte 6] van het bewijs op die grond niet slagen.
3.2.5
Betrouwbaarheid van de kroongetuige
3.2.5.1 Verweer van de verdediging
Kern van het verweer van de verdediging is de stelling dat uit de bewoordingen van de wet en de Aanwijzing voortvloeit dat niet alleen de verklaringen van de kroongetuige op betrouwbaarheid dienen te worden beoordeeld, maar ook de persoon van de kroongetuige.
Daarbij heeft de verdediging in de eerste plaats gewezen op getuigen die [medeverdachte 6] omschrijven als een (pathologische) leugenaar. Ook wijst de verdediging op de wijze waarop [medeverdachte 6] (volgens de verdediging) overkomt als hij door rechters verhoord wordt (snel pratend, op het eerste oog betrouwbaar, maar ijskoud en zonder spijt) en het beeld dat opstijgt uit zijn iPhone-berichten (een nare houding naar zijn familie inzake getuigenbescherming, een schaker, een manipulator, ijskoud, iemand die aangeeft een boef te blijven, iemand die zich diffamerend uitlaat over de medewerkers van het Team Getuigenbescherming (TGB) en die het onderste uit de kan wil). Het beeld dat volgens de verdediging blijft hangen is een kroongetuige die enkel oog heeft voor zijn eigen belang, die zich superieur voelt, meedogenloos (over de ruggen van derden) en manipulatief is, die volgens eigen zeggen altijd crimineel zal blijven en die bereid is tot leugens voor eigen bestwil. Daarnaast heeft de verdediging zich uitgeput in het fileren van de vele verklaringen van de kroongetuige en daarbij gewezen op vele inconsistenties, ongerijmdheden dan wel onwaarschijnlijkheden, speculaties en – in haar ogen – kennelijke leugens in deze verklaringen. De conclusie van de verdediging is dat de kroongetuige niet betrouwbaar is en dat zijn verklaringen op vele punten onwaar zijn en daarom niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.
3.2.5.2 Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij een crimineel is, en dat blijkt ook uit het dossier. Ook heeft hij tijdens het proces onder ede tegenover de rechtbank gelogen over de telefoons die hij in zijn cel heeft gehad en heeft hij lange tijd gewacht met het beantwoorden van bepaalde vragen, terwijl duidelijk was dat hij die vragen wel moest beantwoorden. [medeverdachte 6] heeft nadien telkens uitleg gegeven over zijn beweegredenen voor zijn handelen tijdens die verhoren. Wat hier ook allemaal van zij – voor de beoordeling door de rechtbank is het uiteindelijk niet relevant. Waar het om gaat is of de verklaringen die [medeverdachte 6] over de dealfeiten heeft afgelegd betrouwbaar zijn. Het is niet aan de rechtbank om een oordeel te geven over het karakter of de rechtschapenheid (of het gebrek daaraan) van de persoon [medeverdachte 6] . Kennisname door de rechtbank en de procespartijen van een (al dan niet bestaand) psychologisch rapport dat (in een ander kader dan het kader van zijn strafzaak) over [medeverdachte 6] zou zijn opgemaakt acht de rechtbank daarom niet relevant. [medeverdachte 6] is een criminele getuige. Dat gegeven en de omstandigheid dat hij zelf van (betrokkenheid bij) zeer ernstige strafbare feiten wordt verdacht en het Openbaar Ministerie met hem een verklaringsovereenkomst heeft gesloten in ruil voor strafvermindering, noopt bij gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs uiteraard tot behoedzaamheid. De in artikel 360 lid 2 Sv geformuleerde opdracht van de wetgever aan de rechter om in dat geval daarvoor in het bijzonder reden te geven is ingegeven door het aan de figuur van de kroongetuige verbonden risico.
Beoordeling
Daarnaast vraagt hij de liaison officer of het mogelijk is om [verdachte] met een vliegtuig te komen ophalen. De liaison officer antwoordt daarop dit in Nederland te moeten navragen maar te verwachten dat een termijn van 24 uur haalbaar is. Daarop informeert de liaison officer de officier van justitie van het Landelijk Parket hierover. Op 17 december 2019 omstreeks 21:19 uur laat [naam Colonel] de liaison officer weten dat er toestemming is om [verdachte] uit te leveren, dat er een bericht via Interpol Abu Dhabi wordt verzonden naar Interpol Den Haag en dat hij graag zo snel mogelijk hoort of en op welke termijn Nederland een veiligheidsmissie kan sturen, waarbij de voorkeur van Dubai uitgaat naar een privévliegtuig in verband met de afhandeling en veiligheid. De liaison officer deelt daarop mede dat hij deze boodschap direct zal overbrengen, wat hij ook doet door de officier van justitie van het Landelijk Parket te informeren. De officier van justitie zegt daarop tegen de liaison officer zorg te zullen dragen voor een antwoord aan Abu Dhabi Interpol via Interpol Den Haag. De liaison officer informeert ook het sectorhoofd van de Dienst Landelijke Informatieorganisatie (DLIO) van de Landelijke Eenheid mondeling over de bovengenoemde informatie uitwisseling.102 Dit sectorhoofd bevestigt deze gang van zaken.103In de schriftelijke bevestiging van Interpol Abu Dhabi aan Interpol Den Haag104 staat:
‘Subject: Extradition of [verdachte] , Red Notice no. A-9037/8-2019
Dear colleagues,
Please know that our competent authority had arrested the a/m person in our country , and in the spirit of enhancing and strengthening the mutual cooperation between our countries in the field of arresting the wanted fugitives in the international level, it has been approved to extradite the wanted [verdachte] toward your country.
Therefore, you are kindly requested to prepare and send your security mission and informs us by their names and flight details.
Your expedite reply is highly appreciated.’
Op het moment dat dit bericht door Interpol Den Haag wordt ontvangen heeft het Landelijk Parket nog geen bericht ontvangen over stukken die voor de uitleveringsprocedure nodig zijn en gelet op de hiervoor genoemde contacten waarin het voornemen [verdachte] over te dragen is geuit met het verzoek snel vervoer te regelen, wordt er bij het Landelijk Parket van uitgegaan dat met ‘extradite’ wordt bedoeld dat [verdachte] zal worden uitgezet. Op 17 december 2019 wordt vervolgens aan Interpol Abu Dhabi bericht dat Nederland is gestart met de voorbereidingen voor het vervoer van [verdachte] met een vliegtuig.105
Ook het hoofd van de Dienst Landelijke Recherche wordt geïnformeerd dat de autoriteiten in Dubai hebben besloten [verdachte] uit te zetten en hem over willen dragen aan de Nederlandse autoriteiten en dat is verzocht om voor die overdracht naar Dubai te reizen en [verdachte] naar Nederland te vervoeren. Aan hem wordt op 17 december 2019 opdracht verstrekt om, onder gezag van een officier van justitie van het Landelijk Parket, het vervoer van [verdachte] vanuit Dubai naar Nederland te realiseren. Direct aansluitend wordt opdracht gegeven aan operationeel leidinggevenden binnen de Dienst Landelijke Recherche en de Dienst Speciale Interventies (hierna: DSI) om uitvoering te geven aan deze opdracht.106
Organisatie en verloop van de overbrenging van [verdachte] naar Nederland
17 december 2019
Op 17 december 2019 omstreeks 20:00 uur ontvangt het hoofd van de DSI van de politiechef van de Landelijke Eenheid het bericht dat [verdachte] in Dubai is aangehouden en dat de autoriteiten in Dubai hebben verzocht [verdachte] op te komen halen in Dubai. De politiechef meldt daarbij dat voor het transport van [verdachte] van Dubai naar Nederland een verzoek voor bijstand van de DSI, als bijzondere bijstandseenheid (BBE), ingediend is/gaat worden. Daarop geeft het hoofd van de DSI – in afwachting van die schriftelijke opdracht van de minister van Justitie en Veiligheid – diezelfde dag omstreeks 20:15 uur aan de Operationeel Commandant van de DSI opdracht om met de voorbereiding en organisatie van het transport van [verdachte] per vliegtuig van Dubai naar Nederland te starten. Hij ontvangt later die avond om 21:23 uur van de politiechef van de Landelijke Eenheid een kopie van het hiervoor genoemde bericht van Interpol Abu Dhabi met als onderwerp ‘Extradition of [verdachte] , Red Notice no. A-9037/8-2019’.107
18 december 2019
Het hoofd van de DSI ontvangt op woensdag 18 december 2019 omstreeks 08:00 uur de schriftelijke opdracht voor de inzet van de DSI bij het transport van [verdachte] vanuit Dubai naar Nederland. Op dat moment zijn de voorbereidingen voor het transport van [verdachte] in een vergevorderd stadium.108 De liaison officer informeert de afdeling Interpol van de Dubai Police omstreeks 08:30 uur (Dubai tijdzone +3 uur) over het vluchtnummer en de Nederlandse vertrektijd van het vliegtuig.109Op woensdag 18 december 2019, omstreeks 13:00 uur, vertrekt het samengestelde team dat door het hoofd van de DSI belast is met de uitvoering van het transport richting de luchthaven van Dubai, alwaar dit team op woensdag 18 december 2019 omstreeks 23:50 uur (lokale tijd in Dubai) arriveert. De Dubai Police draagt [verdachte] omstreeks 23:55 uur (lokale tijd in Dubai) over aan het Nederlandse transsportteam. Op de heen- en terugreis wordt gevlogen met een ander vliegtuig. Omstreeks 24:00 uur (lokale tijd in Dubai) vertrekt het team met [verdachte] vanuit Dubai naar Nederland.110
19 december 2019
Op de route naar Nederland maakt het vliegtuig op donderdag 19 december 2019, omstreeks 03:02 uur (lokale tijd in Boekarest), een tussenstop van circa 30 à 40 minuten om bij te tanken op de luchthaven van Boekarest. Na het tanken vervolgt het vliegtuig de reis naar Nederland, waar het op donderdag 19 december 2019 omstreeks 05:10 uur op de luchthaven in Eindhoven landt. Na deze landing wordt [verdachte] direct per helikopter overgebracht naar de EBI in Vught. Dit transport naar Vught wordt uitgevoerd door een ander team dan het team dat de vlucht vanuit Dubai naar Eindhoven heeft begeleid.111
Specifieke informatie over het vervoer van [verdachte] naar Eindhoven
De verbalisanten die op 17 december 2019 opdracht krijgen om naar Dubai te gaan om [verdachte] – in hun woorden – als ongewenst vreemdeling van de autoriteiten van Dubai over te nemen en hem in samenwerking met de collega’s van de DSI naar Nederland over te brengen, krijgen op 18 december 2019 door de teamleider van het onderzoeksteam Marengo te horen dat [verdachte] , door het bevel tot gevangenneming, in Dubai niet meer hoeft te worden aangehouden en niet voor een hulpofficier van justitie hoeft te worden voorgeleid.112 Deze in burger geklede verbalisanten vertrekken op woensdag 18 december 2019 met leden van de DSI en een arts vanuit Nederland naar Dubai.113 Zij komen op woensdag 18 december 2019 te 23:00 uur (plaatselijke tijd) aan op Dubai International Airport (DXB), de internationale luchthaven van Dubai. Zij verlaten het vliegtuig via de deurtrap en komen zo op het platform aan de ‘airside’ van de luchthaven.114 Zij zien dat een aantal zwarte personenauto's het platform op komt rijden in de richting van het vliegtuig waarmee [verdachte] zal worden overgebracht naar Nederland. De voertuigen komen nabij het vliegtuig tot stilstand.115 Meerdere mannen van de autoriteiten van Dubai spreken de verbalisanten aan. De verbalisanten wordt medegedeeld dat de autoriteiten van Dubai [verdachte] als ongewenst vreemdeling gaan uitzetten en hen wordt verzocht [verdachte] over te nemen. Een van de rechercheurs ontvangt uit handen van de autoriteiten van Dubai een in het Nederlands vertaald schriftelijk bewijs van overdracht en tekent dit.116 Aan hem wordt door de autoriteiten van Dubai ook een Nederlands paspoort overhandigd.
Dictum
Immers, de voordelen die de kroongetuige uit hoofde van de met hem gemaakte afspraken (kunnen) toevallen bergen het risico in zich dat die getuige kan menen er voordeel bij te hebben om in meer of mindere mate niet naar waarheid te verklaren.
Los van het bovenstaande geldt dat de rechter op grond van artikel 344a lid 4 Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan aannemen op grond van verklaringen van (kort gezegd) kroongetuigen. Die bepaling verzet zich er echter niet tegen dat de bewezenverklaring in beslissende mate wordt aangenomen op grond van de verklaring van een kroongetuige.8 Het voorgaande betekent dus dat voor een zaak met een enkele kroongetuige de gewone regels van het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv gelden. Dit betekent dat een bewezenverklaring niet geheel gebaseerd mag worden op de verklaring van deze getuige. Het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv betreft echter de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. Deze bepaling verbiedt de rechter om tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.9
De verklaringen van [medeverdachte 6] dienen dus kritisch bekeken te worden. Daarbij geldt voor de rechtbank dat de kluisverklaringen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid een sleutelrol vervullen, nu van deze verklaringen met de meeste zekerheid aangenomen kan worden dat ze niet zijn beïnvloed door voortschrijdende kennis van het dossier en mediaberichten en andere invloeden die (gewild of ongewild) de authenticiteit van verklaringen kunnen beïnvloeden. [medeverdachte 6] heeft in de periode van januari tot en met mei 2017 in de kluisverklaringen zeer uitgebreid verklaard over de dealfeiten. In deze periode had hij geen toegang tot enig dossier en ook geen toegang tot openbare bronnen (los van de toegang tot Google Maps of Google Street View tijdens verhoren, om bijvoorbeeld een locatie aan te kunnen wijzen). Hij heeft dus enkel uit zijn geheugen kunnen putten. De rechtbank constateert dat [medeverdachte 6] in zijn kluisverklaringen buitengewoon gedetailleerd heeft verklaard over de zaken waar hij zelf bij betrokken zegt te zijn geweest (te weten Kreta, Tennis, Roos/Doorn en de criminele organisatie), zowel over zijn eigen rol als over de rollen van medeverdachten. Over de andere dealfeiten – waar hij niet zelf bij betrokken is geweest – heeft hij eveneens uitgebreid verklaard en daarbij ook steeds aangegeven wat zijn bronnen van wetenschap waren (doorgaans van horen zeggen, waarbij zijn bronnen veelal ‘de straat’, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] waren).
[medeverdachte 6] wist dat zijn verklaringen in aanloop naar een mogelijke kroongetuigenovereenkomst zoveel mogelijk geverifieerd zouden worden en dat leugens over zijn eigen rol (door deze kleiner te maken) of de rollen van anderen (door hen onterecht te beschuldigen) een kroongetuigenovereenkomst in gevaar konden brengen. Wat hij niet wist, was dat de Ennetcom-server en een deel van de PGP-safe-server gekopieerd zouden worden en dat in de periode na het afleggen van de kluisverklaringen een zeer grote hoeveelheid PGP-berichten rondom de dealfeiten boven tafel zou komen en dat deze PGP-berichten ook bij de verificatie van zijn verklaringen konden worden betrokken. De rechtbank constateert dat juist deze PGP-berichten de verklaringen van [medeverdachte 6] op veel punten (vaak tot in de details) ondersteunen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 6] tijdens de vele verhoren – bij de recherche, bij de rechter-commissaris en op zitting – consistent is blijven verklaren over de dealfeiten, zijn eigen rol en de rollen van anderen. De conclusie van de verdediging van [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 6] een groot aantal evidente onwaarheden heeft verklaard onderschrijft de rechtbank derhalve niet. De rechtbank constateert dat deze beweerdelijke evidente onwaarheden voor zover het de dealfeiten betreft telkens (onderdelen van) verklaringen van [medeverdachte 6] betreffen die geen of weinig ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen. Dat maakt het echter geen onwaarheden. De omstandigheid dat een ( deel van een) verklaring niet of niet geheel geverifieerd kan worden, maakt niet dat deze gefalsificeerd (en dus onwaar) is. Het kan uiteraard wel met zich brengen dat de bewijskracht van (dat deel van) die verklaring minder groot is.
De rechtbank beschouwt [medeverdachte 6] gezien het voorgaande als een betrouwbaar verklarende getuige, waar het gaat over strafbare feiten die aan hem en zijn medeverdachten in de zaak Marengo ten laste zijn gelegd. Uiteraard moet de rechtbank bij de beoordeling van de zaaksdossiers steeds onderzoeken of de voor het bewijs relevante onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 6] de betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan. Per zaaksdossier zal, voor zover de kroongetuige daarover voor de verdachten belastend heeft verklaard, nader worden ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 6] .
3.2.6
Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU?
De rechtbank begrijpt uit de dupliek van de verdediging van [verdachte] dat voorwaardelijk is verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie EU) over – samengevat – de vraag of de beperkingen voor de verdediging om de financiële afspraken met de kroongetuige te kunnen controleren, onder meer tijdens de ondervraging van de kroongetuige, zich nog verdragen met een doeltreffend proces.
De rechtbank komt, gelet op de voorgaande beslissing, toe aan de beoordeling van dit verzoek. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen grond voor het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek daarom af.
3.3
PGP-bewijs
3.3.1
Inleiding
De verdediging heeft verweren gevoerd met betrekking tot de rechtmatigheid van de verkrijging en verwerking van PGP-berichten afkomstig uit de Ennetcom-data en de PGP-safe-data. De rechtbank zal hieronder eerst de feitelijke gang van zaken beschrijven en vervolgens de gevoerde verweren bespreken.
3.3.1.1 Algemene uitgangspunten
Uitgangspunt in ons recht is dat het privéleven en privé-gegevens een hoge mate van bescherming genieten. Dat geldt zowel in het Unierecht, waar dit is vastgelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), als in het EVRM, waar het recht op privacy is vastgelegd in artikel 8, als ook in onze nationale wetten. De Nederlandse rechter toetst niet aan de grondwet, maar ook daarin zijn onder andere het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10) en het briefgeheim (artikel 13) vastgelegd.
Deze rechten geven echter geen onbeperkte bescherming. Inperking is mogelijk, maar moet bij wet zijn voorzien en noodzakelijk, evenredig en proportioneel zijn. Dit is bepaald in artikel 52 Handvest en in artikel 8 lid 2 EVRM. Daarbij geldt dat hoe zwaarder de verdenking is (zeer ernstige misdrijven, georganiseerd verband), hoe groter de inbreuk in principe mag zijn.
3.3.1.2 Toetsingskader
Het feit dat de Ennetcom- en PGP-safe-data niet in het onderzoek Marengo zijn vergaard maar in andere onderzoeken (De Vink en Sassenheim), staat niet (zie hoofdstuk 3.1 Algemeen kader vormverzuimen) aan een toetsing van de verkrijging en verwerking in de weg. Toetsing kan aan de orde komen bij een onrechtmatige handeling jegens de verdachte begaan in een ander voorbereidend onderzoek indien het vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of verdere vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank constateert dat de Ennetcom- en PGP-safe-berichten – overigens ook volgens het Openbaar Ministerie zelf – in het onderzoek Marengo een prominente rol spelen in de bewijsconstructie.
Beoordeling
Dit paspoort, met nummer [paspoortnummer] , is voorzien van een pasfoto van [verdachte] , maar staat op naam van [betrokkene 23] (hierna: [betrokkene 23] ), geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] .117
Gezien wordt dat [verdachte] uit een van de zwarte personenauto's door politiefunctionarissen van de Dubai Police naar buiten wordt geleid. [verdachte] heeft een donkere gezichtsbedekking die de ogen, de neus en de mond bedekt en hij draagt enkel- en handboeien. [verdachte] wordt door politiefunctionarissen van de Dubai Police ter plaatse gefouilleerd en zijn enkel- en handboeien worden verwijderd. Vervolgens vindt de overdracht plaats en wordt [verdachte] door twee leden van de DSI gefouilleerd, voorzien van handboeien en een andere donkere gezichtsbedekking die de ogen en een deel van de neus bedekt. [verdachte] wordt een koptelefoon opgedaan om het omgevingsgeluid tijdens de vlucht voor hem te dempen. Direct na het boeien en het fouilleren, op het platform van de luchthaven in Dubai, spreekt de Nederlandse verbalisant [verdachte] in de Nederlandse taal aan, vergewist hij zich ervan dat [verdachte] hem verstaat en maakt hij zich kenbaar als Nederlandse politieambtenaar. De verbalisant deelt [verdachte] in de Nederlandse taal het volgende mee: “Wij hebben u zojuist uit handen van de autoriteiten van Dubai overgenomen en zullen u ter geleiding voor een Nederlandse rechter onmiddellijk per vliegtuig overbrengen naar Nederland”, of woorden van gelijke strekking. De verbalisant hoort [verdachte] hierop, in de Nederlandse taal, luid en duidelijk reageren met: “Dank u, dank u, dank u.” Vervolgens wordt [verdachte] medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht en wordt hem naar zijn naam en verdere persoonsgegevens gevraagd, waarop [verdachte] de eerder genoemde personalia opgeeft. De verbalisant herkent [verdachte] door de combinatie van zijn gezicht, de paspoortfoto en de verouderingstekening. Direct hierna wordt [verdachte] door leden van de DSI het vliegtuig in geleid. Tijdens de overdracht, het gesprek op het platform en de vlucht naar Nederland hoort de verbalisant [verdachte] niets zeggen of vragen over consulaire bijstand van Nederland of Marokko. Ook blijkt hem tijdens de fouillering, de overdracht, het gesprek op het platform en tijdens de vlucht naar Nederland uit niets dat [verdachte] zich verzet of protesteert tegen zijn overbrenging naar Nederland. Zij vliegen vanaf de internationale luchthaven van Dubai met een ander vliegtuig – dat op de luchthaven in Dubai voor hen gereed staat – direct terug richting Nederland met een tussenstop op de luchthaven van Boekarest in Roemenië.118 Een collega-verbalisant die eveneens aanwezig is bij de reis naar Dubai, de overdracht van [verdachte] in Dubai en de vlucht naar Nederland, doet dezelfde waarnemingen, met uitzondering van de herkenning van [verdachte] . Hij beschrijft dat hij links van [verdachte] staat en hem bij het wisselen van de gezichtsbedekking niet in het gelaat kan kijken.119
De teamleider van het Aanhoudings- en Ondersteuningsteam verklaart over het transport van [verdachte] dat hij samen met zes collega’s van de DSI, het transportteam, op 18 december 2019 omstreeks 13.00 uur vanuit Amsterdam naar Dubai vliegt. Deze teamleider verwijst naar het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door het hoofd van de DSI voor verdere toelichting op het vluchtschema en met welke twee vliegtuigen er wordt gevlogen. Er wordt bijgetankt in Boekarest.120
Beeldmateriaal en informatie van de autoriteiten van Dubai
Van de arrestatie van [verdachte] zijn geen beelden beschikbaar gekomen. Op het rechtshulpverzoek van 11 december 2020121 met de vraag of er foto’s zijn of er ander beeldmateriaal is gemaakt van [verdachte] tijdens diens arrestatie, vrijheidsbeneming en eventuele andere bejegening van [verdachte] en of daarover de beschikking kan worden verkregen, hebben de autoriteiten van de VAE op 31 mei 2021 geantwoord: “Nee, er werden geen foto's genomen noch video's opgenomen tijdens de inbewaringstelling, in de wetenschap dat betrokkene op de Internationale Rode Lijst stond. Over de vrijheidsberoving en de onmenselijke behandeling van betrokkene delen wij u mede dat hij op een menselijke wijze behandeld werd volgens de vastgestelde federale maatregelen in de Verenigde Arabische Emiraten. Tevens conform de wetten en de regelingen van de strafrechtprocedure die de rechten van verdachten waarborgen.”122 Op het aanvullende rechtshulpverzoek aan de VAE van 10 december 2021 is op 2 oktober 2023 (opnieuw) de reactie gekomen dat er geen beeldmateriaal is gemaakt.123
Beeldmateriaal gemaakt door Nederlandse verbalisanten
Tijdens de overdracht en voor en na de overbrenging van [verdachte] naar Nederland maakt een verbalisant foto’s. Deze worden bij terugkomst in Nederland opgeslagen op een harde schijf die onmiddellijk ter beschikking wordt gesteld aan het onderzoeksteam Marengo.124 Twee foto’s van [verdachte] zijn gemaakt tijdens het transport125 en zes andere foto’s126 waren al eerder in het persoonsdossier van [verdachte] opgenomen, maar later zijn alle 151 gemaakte foto’s nader omschreven en gevoegd in het dossier. Daarbij is op vordering van de officier van justitie127 door de rechter-commissaris een machtiging128 verleend tot het onthouden van identificerende gegevens en DSI-methodieken op de foto’s. Vervolgens zijn de personen – op [verdachte] na – en andere herleidbare kenmerken afgebeeld op deze foto’s onherkenbaar gemaakt. De foto’s zijn op woensdag 18 december 2019 en donderdag 19 december 2019 door verbalisanten met hun mobiele telefoons gemaakt. Op de 151 foto’s is in chronologische volgorde het volgende te zien: het vertrek vanaf de luchthaven in Nederland met een gecharterd vliegtuig, de reis naar Dubai, de aankomst op de luchthaven in Dubai, de overdracht van [verdachte] door de Dubai Police, het gezicht van [verdachte] na verwijdering van de gezichtsbedekking tijdens de vlucht, de tussenstop op de luchthaven in Boekarest en de aankomst op de luchthaven in Nederland en het vertrek per helikopter. Bij deze laatste omschrijving (de aankomst op de luchthaven in Nederland en het vertrek per helikopter) maakt de rechtbank de kanttekening dat zij wel wil aannemen dat de foto daarvan is gemaakt, maar dat dit niet goed zichtbaar is vanwege de duisternis. Op die foto is namelijk alleen een vliegtuig en een gele streep die doet denken aan een landingsbaan met in de verte lichten te zien.129
Specifiek over het vervoer van [verdachte] van Eindhoven naar de EBI in Vught
Het vervoer van [verdachte] vanaf de luchthaven in Eindhoven met een helikopter naar de EBI in Vught wordt begeleid door een ander team dan het team dat het vervoer begeleidde van Dubai naar Eindhoven. De DSI-medewerker die belast is met het overbrengen van [verdachte] van de luchthaven in Eindhoven naar de EBI in Vught neemt [verdachte] om 05:10 uur op de luchthaven in Eindhoven over van een medewerker van de DSI die het transport van Dubai naar Eindhoven had begeleid. Hij loopt met [verdachte] naar de helikopter. De afstand tussen het vliegtuig en de helikopter is ongeveer vijftig meter. Tijdens de verplaatsing met de helikopter wordt niet met [verdachte] gesproken. Zowel tijdens het opstijgen als het landen zijn de deuren kort geopend. Tijdens de gehele verplaatsing door de lucht zijn de deuren van de helikopter gesloten. Dit is volgens de standaardprocedures en richtlijnen. De vlucht van de luchthaven in Eindhoven naar de EBI in Vught duurt ongeveer twaalf minuten. Hierbij wordt niet afgeweken van de standaardprocedures.
Dictum
De rechtbank is daarom van oordeel dat eventuele vormverzuimen bij de verkrijging en de verwerking van de PGP-data binnen de onderzoeken De Vink en Sassenheim van bepalende invloed zijn geweest bij het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachten binnen Marengo. Dit betekent niet dat de rechtbank de onderzoeken De Vink en Sassenheim ziet als voorbereidend onderzoek naar de verdachten in het onderzoek Marengo. Het betekent uitsluitend dat zij reden ziet de rechtmatigheid van de verkrijging en verwerking van de Ennetcom- en PGP-safe-data te toetsen, naar aanleiding van de door verdediging op dit punt gevoerde verweren.
3.3.2
Feitelijke gang van zaken
3.3.2.1 Ennetcom-data (onderzoek De Vink)
In het dossier bevindt zich een groot aantal e-mailberichten afkomstig van in Canada bij het Nederlandse bedrijf Ennetcom veiliggestelde data. Ennetcom leverde diensten op het gebied van versleutelde communicatie. Met BlackBerry-telefoons voorzien van specifieke software konden via een PGP (pretty good privacy)-protocol met daaraan gekoppelde e-mailadressen versleutelde tekstberichten en notities worden verzonden. De gebruikers van de telefoons en e-mailadressen konden op die manier anoniem communiceren. De encryptiesleutels waren opgeslagen op de BlackBerry Enterprise-Servers (hierna: BES-servers) van Ennetcom. Deze servers bevonden zich in Toronto, Canada.
Na een rechtshulpverzoek van Nederland aan de Canadese autoriteiten zijn op 19 april 2016 de gegevens op de servers die door Ennetcom werden gebruikt veiliggesteld. Het rechtshulpverzoek zag op vier destijds lopende strafrechtelijke onderzoeken (Koper, Rooibos, Rendlia en De Vink).10 Het onderzoek Marengo maakte hier dus geen deel van uit.
Op 13 september 2016 besliste het Superior Court of Justice in Canada dat de bij Ennetcom veilig gestelde data (hierna: de Ennetcom-data) aan Nederland mochten worden verstrekt. De Canadese rechter verbond hieraan de voorwaarden dat de Ennetcom-data alleen mogen worden gebruikt voor onderzoek en vervolging van strafbare feiten als deelneming aan een criminele organisatie, moord, doodslag, witwassen, brand/ontploffing, alsmede pogingen en voorbereidingshandelingen daartoe, die direct verband hielden met de eerder genoemde onderzoeken Koper, Rooibos, Rendlia en De Vink, tenzij hiervoor van tevoren een gerechtelijke machtiging door het Koninkrijk der Nederlanden was afgegeven.11
Op 12 januari 2018 hebben de zaaksofficieren van justitie van de onderzoeken Tandem I en II een machtiging gevraagd aan de rechter-commissaris om Ennetcom-gegevens uit Tandem I en II te verstrekken aan en te laten gebruiken door het onderzoeksteam Marengo.12 In de toelichting op die vordering staat onder andere dat in de datasets in de zaken Tandem I en II gegevens zijn aangetroffen die voor de onderzoeken Tandem I en II niet van betekenis zijn, maar wel voor het onderzoek Marengo en dat tot de verdachten in dat onderzoek [verdachte] , [medeverdachte 6] , [betrokkene 15] , [betrokkene 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] behoren. Bij beslissing van 23 februari 201813heeft de rechter-commissaris het Openbaar Ministerie gemachtigd om de verzochte gegevens beschikbaar te stellen aan het onderzoeksteam Marengo. De informatie heeft geleid tot zestien e-mailadressen die te linken zouden zijn aan [verdachte] en/of zijn familieleden en aan een aantal liquidaties dan wel pogingen daartoe in de periode 2016/2017 (in het bijzonder de moord op [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) op 17 april 2016, de voorbereiding van moord op [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), de moord op [slachtoffer 6] op 8 december 2016, de moord op [slachtoffer 4] op 12 januari 2017, de moord op [slachtoffer 3] op 22 juni 2016, de moord op [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) op 9 september 2015 en de poging tot moord op [betrokkene 11] op 11 oktober 2016).14
Toen het onderzoeksteam Marengo toegang wilde tot de Ennetcom-data heeft het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris daartoe op 7 maart 2018, aangevuld op 21 maart 2018, om toestemming verzocht.15 Voor de inhoudelijke toetsing van deze vordering heeft de rechter-commissaris in lijn met eerdere beslissingen op vergelijkbare vorderingen aansluiting gezocht bij artikel 126ng Sv.
De rechter-commissaris heeft op 22 maart 201816 geoordeeld dat in het onderzoek Marengo aan deze voorwaarden is voldaan en bepaald dat onderzoek wordt verricht aan en in de gegevens die zich op de servers van Ennetcom bevonden, dat dit onderzoek op de voet van het bepaalde in artikel 177 Sv via de officier van justitie wordt opgedragen aan het onderzoeksteam Marengo. De rechter-commissaris heeft verder bepaald dat dit onderzoek is beperkt tot de 26 e-mailadressen en de mogelijk vastgelegde contacten daarvan, zoals opgesomd in de vordering van de officier van justitie van 21 maart 2018 en voorts dat dit onderzoek wordt verricht aan de hand van het bij de vordering van 21 maart 2018 gevoegde plan van aanpak, waarbij door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) een dataset wordt samengesteld uit de Ennetcom-data. In de beslissing wordt bepaald dat alleen de gegevens in die dataset mogen worden onderzocht en dat voor zover relevante gegevens worden aangetroffen, deze bevindingen aan de processtukken in het onderzoek Marengo worden toegevoegd. Op aanvullende vorderingen van het Openbaar Ministerie heeft de rechter-commissaris overeenkomstig beslist op 25 april 201817 en 10 september 201918. In het onderzoek De Vink heeft een controle op de aanwezigheid van mogelijke geheimhouders plaatsgevonden in de verkregen data van de servers van Ennetcom.19
3.3.2.2 PGP-safe-data (onderzoek Sassenheim)
In het dossier bevindt zich ook een groot aantal berichten dat afkomstig is van in Costa Rica bij het bedrijf Rack Lodge S.A. veiliggestelde data. Het veiligstellen van die data heeft plaatsgevonden in het onderzoek Sassenheim. Dit onderzoek zag, kort gezegd, op de faciliterende rol van de aanbieders van PGP-safe. Deze aanbieders werden verdacht van betrokkenheid bij de verkoop van producten en diensten op het gebied van versleutelde communicatie (PGP encrypted BlackBerry’s) aan criminelen. Om onderzoek naar de data van PGP-safe te kunnen doen is op 4 april 2017 (aangevuld op 24 april 2017) een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten in Costa Rica verzonden met onder andere het verzoek onderzoekshandelingen te verrichten aan de infrastructuur, waaronder data aanwezig op de (BES-)server(s), van de leverancier van PGP-diensten en -producten.20
Op 9, 10 en 11 mei 2017 is in Costa Rica uitvoering gegeven aan dit rechtshulpverzoek, waarbij onder andere data zijn veiliggesteld die werden aangetroffen op de (BES-)server(s) van PGP-safe. De BES-infrastructuur bevond zich in twee serverkasten waarvan er één sinds 2012 en één sinds 2016 aan PGP-safe was verhuurd. Het onderzoek is beperkt tot de serverkast die was verhuurd sinds 2012. Toen de Costa Ricaanse autoriteiten de doorzoeking beëindigden waren nog niet alle bestanden gekopieerd.
Beoordeling
[verdachte] wordt direct na aankomst in Vught overgedragen aan het personeel van de EBI, aldus de verbalisant.130
[verdachte] wordt na aankomst in de EBI op 19 december 2019 diezelfde middag gehoord door de rechter-commissaris op het bevel tot gevangenneming van de rechtbank van 24 september 2019.131
Consulaire bijstand/Marokko
[verdachte] geeft volgens een van de bij het transport aanwezige verbalisanten tijdens zijn overdracht en/of overbrenging niet aan dat hij niet naar Nederland (of Marokko) wil worden overgebracht. Hij uit tijdens zijn overdracht en overbrenging op geen enkele wijze enig protest, stelt geen vragen en vraagt niet om consulaire bijstand van Marokko.132 Ook een andere verbalisant die gedurende de vlucht naar Nederland in de nabijheid van [verdachte] zat hoort [verdachte] op geen moment iets zeggen of vragen omtrent het feit dat hij overgebracht zou worden naar Nederland of Marokko dan wel het verzoek tot consulaire bijstand van de Marokkaanse autoriteiten.133De liaison officer heeft naar eigen zeggen geen gesprekken gevoerd met de autoriteiten van Marokko.134
Documenten getekend door [verdachte] in Dubai
De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie opgedragen te achterhalen of er door [verdachte] documenten zijn ondertekend en of daarover de beschikking kan worden verkregen. Daartoe is op 11 december 2020 een rechtshulpverzoek ingediend bij de autoriteiten van de VAE met daarin de vraag of [verdachte] documenten bij de competente autoriteiten van Dubai heeft ondertekend en of het mogelijk is om kopieën van deze (twaalf) documenten te verkrijgen.135 De autoriteiten van Dubai hebben hierop op 31 mei 2021 geantwoord: “Wat de documenten betreft delen wij u mede dat betrokkene slechts één document heeft ondertekend: "verklaring van geen bezwaar om, volgens de gevolgde maatregelen, uitgeleverd te worden aan de Nederlandse autoriteiten”.136In reactie op het aanvullende rechtshulpverzoek van 10 december 2021 hebben de autoriteiten van de VAE op deze vraag het volgende laten weten: “De persoon in kwestie heeft twee documenten ondertekend, ten eerste het document van verklaring, en ten tweede het document van geen bezwaar tegen zijn uitlevering aan de Nederlandse autoriteiten ingevolge de internationale Red Notice omdat hij door hen gezocht werd, conform de wettelijke procedures.”137
3.5.1.2.4 Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de autoriteiten van de VAE geen uitleveringsverzoek hebben afgewacht maar [verdachte] hebben overgedragen aan Nederland nadat – in de woorden van de autoriteiten van de VAE – toestemming ‘to extradite’ was verkregen. Voorstelbaar is dat de Nederlandse autoriteiten dit bericht in die zin hebben opgevat dat [verdachte] als ongewenst vreemdeling zou worden uitgezet. Het document ‘akte van overdracht’ en het valse paspoort dat [verdachte] in zijn bezit had wijzen daar ook op. In die ‘akte van overdracht’ staat immers de naam [verdachte] vermeld met zijn alias [betrokkene 23] , met daarachter de vermelding van het paspoortnummer van het valse paspoort. Op basis van de beantwoording van de rechtshulpverzoeken over de documenten die [verdachte] heeft ondertekend is het ook mogelijk dat met toestemming ‘to extradite’ wordt gedoeld op het door [verdachte] ondertekende document ‘geen bezwaar volgens de gevolgde maatregelen te worden uitgeleverd aan Nederland’. Wat de beweegredenen van de autoriteiten van de VAE om [verdachte] over te dragen ook zijn geweest, de rechtbank komt op basis van de geschetste gang van zaken tot de conclusie dat de autoriteiten van de VAE daar uit eigen beweging voor hebben gekozen. Er zijn geen aanwijzingen dat de Nederlandse autoriteiten hebben aangestuurd op deze beslissing waardoor er geen uitleveringsprocedure is gevolgd. De omstandigheid dat er na de aanhouding contact is geweest over de feitelijke overdracht van [verdachte] , wijst er niet op dat Nederland met de autoriteiten van de VAE heeft samengewerkt om een verkapte uitlevering te bereiken. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie na het bericht over de aanhouding van [verdachte] een aanvang heeft genomen met het opstellen van een officieel uitleveringsverzoek wijst eerder op het tegendeel. Dat er uiteindelijk geen uitleveringsverzoek is gedaan is slechts het gevolg van de eigen beslissing van de autoriteiten van de VAE. Van een schending van artikel 5 EVRM is geen sprake, nu de vrijheidsbeneming op grond van het bevel tot gevangenneming was gerechtvaardigd. Van een schending van de soevereiniteit van de VAE is evenmin sprake nu Nederland [verdachte] op verzoek van de autoriteiten van de VAE heeft opgehaald.
De omstandigheid dat Nederland voorafgaand aan de aanhouding van [verdachte] op meerdere momenten gedetailleerde informatie over [verdachte] heeft gedeeld met de Dubai Police maakt de conclusie dat de autoriteiten van de VAE er uit eigen beweging voor hebben gekozen om [verdachte] over te dragen niet anders. Hoewel deze informatiedeling uitvoerig was en bij gelegenheid persoonlijke gegevens van [verdachte] , zijn familieleden en zijn mogelijke (criminele) contacten inhield, moet dit in het licht worden gezien van de uitgegane Red Notice gericht op de opsporing en aanhouding van [verdachte] . Hij was op dat moment immers voortvluchtig en er waren – zo begrijpt de rechtbank – serieuze aanwijzingen dat hij in Dubai verbleef. De omstandigheid dat de autoriteiten van de VAE op het herhaalde aanbod van Nederland hebben laten weten dat het niet nodig was dat Nederland zou helpen bij de opsporing van [verdachte] in Dubai, vormt een bevestiging dat de VAE zelfstandig heeft gehandeld. De stelling dat [verdachte] door de Dubai Police tot in detail over de verdenkingen zou zijn bevraagd betekent nog niet dat Nederland bij dat verhoor betrokken moet zijn geweest. De Red Notice bevatte immers behoorlijk uitvoerige informatie over de verdenkingen in de Marengo-zaaksdossiers en de overige verdenkingen jegens [verdachte] en de ondervraging kan daarop gebaseerd zijn. Dat dit ook het geval is, is inmiddels met zoveel woorden bevestigd door de autoriteiten van de VAE in het antwoord op het rechtshulpverzoek van 2 oktober 2023. Daarin schrijven zij dat [verdachte] is ondervraagd over de details zoals genoemd in de Red Notice en dat zij door geen enkele buitenlandse autoriteit zijn bijgestaan bij die ondervraging.138
De verdediging stelt meermaals dat uit haar eigen onderzoek naar onder meer vlieggegevens volgt dat het vliegtuig waarmee [verdachte] naar Nederland is vervoerd al klaarstond in Dubai, daarmee suggererend dat de Nederlandse autoriteiten vooraf op de hoogte waren van de aanstaande aanhouding en uitzetting van [verdachte] . Steeds heeft de verdediging daarbij vraagtekens gezet bij de verslaglegging door de Nederlandse politie en het Openbaar Ministerie. De stellingen van de verdediging op dit punt zijn echter speculatief en niet feitelijk onderbouwd. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen is gerelateerd over de wijze waarop de Nederlandse autoriteiten door de autoriteiten van de VAE zijn geïnformeerd over de aanhouding van [verdachte] en hoe daar vervolgens op is gehandeld.
Het standpunt van de verdediging dat Nederland onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij heeft nagelaten de autoriteiten van de VAE ertoe te bewegen (toch) een uitleveringsprocedure te volgen, onderschrijft de rechtbank niet. Zoals uit het weergegeven juridische kader volgt, is het aan het land waarin de verdachte is aangehouden om te bepalen hoe het gevolg geeft aan een (op een Europees aanhoudingsbevel gebaseerde) Red Notice.
De rechtbank concludeert dan ook dat van een verkapte uitlevering geen sprake is.
Dictum
De in Costa Rica aangetroffen data en overige goederen zijn vervolgens overgedragen aan het onderzoeksteam Sassenheim.21 De voorwaarde van een rechterlijke toets voor gebruik van de PGP-safe-data in andere onderzoeken, zoals in de beslissing van de Canadese rechter bij de Ennetcom-data, is door de Costa Ricaanse rechter niet gesteld voor de Sassenheim-data.
In het proces-verbaal onderzoeksbevindingen van 21 december 2017 staat dat in het onderzoek Sassenheim met betrekking tot het PGP-adres ezfk116w@pgpsafe.net relevante berichten zijn aangetroffen met betrekking tot de moord op [slachtoffer 4] op 12 januari 2017 en de poging moord op [betrokkene 12] op 14 januari 2017, waarvan de zaaksofficier van justitie in Sassenheim toestemming heeft gegeven deze te delen.22 Uit het proces-verbaal van 24 januari 2018 blijkt dat vervolgens door de zaaksofficier van justitie van het onderzoek Sassenheim ook toestemming is gegeven om de zogenoemde metadata van genoemd PGP-adres te delen met het onderzoek Marengo.23Vanuit het onderzoek Sassenheim is op 12 februari 2018 aan het onderzoek Marengo een aantal e-mailadressen verstrekt.24 Op 13 maart 2018 heeft het onderzoeksteam Marengo vanuit het onderzoek Sassenheim e-mailberichten ontvangen van 44 e-mailadressen. Het betrof hier de eerste kring van contacten van de op 12 februari 2018 aan het onderzoek Marengo verstrekte e-mailadressen. Later zijn daar nog e-mailadressen aan toegevoegd.25In het onderzoek Sassenheim heeft ook een controle op de aanwezigheid van mogelijke geheimhouders plaatsgevonden in de verkregen data van de servers van PGP-safe.26
3.3.2.3 Hansken/Marengo-dataset
Het NFI heeft een zoekmachine, genaamd Hansken, ontwikkeld om grote hoeveelheden data te onderzoeken. Bij het onderzoek aan de Ennetcom-data is gebruik gemaakt van Hansken. De Ennetcom-data zijn in de periode van 13 oktober 2016 tot 12 juli 2017 in Hansken ingevoerd.27Op 29 maart 2018 is binnen Hansken een subset gemaakt onder de projectnaam Canadata_26Marengo_PC, die na een nieuwe versie van Hansken is uitgebreid in april 2019.28
Ook bij het onderzoek aan de Sassenheim-data is gebruik gemaakt van Hansken. Uit dit onderzoek zijn data verstrekt aan het onderzoek Marengo. Daartoe is op 4 januari 2018 binnen Hansken een zogenoemde subset gemaakt onder de projectnaam Sassenheim_Marengo_PC. Die subset is laatstelijk uitgebreid op 27 augustus 2018.29
Aldus is op basis van de (aangevulde) plannen van aanpak met behulp van Hansken gezocht in de Ennetcom-data en is op basis daarvan het Ennetcom-gedeelte van de Marengo-dataset samengesteld. Daarnaast is Sassenheim-data binnen Hansken in een subset ter beschikking gesteld aan Marengo. Tezamen vormen deze sets de Marengo-dataset (hierna: de Marengo-dataset).
3.3.2.4 Controle geheimhouders Marengo-dataset
Op 30 januari 2020 heeft de rechercheofficier van justitie van het Landelijk Parket, die sinds 1 januari 2020 optrad als geheimhoudersofficier van justitie met betrekking tot de Marengo-dataset, het deel van de Marengo-dataset afkomstig van Ennetcom gecontroleerd op de aanwezigheid van mogelijke geheimhouderscommunicatie. Daarbij zijn 77 dataregels voorlopig als geheimhoudersbericht aangemerkt. Op 17 februari 2020 heeft deze geheimhoudersofficier van justitie het deel van de Marengo-dataset afkomstig van PGP-safe gecontroleerd op geheimhouderscommunicatie. Daarbij zijn geen geheimhoudersberichten aangetroffen. Op 26 juni 2020 heeft de geheimhoudersofficier van justitie nader onderzoek gedaan aan de genoemde 77 geïdentificeerde dataregels op basis waarvan ten aanzien van een zestal dataregels is geconcludeerd dat hier geen sprake was van een geheimhoudersbericht. Er zijn 71 dataregels definitief als geheimhoudersbericht aangemerkt.
Op 22 september 2020 heeft de geheimhoudersofficier van justitie opdracht gegeven deze 71 dataregels in de De Vink-dataset en de Marengo-dataset definitief ontoegankelijk te maken. Deze opdracht is op 13 oktober 2020 uitgevoerd. De 71 dataregels zijn blijkens het proces-verbaal 36 unieke berichten.30
3.3.3
Gevoerde verweren
3.3.3.1 Verwerving
Er is met betrekking tot de verwerving van de PGP-data in de onderzoeken De Vink en Sassenheim – samengevat – het volgende aangevoerd. De verdediging heeft sterke aanwijzingen dat het hoofddoel van de rechtshulpverzoeken was om de inhoud van alle berichten te verkrijgen. Er is gehandeld in strijd met fundamentele rechtsbeginselen zoals het verbod op détournement de pouvoir, het proportionaliteitsbeginsel, zorgvuldige verslaglegging en de belangen van geheimhouders. Het Openbaar Ministerie heeft ten onrechte artikel 125i Sv aan de rechtshulpverzoeken – en daarmee aan de verkrijging van de PGP-data – ten grondslag gelegd. Artikel 125la Sv, met daarbij een machtiging van de rechter-commissaris, had als basis moeten dienen en bij de uitvoering is niet voldaan aan de beperkende voorwaarden van 125la Sv, gericht op het voorkomen van kennisname van ongerichte bulkdata in het strafrecht. Kennisname van vertrouwelijke communicatie is een doorkruising van grondrechten die gestoeld moet zijn op een bij wet voorzienbare procedure die waarborgt dat de inmenging gericht is en een bepaald karakter heeft met een voorafgaande onafhankelijke rechterlijke toetsing. Daarmee geldt dat bij de verkrijging van de data zonder rechterlijke toetsing vooraf is gehandeld in strijd met het Unierecht en niet aan de materiële eisen uit de Europese jurisprudentie is voldaan. Op basis van deze jurisprudentie is verkrijging van algemene en ongedifferentieerde toegang tot communicatie van tienduizenden Ennetcom- en PGP-safe gebruikers over een min of meer ongelimiteerde tijdsspanne nimmer gerechtvaardigd. De stellingen dat niet geconcludeerd kan worden dat het Openbaar Ministerie zich niet aan de beperkende voorwaarden van artikel 125la Sv heeft gehouden en dat witwassen een ruime grondslag biedt om te achterhalen of de PGP-telefoons voor criminele doeleinden werden ingezet, zijn niet houdbaar. Daarnaast zijn de Canadese en Costa Ricaanse autoriteiten misleid over de aan de rechtshulpverzoeken ten grondslag liggende bevoegdheid en op grond van het vertrouwensbeginsel hebben zij geen effectieve rechterlijke controle kunnen uitoefenen. Ook is de verdenking in het rechtshulpverzoek aan Costa Rica ten onrechte verzwaard met terrorisme. Bovendien is het niet aannemelijk dat de Canadese en Costa Ricaanse rechter zoveel willekeurige berichten van willekeurige PGP-gebruikers hebben willen verstrekken, aldus de verdediging.
3.3.3.2 Verwerking
Met betrekking tot de verwerking van de PGP-data heeft de verdediging daarnaast het volgende – samengevat – aangevoerd. Het betreft bulkdata die ongericht en zonder aanzien des persoons is verzameld, en die volledig is doorzocht en is verspreid over andere strafzaken. Gegevens mogen op grond van het Unierecht alleen door de politie worden verwerkt als zij rechtmatig zijn verkregen en er sprake is van doelbinding en minimale gegevensverwerking. Regels omtrent verwerking moeten duidelijk en nauwkeurig zijn en voorspelbaar voor degenen op wie deze van toepassing zijn. Daarvan is geen sprake. In de onderzoeken De Vink en Sassenheim zijn de berichten zo ruim mogelijk ontsleuteld, terwijl de communicatie in die onderzoeken kennelijk van ondergeschikt belang was. Dit is een verregaande niet-proportionele inbreuk op de privacy van de gebruikers en artikel 94 Sv vormt daarvoor geen toereikende wettelijke grondslag. Er is vervolgens een systeem opgetuigd waarbij het Openbaar Ministerie beschikt over ongedifferentieerde privacygevoelige informatie en deze met een machtiging van de rechter-commissaris doorverstrekt aan andere onderzoeken zoals Marengo en deze verwerking is in strijd met het Unierecht en het EVRM. Ten aanzien van de PGP-safe-data heeft bij de doorverstrekking geen enkele rechterlijke controle plaatsgevonden en de procedure via de rechter-commissaris die voor de Ennetcom-data is verzonnen is geen effectief rechterlijk toezicht aan de hand van voorziene en duidelijke regels.
Beoordeling
De door de verdediging opgeworpen stelling dat Nederland profiteert van een onrechtmatige gang van zaken aangezien op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad geen uitlevering voor alle feiten zou hebben kunnen plaatsvinden, kan daarom onbesproken blijven.
3.5.2
Behandeling van [verdachte] in Dubai
De verdediging stelt dat [verdachte] bij zijn arrestatie en tijdens zijn verblijf op het politiebureau in Dubai is mishandeld en gemarteld en dat het Openbaar Ministerie daarvoor verantwoordelijk is te houden.
3.5.2.1 Letsel van [verdachte]
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] in Dubai letsel heeft opgelopen. Dit leidt de rechtbank allereerst af uit de processen-verbaal van de verbalisanten die bij de overdracht van [verdachte] naar Nederland betrokken zijn geweest. Zij zien de verkleuringen en beschadigingen in het gezicht van [verdachte] aanvankelijk niet vanwege de duisternis en de gezichtsbedekking van [verdachte] .139 Ook bij het wisselen van de gezichtsbedekking is dat niet duidelijk omdat [verdachte] op zijn knieën voorovergebogen zit en zijn lange haren voor zijn gezicht vallen. [verdachte] geeft op dat moment ook zelf niet aan dat hij lichamelijk letsel heeft.140 Als [verdachte] in het vliegtuig klaagt over pijn in zijn oren worden de – kennelijk nog door de politie in Dubai aangebrachte141 – oordoppen gezien en weggehaald. Tijdens dat weghalen klaagt [verdachte] dat hij pijn heeft aan zijn neus en vertelt hij: “Ik heb een gebroken neus. Deze is ontstaan tijdens mijn aanhouding. Je weet hoe dat gaat”. Bij het dan verwijderen van het gezichtsmasker is te zien dat [verdachte] een gezwollen neus heeft en dat beide oogkassen verkleurd zijn. Daarop onderzoekt de meegereisde arts [verdachte] en constateert dat [verdachte] een gebroken neus heeft.142Er worden foto’s gemaakt van het gezicht van [verdachte]143 waarop de gezwollen neus en blauwe ogen te zien zijn, aldus steeds de verbalisanten.144
Ook de rechter-commissaris neemt bij het verhoor van [verdachte] in de EBI op 19 december 2019 letsel bij hem waar. Dit volgt uit de volgende passage uit het proces-verbaal van dat verhoor: “U zegt mij dat ik er slecht uitzie. Opmerking rechter-commissaris: Verdachte heeft duidelijk zichtbaar letsel rond beide ogen en aan z’n neus, alsof hij flink in zijn gezicht is geslagen of geschopt.”
In dat proces-verbaal staat verder als verklaring van [verdachte] :
“Ik zie er nu juist best goed uit. Eerder zaten mijn ogen helemaal dicht. Ik denk dat mijn neus is gebroken. De begeleiders in het vliegtuig hebben nog foto’s gemaakt van mijn letsel om te voorkomen dat achteraf zou worden gezegd dat zij daarvoor verantwoordelijk zijn. Wat er is gebeurd? Houdt u het er maar op dat ik tegen een paar schoenen aan ben gelopen. Ik ben ook tegen een elektriciteitskabel aangelopen. U hoeft dat voor mij niet op te schrijven hoor. Zegt u maar dat ik ben gevallen. Of ik elders op mijn lichaam nog letsel of pijn heb? Ik heb vooral veel pijn aan mijn stuitje. Ik ben zeg maar met m’n stuitje op een elektriciteitskabel gevallen. Mijn advocaat zegt dat het belangrijk is dat ik vertel hoe de aanhouding is gegaan. Wat zal ik zeggen, het ging niet bepaald zachtzinnig.”145
[verdachte] verklaart tegenover de forensisch arts, verbonden aan het NFI (hierna: de NFI-arts) op 19 december 2019 dat hij bij zijn aanhouding en detentie in Dubai letsel heeft opgelopen. Bij het afnemen van de anamnese verklaart hij dat er in Dubai een taser tegen zijn rug is gezet wat heeft geleid tot letsel aan zijn schouder, lage rug en bil. Ook zou hij ongeveer tien tot twaalf keer ‘tegen schoenen zijn gevallen’ waardoor letsels aan het hoofd (bloeduitstortingen, blauwe ogen, neusfractuur) en letsels aan de rechterbil zijn ontstaan. Verder verklaart [verdachte] dat hij moest lopen met tie wraps strak om de enkels. Deze sneden in de huid, waardoor huidletsels zijn ontstaan.146 De NFI-arts concludeert in zijn rapportage van 11 februari 2020 – samengevat – dat de in het onderzoek vastgestelde letsels qua aard en ouderdom zouden kunnen zijn veroorzaakt door de geweldsinwerkingen waarover [verdachte] in de anamnese heeft verklaard.147
Mr. [advocaat 7] heeft een uitgebreid relaas, gedateerd 6 januari 2020 en door [verdachte] ondertekend, geschreven waarin zij – onder andere – de toedracht van het in Dubai opgelopen letsel zoals [verdachte] haar dat heeft verteld beschrijft.148 [verdachte] is daarover op 8 januari 2021 uitvoerig gehoord door de rechters-commissarissen.149 De trauma-arts is door de rechters-commissarissen op 3 februari 2021 gehoord. De trauma-arts heeft zich daarbij overwegend op het verschoningsrecht beroepen.150 De trauma-arts heeft daarna op 24 februari 2021 echter wel op vele vragen van de verdediging151 en het Openbaar Ministerie schriftelijk geantwoord.152 Hierna heeft de NFI-arts een medisch vervolgonderzoek verricht en daarover op 26 oktober 2021 gerapporteerd.153 De NFI-arts concludeert – kort gezegd – dat de door [verdachte] in zijn verhoor verstrekte meer gedetailleerde informatie over het gepleegde geweld in Dubai en de verklaringen van de trauma-arts geen nieuwe gezichtspunten hebben opgeleverd, zodat de beschreven interpretatie en beantwoording van de vraagstelling in het eerdere rapport van 11 februari 2020 ongewijzigd blijven. De NFI-arts schrijft daarbij dat er geen hernieuwd onderzoek van het medisch dossier heeft plaatsgevonden omdat [verdachte] daartoe geen toestemming heeft verleend.154
Antwoorden op rechtshulpverzoek 10 december 2021
In het aanvullende rechtshulpverzoek van 10 december 2021 zijn specifieke omschrijvingen weergegeven van het letsel van [verdachte] dat door de NFI-arts is geconstateerd, waarbij de vragen zijn gesteld of de autoriteiten weten hoe en wanneer dit is gebeurd. Op die vragen is op
2 oktober 2023155 door de autoriteiten van de VAE onder andere geantwoord: “bij de uitlevering van de verzochte persoon had hij geen enkele wond, gezien het feit dat er een arts bij het Veiligheidsgezantschap aanwezig was (…)”. Deze beantwoording verdraagt zich niet met wat door alle Nederlandse verbalisanten die betrokken waren bij de overbrenging van [verdachte] naar Nederland is gerelateerd en met wat [verdachte] zelf over het ontstaan van zijn letsel heeft verklaard. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het letsel van [verdachte] in Dubai is ontstaan tijdens zijn aanhouding en/of detentie.
Verantwoordelijkheid Nederland voor letsel [verdachte] ?
De verdediging baseert de verantwoordelijkheid van Nederland voor het letsel van [verdachte] op haar stelling dat voorzienbaar was dat [verdachte] zou worden mishandeld en gemarteld omdat Nederland bekend is met de detentie-omstandigheden in Dubai en de VAE niet is aangesloten bij het EVRM. Nederland had daarom – zo begrijpt de rechtbank de verdediging – moeten afzien van het uitvaardigen van een Red Notice en het delen van informatie met de Dubai Police. Bovendien had Nederland afspraken met de autoriteiten van de VAE moeten maken over de behandeling van [verdachte] bij een (eventuele) aanhouding.
De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Dit standpunt zou erop neerkomen dat Nederland niet vrij zou zijn om een internationaal arrestatiebevel uit te vaardigen tegen een verdachte, als wordt vermoed dat deze zich in een land bevindt dat niet is aangesloten bij het EVRM. Dit kan uit de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie niet worden afgeleid.
Dictum
De verkrijging in Marengo kent als tussenschakel de verkrijging in Tandem II en bij de verkrijging in die zaak hebben eveneens ernstige verzuimen plaatsgevonden.
Voor wat betreft de verwerking heeft de verdediging verweren gevoerd die ingaan op de tactische en technische verwerking van het bronmateriaal via Hansken. Bovendien zijn volgens de verdediging bij de verkrijging en verwerking van de PGP-data geheimhoudersbelangen geschonden.
3.3.4
Oordeel van de rechtbank
3.3.4.1 Toepasselijkheid Unierecht bij de verwerving
De stelling van de verdediging dat de wijze waarop de Nederlandse opsporingsdiensten aan de Ennetcom- en PGP-safe-data zijn gekomen strijdig is met het Unierecht in het licht van Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie, hierna: Richtlijn 2002/58/EG) en de rechtspraak van het Hof van Justitie EU die daarop betrekking heeft, is onjuist. Deze kwestie is voor wat betreft de Ennetcom-data al aan de orde gekomen in het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022.31 Ook in het arrest van 13 juni 2023 waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen van de rechtbanken Noord-Nederland en Overijssel beantwoordt, wordt hier aandacht aan besteed.32 Genoemde richtlijn is alleen van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap, met inbegrip van openbare communicatienetwerken die systemen voor gegevensverzameling en identificatie ondersteunen (artikel 3 Richtlijn 2002/58/EG). In de onderzoeken De Vink en Sassenheim zijn geen onderzoeksresultaten verkregen op grond van aan Ennetcom en PGP-safe opgelegde verwerkingsverplichtingen. Het gaat in die zaken om de uitoefening door strafvorderlijke autoriteiten van bevoegdheden waarmee het veiliggestelde berichtenverkeer is verkregen. Bovendien geldt dat Ennetcom en PGP-safe een versleutelde berichtendienst aanboden, waarbij de gebruikers van die diensten in beginsel geen persoonsgegevens kenbaar hoefden te maken en waarbij men alleen met elkaar kon communiceren als men beschikte over een PGP-e-mailadres. Bij de PGP-telefoons die werkten op basis van de zogenoemde S/MIME encryptiestandaard van Ennetcom komt daar nog bij dat sprake was van een gesloten circuit, alleen PGP-telefoons die op basis van deze standaard werkten konden met elkaar communiceren.33 Er was dan ook geen sprake van verwerking van persoonsgegevens door Ennetcom en PGP-safe. Om die redenen is Richtlijn 2002/58/EG hier niet van belang. Evenmin is er bij de beheerders van de servers sprake van een verwerkingshandeling die valt onder EU-verordening 2016/679 of diens voorganger Richtlijn 95/46/EG.
3.3.4.2 Grondslag van de verkrijging van de data
Uitgangspunt voor de rechtbank is dat de doorzoekingen in serverruimtes in respectievelijk Canada en Costa Rica hebben te gelden als doorzoekingen bij Ennetcom en PGP-safe. Het kopiëren van een server in het kader van een doorzoeking is – anders dan de verdediging stelt – niet gelijk te stellen met bulkinterceptie. Het gaat immers niet om het onderscheppen van communicatie. De door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) vastgestelde kaders voor bulkinterceptie34 zijn daarom niet zonder meer toepasbaar op de doorzoekingen bij Ennetcom en PGP-safe. De stelling van de verdediging dat het hoofddoel van deze doorzoekingen was om de inhoud van alle berichten die op de servers aanwezig waren te verkrijgen – en dat er daarmee sprake is van overtreding van het verbod op détournement de pouvoir – heeft zij niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd en kan de rechtbank ook niet afleiden uit het strafdossier. Dit verweer wordt daarom verworpen. Dit geldt ook voor het verweer dat de in de rechtshulpverzoeken verzochte doorzoekingen in strijd waren met het beginsel van proportionaliteit: ook daarvoor bestaan onvoldoende aanwijzingen.
Bij de beoordeling van de vraag of het Openbaar Ministerie de rechtshulpverzoeken waarin om deze doorzoekingen werd gevraagd (mede) had moeten baseren op artikel 125la Sv dient als eerste de vraag beantwoord te worden of aanbieders van diensten als Ennetcom en PGP-safe beschouwd moeten worden als “aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst” als bedoeld in dat artikel. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De rechtbank Rotterdam bespreekt in haar vonnissen van 21 september 2021 tegen Ennetcom en haar middellijk bestuurder uitgebreid de wetsgeschiedenis dienaangaande.35 Kern is dat er aan de hand van die wetsgeschiedenis alle reden is om aan te nemen dat het begrip “aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst” in artikel 125la Sv verouderd is, omdat het verwijst naar de oude aanduiding van voor de Wet Computercriminaliteit II. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het nog in te voeren artikel 2.7.42 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv (nieuw)), gaat ook de wetgever ervan uit dat destijds over het hoofd is gezien om artikel 125la Sv aan de nieuwe omschrijving aan te passen.36 De rechtbank houdt het er daarom voor dat het begrip “aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst” in artikel 125la Sv dient te worden uitgelegd aan de hand van het begrip “aanbieder van een communicatiedienst” zoals thans verwoord in artikel 138g Sv. Een andere uitleg zou een merkwaardige, onbedoelde en met artikel 8 EVRM strijdige lacune doen ontstaan voor wat betreft de vertrouwelijkheid van elektronisch berichtenverkeer, waar gebruikers van dergelijk berichtenverkeer – destijds nog analoog aan het briefgeheim – in beginsel van uit mochten gaan. Inmiddels is de tekst van artikel 13 Grondwet, waarin de grondwettelijke bescherming van het briefgeheim is verwoord, overigens zodanig aangepast dat deze ook ziet op elektronische communicatie. Het briefgeheim wordt daarom nu brief- en telecommunicatiegeheim genoemd.37
Het bovenstaande betekent echter niet dat daarmee artikel 125i Sv geheel uit beeld verdwijnt. Juist in het bijzondere geval dat de aanbieder van een communicatiedienst tevens verdachte is – zoals het geval is bij Ennetcom en PGP-safe – kunnen de opsporingsdiensten in het kader van een doorzoeking gegevens die in een bij die verdachte aanwezige gegevensdrager zijn opgeslagen, vastleggen op de voet van artikel 125i Sv. Artikel 125la Sv komt als lex specialis van artikel 125i Sv in beginsel pas in beeld als er communicatie tussen derden op deze gegevensdrager wordt aangetroffen en de officier van justitie daar kennis van wil nemen. Uit het rechtshulpverzoek inzake Ennetcom komt naar voren dat de politie ter voorbereiding van het rechtshulpverzoek in een testomgeving de BES-infrastructuur heeft nagebouwd. Op basis daarvan verwachtten de opsporingsdiensten dat er mede versleutelde communicatie tussen gebruikers van de dienst op de server zou staan en dat deze wellicht ook te ontsleutelen was. Daarnaast blijkt dat het zoveel mogelijk kennisnemen van die communicatie, in het licht van de witwasverdenking en de daaraan gekoppelde premisse dat de gebruikers overwegend criminelen waren die met elkaar communiceerden over criminele zaken, een doel was van de hele operatie. Ook uit het rechtshulpverzoek inzake PGP-safe blijkt dat de opsporingsdiensten, op basis van de ervaringen die dan al zijn opgedaan met Ennetcom, verwachtten PGP-communicatie tussen gebruikers van de dienst aan te treffen en te kunnen ontsleutelen. De stelling van de verdediging dat het hoofddoel van de rechtshulpverzoeken was om de hand te leggen op alle communicatie is niet onderbouwd en acht de rechtbank, zoals hiervoor al is geoordeeld, ook niet aannemelijk.
Beoordeling
In het arrest van het EHRM inzake Soering, dat de verdediging zelf ook aanhaalt, wordt juist overwogen dat een bij het EVRM aangesloten staat niet verplicht is om de EVRM-standaarden aan andere staten op te leggen.156 Ook wordt daarin gewezen op het met uitlevering gediende belang om te voorkomen dat voortvluchtige verdachten hun berechting dreigen te ontlopen.157 De rechtbank wijst in dit verband nog op het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 juni 2017 in de zaak Passage, waarin is overwogen dat artikel 3 EVRM de verdragstaten niet verbiedt om uitlevering te verzoeken van een persoon die zich op het grondgebied en binnen de rechtsmacht bevindt van een staat die geen partij is bij het EVRM en waar de detentieomstandigheden niet noodzakelijkerwijs voldoen aan de eisen die daaraan in Nederland mede op grond van artikel 3 EVRM worden gesteld. Een dergelijke uitleg zou volgens het gerechtshof tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat een persoon zich door verblijf in zo’n land voor onbepaalde tijd van straffeloosheid kan verzekeren.158
De verdediging verwijst ook naar het Protocol Samenwerking bij Internationale Rechtshulp159 en stelt dat op grond van dat protocol bij gevaar voor mensenrechtenschendingen niet overgegaan mag worden tot verzoeken tot aanhouding of rechtshulp. De rechtbank leest dat echter niet in dat protocol.
In dat protocol staat over politionele samenwerking – voor zover hier van belang – het volgende:
‘De doorgifte van politiegegevens vindt op grond van art. 5:3 lid 9 van het Besluit politiegegevens altijd plaats via een van de daarvoor aangewezen vijf kanalen (Europol, Interpol, Sirene, Foreign Liaison Officers (FLO’s ) en de Liaison Officers (LO’s) van de Nederlandse politie/marechaussee) en door tussenkomst van de Landelijke Eenheid c.q. het LIRC. Wanneer de te delen informatie uit politiegegevens bestaat, zal een gezamenlijke weging plaatsvinden door politie en OM ingevolge de Wet politiegegevens en het Wetboek van Strafvordering. Wanneer sprake is van de hieronder geschetste gevoeligheden en/of wanneer sprake is van een land waarmee geen sterk ontwikkelde rechtshulprelatie bestaat, zoekt het (L)IRC vooraf afstemming met AIRS. Dat geldt ook wanneer de voorgenomen samenwerking bestaat uit politiële informatie-uitwisseling en verwacht wordt dat deze samenwerking zal resulteren in een justitieel vervolgtraject ten aanzien van het aangezochte land. (…)’
In het protocol staat over de toetsing door het (L)IRC en de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) – voor zover hier van belang – het volgende:
‘Het (L)IRC en AIRS toetsen niet alleen of de voorgenomen samenwerking met het buitenland juridisch mogelijk is, maar ook of deze wellicht onwenselijk is gezien eventuele consequenties. Het heeft daarbij uitdrukkelijk maar niet uitputtend oog voor proportionaliteit, subsidiariteit en de situatie met betrekking tot de mensenrechten en gegevensverwerking in het betreffende land. Aspecten die van belang zijn, zijn onder meer: de mogelijkheid dat het buitenland naar aanleiding van de informatie in het rechtshulpverzoek een eigen onderzoek gaat instellen, de afwezigheid van een onafhankelijke rechtspraak, de mogelijkheid dat de doodstraf wordt opgelegd voor de feiten waar het rechtshulpverzoek op ziet, uitzonderlijk slechte detentie-omstandigheden, een asielstatus of lopend vreemdelingrechtelijk traject van personen genoemd in het rechtshulpverzoek, de vraag of betrokkene behoort tot een kwetsbare groep gezien ras of etniciteit, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, het lidmaatschap van een vakbond, seksuele gerichtheid of beroep, het risico op overige flagrante mensenrechtenschendingen zoals een oneerlijk proces, inadequate medische zorg of tekort schietende toegang tot een raadsman, de mogelijkheden om van het aangezochte land garanties te krijgen die contra-indicaties wegnemen. (…)’
De rechtbank leest hierin geen beletsel om de Red Notice uit te vaardigen en informatie met de Dubai Police te delen. Op basis van dit protocol dient een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets plaats te vinden waarbij diverse aspecten een rol spelen. De omstandigheid dat de Nederlandse autoriteiten ervoor hebben gekozen om de aanhouding van [verdachte] te verzoeken en informatie met de autoriteiten van de VAE te delen, ook al is de VAE geen EVRM lidstaat, acht de rechtbank gezien de ernstige feiten waarvoor Nederland [verdachte] wenste te berechten aanvaardbaar. De rechtbank betrekt hierbij dat [verdachte] – naar aangenomen mag worden – er zelf voor heeft gekozen om in Dubai te gaan verblijven in het bezit van een vals paspoort, om te voorkomen dat hij zou worden aangehouden. Hij wist dat hij door Nederland werd gezocht en dat Nederland hem voor zeer ernstige feiten wenste te berechten. Door in Dubai te blijven heeft hij zelf het risico genomen dat hij daar zou worden gearresteerd en gedetineerd.
De verdediging heeft nog gesteld dat Nederland de autoriteiten van de VAE (onjuist) heeft geïnformeerd dat [verdachte] banden heeft met Iran en van Iran bescherming geniet. Dit standpunt mist feitelijke grondslag. Uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken blijkt dit namelijk niet. Daaruit volgt dat (mogelijke) banden van [verdachte] met Iran niet zijn besproken. De verdediging doelt kennelijk op het feit dat de liaison officer de aandacht heeft gevestigd op het artikel in De Telegraaf over mogelijke banden van [verdachte] met Iran en het verblijf van [verdachte] op het Iraanse eiland Kish. Niet is gebleken dat Nederland de in dat artikel weergegeven informatie als juist heeft bevestigd aan Dubai. De liaison officer die hierover is bevraagd bij de rechters-commissarissen heeft in dit verband verklaard dat hij bij het wijzen op artikelen in de pers een eigen afweging maakt en dat het gaat om open bronnen die de lokale autoriteiten kunnen interesseren.160 Ten aanzien van het desbetreffende artikel verklaart de liaison officer dat hij de autoriteiten van de VAE daarop heeft gewezen en hij er bij perspublicaties altijd bij zegt dat het open bronnen zijn die voor meerderlei uitleg vatbaar zijn.161
De verdediging stelt dat Nederland verantwoordelijk kan worden gehouden voor de detentie in Dubai, door het verstrekken van de (onjuiste) informatie dat [verdachte] banden zou hebben met Iran. Daartoe verwijst zij naar de arresten van het EHRM waarin het vertrouwensbeginsel bij uitlevering die verantwoordelijkheid legt bij de verzoekende staat. De vergelijking met deze zaken gaat hier echter niet op, reeds omdat niet aannemelijk is dat Nederland onjuiste informatie over [verdachte] aan de autoriteiten van de VAE heeft gegeven. Het wijzen van de autoriteiten van de VAE op berichten in open bronnen over [verdachte] kan in ieder geval niet worden aangemerkt als het verstrekken van onjuiste informatie. Voor zover de verdediging wil betogen dat de Nederlandse autoriteiten alleen op artikelen in de pers mogen wijzen als zij zelf onderzoek naar de juistheid van de inhoud ervan hebben gedaan, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Niet is onderbouwd waar een dergelijk verstrekkende verplichting op zou zijn gebaseerd.
Dictum
Het gegeven dat wel verwacht kon worden inhoudelijke communicatie aan te treffen maakt echter dat het Openbaar Ministerie naar het oordeel van de rechtbank artikel 125la Sv mede aan de beide rechtshulpverzoeken ten grondslag had moeten leggen en dat deze dus vergezeld hadden moeten gaan van een machtiging van de rechter-commissaris.
Het ontbreken van de voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris levert een onherstelbaar vormverzuim op. Dit vormverzuim heeft zich weliswaar niet in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachten in Marengo voorgedaan, maar zoals hiervoor overwogen zal wel moeten worden beoordeeld of dit vormverzuim tot consequenties moet leiden in deze strafzaak. Bij die beoordeling houdt de rechtbank rekening met het belang dat het voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat het Openbaar Ministerie artikel 125la Sv bewust buiten toepassing heeft gelaten met als doel om (eventuele restricties van) een rechterlijke machtiging te omzeilen. Evenmin is gebleken dat het Openbaar Ministerie de Canadese en Costa Ricaanse rechter op dit punt doelbewust heeft misleid. De verdediging stelt dat de mededeling in het rechtshulpverzoek dat uit het centrale bedrijfsprocessen systeem naar voren komt dat PGP-safe toestellen voorkomen in onderzoeken met betrekking tot (onder meer) terrorisme als een verzwaring van de verdenking moet worden beschouwd en diende om de Costa Ricaanse autoriteiten te misleiden, maar die stelling kan de rechtbank niet volgen. Deze passage leest de rechtbank als een illustratie van het soort feiten dat met behulp van encrypte communicatie wordt voorbereid en gepleegd.
De rechtbank gaat ervan uit dat, als de officier van justitie in Nederland om een machtiging had verzocht, de rechter-commissaris deze had afgegeven, gezien de ernst van de verdenkingen en hetgeen bekend was over Ennetcom en PGP-safe, namelijk dat de diensten van deze aanbieders (bij uitstek) werden gebruikt om communicatie over ernstige strafbare feiten geheim te kunnen houden, zoals ook uitvoerig uiteen is gezet in de rechtshulpverzoeken. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, te weten rechterlijk toezicht op het verkrijgen van gevoelige gegevens, is groot, maar nakoming van het voorschrift zou in dit geval voor deze zaak geen andere uitkomst hebben gehad. Kennisname van de communicatie van de gebruikers van de diensten van verdachten was immers van evident belang in het licht van de tegen hen – Ennetcom en PGP-safe – bestaande verdenking. De omstandigheid dat bij het kopiëren van de servers een – gezien het retentiebeleid van Ennetcom en PGP-safe – onverwacht grote hoeveelheid versleutelde berichten van gebruikers zijn vastgelegd, maakt dit niet anders.
Het nadeel dat door het vormverzuim zou zijn geleden, kan volgens vaste jurisprudentie niet gelegen zijn in de ontdekking van een strafbaar feit. In het onderhavige geval kan hoogstens in algemene zin worden gezegd dat bij het kopiëren van een dergelijke grote hoeveelheid versleutelde communicatie altijd in enige mate sprake is van privacyschending. De verdachten in Marengo betwisten overigens voor het overgrote deel dat zij degenen zijn die aan de veiliggestelde en overgedragen communicatie hebben deelgenomen. De rechtbank concludeert dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.
3.3.4.3 Verwerking van de PGP-data in de onderzoeken Ennetcom en PGP-safe
De opsporingsdiensten hebben gelet op het voorgaande de datasets met een zeer grote hoeveelheid vertrouwelijke communicatie rechtmatig verkregen door de servers van Ennetcom en PGP-safe te kopiëren. Een wettelijke regeling voor de toegang tot en het beheer van dergelijke datasets kent het Nederlandse strafvorderlijke stelsel nog niet. De datasets zijn immers niet in het beheer van de opsporingsdiensten gekomen door de inbeslagname van een gegevensdrager of door vordering van deze gegevens overeenkomstig artikel 126ng Sv. In de Smartphone-arresten van de Hoge Raad van 4 april 2017 is bepaald dat een opsporingsambtenaar een onderzoek aan deze gegevensdrager kan verrichten indien de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. Indien bij het onderzoek sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene is onderzoek door de officier van justitie of zelfs de rechter-commissaris aangewezen. Daarbij valt – in het licht van artikel 8 EVRM – aan onderzoek door de rechter-commissaris in het bijzonder te denken in gevallen waarin op voorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn, aldus de Hoge Raad.38
Uitgangspunt in deze arresten is het algemene kader voor inbeslagneming van voorwerpen en de daaraan gekoppelde bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen. Deze bevoegdheden kunnen op grond van de artikelen 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van artikel 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens artikel 141 aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van artikel 104 Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar. Deze wettelijke bepalingen vormen ook een voldoende grondslag voor onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen als elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Naar het oordeel van de rechtbank dient dat ook te gelden voor dergelijk onderzoek aan van elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken veiliggestelde gegevens, die op basis van een rechtshulpverzoek door een buitenlandse autoriteit zijn overgedragen. Dit is in lijn met het toekomstige artikel 2.7.38 Sv (nieuw), dat in grote lijnen een codificatie van de Smartphone-arresten bevat. Dit artikel spreekt naast stelselmatig onderzoek van gegevens in een digitale gegevensdrager of geautomatiseerd werk, ook over dergelijk onderzoek ten aanzien van gegevens die hieruit zijn overgenomen.39 Het wettelijk stelsel, zoals door de Hoge Raad uitgelegd in de Smartphone-arresten, voorziet daarmee in een drietrapsraket voor onderzoek dat ook van toepassing is op de veiliggestelde PGP-data.
Het volledig kopiëren van een geautomatiseerd werk wordt in de Memorie van Toelichting van het hiervoor genoemde nieuwe wetsartikel genoemd als voorbeeld van een onderzoekshandeling waarbij op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar is dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven kan worden verkregen.40 Dat is in zijn algemeenheid juist als dit geautomatiseerde werk te koppelen is aan een persoon, maar daar is in het onderhavige geval geen sprake van. De verwachte privacyschending door het kopiëren van de Ennetcom- en PGP-safe-data is – zelfs bij volledige ontsleuteling van alle berichten – naar zijn aard beperkt, omdat niet te verwachten is dat de data op de server, waaronder de communicatie, direct te herleiden is naar individuele gebruikers. Deze hoefden immers niet hun identiteit of andere persoonsgegevens kenbaar te maken aan de aanbieders van deze dienst en dus is het hoogst onwaarschijnlijk dat (meta)data die rechtstreeks zou kunnen leiden naar de gebruikers, terug zijn te vinden op de servers van Ennetcom en PGP-safe. Ten aanzien van het berichtenverkeer geldt bovendien dat redelijkerwijs te verwachten was dat gebruikers niet onder eigen naam communiceren en dat de communicatie overwegend crimineel en zakelijk van aard zou zijn. Daardoor was in die fase niet op voorhand te voorzien dat bemoeienis van de officier van justitie of rechter-commissaris aangewezen zou zijn.
Dictum
Het onderzoek van de onderzoeksteams De Vink en Sassenheim was niet gericht op identificatie van de gebruikers van de dienst, maar op het vaststellen van de overwegend criminele context van hun communicatie. De kennisname van de communicatie door dit onderzoek was daarom niet meer dan een beperkte inbreuk op de privacy van iedere individuele gebruiker. De omstandigheid dat het veel gebruikers betreft maakt dat niet anders. Overeenkomstig het hiervoor geschetste kader is het ontsleutelen van de communicatie proportioneel en mocht dit vervolgonderzoek in die strafzaken door opsporingsambtenaren plaatsvinden.
3.3.4.4 Doorverstrekking van de PGP-data aan andere onderzoeken
De vraag is of de Nederlandse opsporingsdiensten door het bewaren van die gegevens – volgens de verdediging in strijd met nationale en internationale regels van privacybescherming – ongerichte bulkdata onder zich hebben. Dat er sprake is geweest van het bewaren van een grote hoeveelheid privacygevoelige data is voor de rechtbank evident. Van een algemene en ongedifferentieerde verzameling data, wat doorgaans bedoeld wordt met bulkdata, kan – anders dan de verdediging stelt – echter niet worden gesproken. Het gaat immers om de data van een afgebakende groep, namelijk de gebruikers van respectievelijk Ennetcom en PGP-safe, en om een concrete verdenking dat deze diensten gebruikt werden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten bezig hielden. Dat is een wezenlijk andere situatie dan bijvoorbeeld het bewaren van alle metadata van alle abonnees van een (willekeurige) telecomprovider ten behoeve van toekomstige strafrechtelijke onderzoeken. Desalniettemin staat voor de rechtbank vast dat reeds het bewaren van de data enige inbreuk maakt op de privacy van de betrokkenen. Dat hierbij zou zijn gehandeld in strijd met nationale of Europese wet- en regelgeving is door de verdediging echter niet aannemelijk gemaakt en is de rechtbank ook anderszins niet gebleken.
De vraag is echter wel hoe met deze hoeveelheid onderzoeksgegevens moet worden omgegaan. EU-Richtlijn 2016/680 heeft betrekking op de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd door wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, alsmede het Besluit politiegegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten. Deze regelgeving is van belang als (persoons)gegevens die onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten zijn verkregen en vervolgens aan de Nederlandse autoriteiten ter beschikking zijn gesteld, in Nederland worden verwerkt ten behoeve van de opsporing of vervolging. In zijn algemeenheid is doelbinding een belangrijk beginsel bij de normering van onderzoek aan in de opsporing verkregen gegevens. Met andere woorden: uitgangspunt is dat dergelijke gegevens slechts gebruikt worden voor het doel waarvoor ze verzameld zijn. Doelafwijkend gebruik is echter toegestaan als dit bij wet is voorzien, noodzakelijk en proportioneel is. De eerste Ennetcom-berichten die aan het onderzoeksteam Marengo werden verstrekt waren afkomstig uit het onderzoek Tandem. Dat aan de verkrijging in het onderzoek Tandem gebreken kleven die gevolgen zouden moeten hebben voor het onderzoek Marengo kan de rechtbank niet volgen. Bij de samenstelling van de Tandem-dataset is, om uitvoering te geven aan de voorwaarde zoals gesteld door de Canadese rechter, gekozen voor de daar beschreven procedure bij de rechter-commissaris, via een vordering van de officier van justitie op grond van de artikelen 181, 177 en 126ng Sv. Anders dan de verdediging aanvoert is de constructie die is gekozen om aan de voorwaarden van de Canadese rechter te voldoen, zie de Hoge Raad in het hiervoor aangehaalde arrest van 13 juni 2023, toelaatbaar.41 Dat in het onderzoek Tandem bij de samenstelling van de dataset niet is gewerkt conform het plan van aanpak op de wijze zoals de rechter-commissaris dat voor ogen had, doet aan de rechtmatigheid van de Tandem-dataset niet af. De rechtbank heeft in die zaak (overigens) geoordeeld dat op dit punt sprake is van een onherstelbaar vormverzuim maar heeft aan dat vormverzuim geen consequenties verbonden.42
Dat het onderzoeksteam Tandem in strijd met de Canadese voorwaarde gegevens heeft gedeeld met het onderzoeksteam Marengo vindt geen steun in het dossier, nu dit met machtiging van de rechter-commissaris is gedaan. Anders dan de verdediging stelt, zijn er evenmin aanwijzingen dat opsporingsambtenaren de Tandem-dataset zonder rechterlijke toestemming hebben bestudeerd en gebruikt voor andere onderzoeken.
Hiervoor is bij de beschrijving van de feitelijke gang van zaken vermeld hoe informatie uit de onderzoeken Sassenheim en De Vink (via een tussenstap in het onderzoek Tandem) bij Marengo is gekomen. De vraag is of dit gebruik voor een ander doel is toegestaan. Bij de Ennetcom-data is, om uitvoering te geven aan de voorwaarde zoals gesteld door de Canadese rechter, gekozen voor de daar beschreven procedure bij de rechter-commissaris, via een vordering van de officier van justitie op grond van de artikelen 181, 177 en 126ng Sv. Hiervoor is al overwogen dat deze werkwijze toelaatbaar is. De doorverstrekking is dus bij wet voorzien. Zij is ook proportioneel en noodzakelijk, nu het in de machtigingen van de rechter-commissaris steeds gaat om e-mailadressen en zoektermen die rechtstreeks gerelateerd zijn aan levensdelicten en de identificatie van deze e-mailadressen slechts plaatsvindt voor zover de communicatie enige relevantie heeft voor het onderzoek naar deze levensdelicten. Voor de stelling van de verdediging dat de rechter-commissaris is misleid door een onzorgvuldige vertaling van de voorwaarde van de Canadese rechter heeft de rechtbank geen ondersteuning in het dossier aangetroffen.
Voor de doorverstrekking van de PGP-safe-data is de wettelijke procedure van artikel 126dd Sv gevolgd. Deze regeling kent geen voorziening van een rechterlijke toetsing voor zover de doorverstrekte data elektronisch berichtenverkeer betreft waarvan de inhoud in het eerdere strafrechtelijke onderzoek nog niet bekend was. Een dergelijke in de wet verankerde toets ligt – nu zonder meer vaststaat dat de bescherming van het briefgeheim zich ook uitstrekt tot dat elektronisch berichtenverkeer – wel voor de hand. Dit leidt de rechtbank ook af uit de hiervoor al aangehaalde arresten van het EHRM van 25 mei 2021 over interceptie van (bulk)communicatie.43 De door het kopiëren van de servers van Ennetcom en PGP-safe verkregen communicatie is weliswaar niet door interceptie verkregen, maar het kader dat door het EHRM wordt gegeven voor de verdere verwerking van deze privacygevoelige data is in dit geval wel toepasselijk. Daarbij geldt dat er sprake moet zijn van een ‘independent authorisation’ indien dieper in de data wordt doorgedrongen, zodat een onafhankelijke autoriteit beoordeelt of de inbreuk op de in artikel 8 lid 1 EVRM genoemde belangen binnen de grenzen blijft van wat noodzakelijk is in een democratische samenleving. De Nederlandse officier van justitie voldoet niet aan die eis van onafhankelijkheid. Een machtiging door een rechter-commissaris voldoet daar wel aan. Ook een wijze van rechterlijk toetsen zoals voorgeschreven door de Canadese rechter bij de Ennetcom-data, waarbij kortweg alleen onderzoek naar zeer ernstige strafbare feiten een schending van het briefgeheim rechtvaardigt en een rechter die een en ander normeert, volstaat.
Het ontbreken van een machtiging van een rechter om de PGP-safe gegevens door te verstrekken aan andere onderzoeken is een onherstelbaar vormverzuim. De vraag is vervolgens welke gevolgen dit verzuim dient te hebben. Bij die beoordeling houdt de rechtbank rekening met het belang dat het voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Dictum
Het belang – bescherming van de privacy – is groot, maar de ernst van dit verzuim dient wel te worden gerelativeerd.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het Openbaar Ministerie bewust een rechterlijke machtiging heeft willen omzeilen; de bestaande wettelijke regeling is immers gevolgd. De criteria op basis waarvan de officier van justitie de PGP-safe-data heeft doorverstrekt – het gaat om een op dat moment nog niet opgehelderd levensdelict en om specifieke e-mailadressen die te koppelen zijn aan de gebruikers van de e-mailadressen die hierover spreken – zijn bovendien zodanig dat een rechter zonder meer deze machtiging zou hebben afgegeven. Deze doorverstrekking voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het nadeel dat door het vormverzuim zou zijn geleden, mag volgens vaste jurisprudentie niet gelegen zijn in de ontdekking van een strafbaar feit. In het onderhavige geval kan als nadeel dan in algemene zin worden genoemd: een inbreuk op de privacy, al betwisten de verdachten in Marengo voor het overgrote deel dat zij degenen zijn die aan de veiliggestelde en overgedragen communicatie hebben deelgenomen. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.
3.3.5
Geheimhoudersbelangen bij verkrijging en verwerking van de PGP-data
3.3.5.1 Verweer van de verdediging
De verdediging betoogt dat de politie en het Openbaar Ministerie bij de verkrijging en verdere verwerking van de PGP-data structureel en opzettelijk tekort zijn geschoten in hun zorgplicht ten aanzien van geheimhoudersbelangen en -rechten en dat dit tot onherstelbare schendingen daarvan heeft geleid. Bovendien stelt zij dat deze schendingen structureel zijn en zich niet tot deze zaak hebben beperkt.
3.3.5.2 Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. In zijn arrest van 20 september 2022 overweegt de Hoge Raad44 dat met het voorschrift van artikel 126aa lid 2 Sv is beoogd het belang te beschermen dat eenieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk een advocaat te raadplegen, zonder vrees voor openbaarmaking van wat aan de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd. Het voorschrift strekt ertoe dat gegevens die als gevolg van de toepassing van de bevoegdheden genoemd in artikel 126aa lid 1 Sv zijn verkregen, onmiddellijk worden vernietigd indien zij vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv, zodat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Uit artikel 126aa lid 2 Sv vloeit derhalve voort dat gegevens als in die bepaling bedoeld niet in het strafproces kunnen worden gebruikt.
In het Marengo-dossier zijn geen berichten uit de Marengo-dataset gevoegd die later geheimhoudersberichten bleken te zijn. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat in het onderzoek Marengo PGP-geheimhouderscommunicatie tussen verdachten en hun raadslieden op enigerlei wijze een rol heeft gespeeld. Van schending van geheimhoudersbelangen in de zaak Marengo is – voor zover het PGP-kwesties betreft – in zoverre dus geen sprake. Wat in het licht van bovengenoemd kader van artikel 126aa lid 2 Sv wel bevreemdt is dat op meerdere plaatsen in het Marengo-dossier (doorstuur)berichten voorkomen die als (mogelijke) geheimhoudersberichten zijn te identificeren en die kennelijk deel uitmaken van een proces-verbaal dat vanuit een ander onderzoek aan Marengo is verstrekt. Het Openbaar Ministerie noemt daarvan twee voorbeelden45 en ook de rechtbank is nog een dergelijk bericht tegengekomen.46 Dergelijke geheimhouderscommunicatie dient niet in een strafproces te kunnen worden gebruikt en dient dus ook niet te worden gevoegd in een ander strafproces. Of dit een verzuim is in de zin van artikel 359a Sv zal aan het eind van deze paragraaf worden besproken.
Voorts dient te worden besproken een door de verdediging aangevoerd incident, waarbij tijdens een inzage door de verdediging (mrs. [advocaat 2] en [advocaat 3] ) bij het NFI op 19 juli 2022 in de Marengo-dataset met behulp van Hansken een geheimhoudersbericht zichtbaar werd. Het NFI heeft in opdracht van het Openbaar Ministerie uiteengezet hoe dit heeft kunnen plaatsvinden. De uitleg komt erop neer dat de Hansken-omgeving waarin deze inzage plaatsvond een andere is dan die waartoe de politie toegang heeft en dat dit bericht abusievelijk zichtbaar was in de NFI-omgeving.47 Dit zegt uiteraard iets over de (onvolkomen) wijze waarop het onleesbaar maken van geheimhoudersberichten plaatsvindt. Daarop zal verderop in deze paragraaf nader worden ingegaan. Genoemd bericht maakt echter – zoals onbetwist door het Openbaar Ministerie gesteld – geen deel uit van het Marengo-dossier of van de Marengo-dataset waarin procespartijen inzage hebben. Dit wordt bevestigd door het feit dat de verdediging na die inzage heeft verzocht om voeging in het Marengo-dossier van zeven PGP-berichten, waaronder het desbetreffende geheimhoudersbericht, maar dat de politie juist dat ene bericht niet kon vinden.48 De rechtbank beschouwt deze kwestie dan ook als een onfortuinlijke vergissing tijdens de inzage bij het NFI en niet als een verzuim in de zaak Marengo.
In het begin van dit hoofdstuk heeft de rechtbank geoordeeld dat eventuele vormverzuimen bij de verkrijging en de verwerking van de PGP-data binnen de onderzoeken De Vink en Sassenheim van bepalende invloed zijn geweest bij het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachten in het onderzoek Marengo. Gelet daarop dient de rechtbank te beoordelen of in die zaken schendingen van geheimhoudersbelangen hebben plaatsgevonden.
Daarbij geldt voor de rechtbank als uitgangspunt dat het voor de opsporingsdiensten bij het kopiëren van servers weliswaar niet evident was dat daar ook geheimhouderscommunicatie op zou staan, maar dat zij met die mogelijkheid wel rekening dienden te houden. Uit de processen-verbaal waarin hiervan verslag wordt gedaan blijkt ook dat zij dat hebben gedaan. De opsporingsdiensten hebben van meet af aan inspanningen verricht om te bewerkstelligen dat mogelijke geheimhouderscommunicatie werd onderkend en ontoegankelijk werd gemaakt. Zo is op de dag van het veiligstellen van de Ennetcom-data in Canada naar alle PGP-gebruikers van Ennetcom het bericht uitgegaan dat de serverinhoud in beslag is genomen en zijn professioneel verschoningsgerechtigden opgeroepen zich te melden bij de politie. Hetzelfde is gedaan op de dag dat in Costa Rica de PGP-safe server (gedeeltelijk) was gekopieerd.
Deze oproepen hebben er echter niet toe geleid dat enig professioneel verschoningsgerechtigde zich heeft gemeld als Ennetcom- of PGP-safe-gebruiker. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat ofwel professioneel verschoningsgerechtigden, waaronder advocaten, geen gebruik maakten van de diensten van Ennetcom en PGP-safe, ofwel dat zij zich om hen moverende redenen niet hebben willen melden. Als dat laatste het geval is, dan betekent dat dat er mogelijk communicatie die onder het verschoningsrecht valt is verscholen in de voor de opsporingsdiensten toegankelijke berichten. Omdat deze communicatie niet als zodanig is te herkennen zonder daar kennis van te nemen, neemt de professioneel verschoningsgerechtigde het risico dat zijn geprivilegieerde communicatie door de opsporingsdiensten wordt gelezen en zelfs (ongewild) een rol kan gaan spelen in een strafdossier. De verdediging heeft betoogd dat het in strijd zou zijn met haar geheimhoudingsplicht als zij gehoor zou geven aan een dergelijke oproep. Die stelling is – zo begrijpt de rechtbank – kennelijk gebaseerd op de vrees dat ondanks dat een advocaat zijn PGP-adres(sen) heeft doorgegeven, door de opsporingsdiensten kennis zal worden genomen van de inhoud van de berichten van die desbetreffende lijn(en) en/of dat/die PGP-adres(sen) van (een) cliënt(en) waarmee is gecommuniceerd via een achterdeur bekend worden bij de opsporingsdiensten.
Dictum
Dit kennelijk op wantrouwen jegens deze diensten gebaseerde standpunt mag de verdediging innemen, maar het niet melden heeft dan wel tot gevolg dat bovengenoemd risico wordt gelopen. Naar het oordeel van de rechtbank mag van een advocaat in deze situatie worden verwacht dat hij zich inspant om deze professionele spagaat te adresseren, bijvoorbeeld door zich hiermee te wenden tot zijn beroepsorganisatie, die hier vervolgens op kan acteren. Het is de rechtbank niet bekend of dit destijds is gebeurd.
Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie zelf getracht professioneel verschoningsgerechtigden te identificeren door de Ennetcom- en PGP-safe-data te doorzoeken op relevant geachte zoektermen. Naar het oordeel van de rechtbank was er op dat moment geen aanleiding voor om bij die zoektocht individuele geheimhouders (die zich immers niet gemeld hadden) of enige beroepsorganisatie te betrekken. De zoekslag die volgde heeft geleid tot de vondst van berichten die herleidbaar waren naar e-mailadressen die mogelijk in gebruik waren bij professioneel verschoningsgerechtigden. Die e-mailadressen en de bijbehorende data zijn hierop onzichtbaar en ontoegankelijk gemaakt. Voorts is een procedure in het leven geroepen die inhoudt dat indien bij het doorzoeken van de data toch op mogelijke informatie van professioneel verschoningsgerechtigden wordt gestuit, deze informatie ontoegankelijk wordt gemaakt, waarbij door personen buiten het onderzoeksteam wordt beoordeeld of ook de andere communicatie die herleidbaar is naar dat e-mailadres mogelijk onder het verschoningsrecht valt. De beoordeling of in een dergelijk geval sprake is van geheimhouderscommunicatie wordt gedaan door een officier van justitie die niet bij het betreffende onderzoek betrokken is. In afwachting van diens beslissing wordt de aangetroffen communicatie steeds zekerheidshalve onzichtbaar gemaakt.
De vraag die beantwoord moet worden is of het Openbaar Ministerie met deze benadering de in acht te nemen zorgvuldigheid ter zake van de communicatie van professioneel verschoningsgerechtigden voldoende heeft gewaarborgd. Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 20 september 2022 leidt de rechtbank af dat het zogenoemde uitgrijzen van geheimhouderscommunicatie slechts te beschouwen is als vernietigen als bedoeld in artikel 126aa lid 2 Sv, als verzekerd is dat de gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht kan worden geslagen. Dat verzekeren heeft de Hoge Raad zodanig genormeerd dat vaststellingen dienen te worden gedaan over de wijze waarop is gewaarborgd dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de uitgegrijsde gegevens, waarbij ook van belang is dat als er technisch mogelijkheden bestaan om eenmaal gegrijsde informatie opnieuw toegankelijk te maken, moet blijken voor wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden deze gegevens dan opnieuw toegankelijk kunnen worden.49
Uit de hiervoor beschreven inspanningen blijkt dat het Openbaar Ministerie zich zeer bewust was van de noodzaak om protocollen te ontwikkelen over de wijze waarop voldaan zou moeten worden aan de bepalingen van artikel 126aa lid 2 Sv en artikel 5 lid 1 en 2 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken.
Het dossier bevat de reeds aangehaalde processen-verbaal over het schoningsproces in de zaken De Vink en Sassenheim. Ook bevat het dossier algemene NFI-informatie50 over de functionaliteiten binnen Hansken (zoals het toekennen van de verschillende ‘rollen’) om procedures rondom geheimhouderinformatie te faciliteren overeenkomstig de – eveneens in het dossier gevoegde – Handleiding Verwerking geheimhouderinformatie aangetroffen in inbeslaggenomen voorwerpen en in digitale bestanden van de landelijke vergadering rechercheofficieren, van juni 2014.51
De rechtbank stelt vast dat het uitgrijzen in de zaken De Vink en Sassenheim niet volledig aan de door de Hoge Raad geformuleerde standaard voldoet. Met name aan de eis dat ‘moet blijken voor wie, op welke wijze en onder welke voorwaarden deze gegevens dan opnieuw toegankelijk kunnen worden’ is in de zaken De Vink en Sassenheim onvoldoende kenbaar voor de rechtbank voldaan. En uit het incident waarbij de verdediging tijdens een inzage bij het NFI opeens op een geheimhoudersbericht in een zogenoemde werkset kon stuiten terwijl dat bericht eigenlijk uitgegrijsd was, leidt de rechtbank af dat in de uitvoering dingen mis kunnen gaan. Echt verbazingwekkend is dat natuurlijk niet. Het Openbaar Ministerie, de politie en het NFI hadden – door het kopiëren van de servers van Ennetcom en PGP-safe met daarop miljoenen versleutelde berichten – met een nieuw fenomeen te maken. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij daarbij geprobeerd zo goed mogelijk de belangen van professionele geheimhouders te beschermen.
Het niet-vernietigen als bedoeld in artikel 126aa lid 2 Sv (of overeenkomstig de door de Hoge Raad geformuleerde standaard uitgrijzen) van geheimhouderscommunicatie levert een onherstelbaar vormverzuim op. Dit vormverzuim heeft zich weliswaar niet in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachten in Marengo voorgedaan, maar zoals hiervoor overwogen zal wel moeten worden beoordeeld of dit vormverzuim tot consequenties moet leiden in deze strafzaak. Bij die beoordeling houdt de rechtbank rekening met het belang dat het voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het Openbaar Ministerie bewust laks is geweest met het ontoegankelijk maken van geheimhoudersberichten in de datasets. Integendeel, uit de verslaglegging leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie zijn uiterste best heeft gedaan om deze berichten zo snel mogelijk te onderkennen en af te schermen. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, te weten het belang dat eenieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk een professioneel verschoningsgerechtigde te raadplegen, zonder vrees voor openbaarmaking van wat aan deze professioneel verschoningsgerechtigde in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, is uiteraard groot. Van enig nadeel veroorzaakt door het vormverzuim voor de verdachten in de zaken De Vink en Sassenheim is echter geen sprake, reeds omdat de verdachten in die zaken niet door de niet-naleving van het voorschrift waren getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Zij waren immers geen professioneel verschoningsgerechtigden en gesteld noch gebleken is dat berichten van hen met een professioneel verschoningsgerechtigde in het dossier waren gevoegd.
Dat geldt evenzeer voor de verdachten in de zaak Marengo. Ook zij lijden geen concreet nadeel. De berichten van de onderkende e-mailadressen van geheimhouders zijn in De Vink en Sassenheim ontoegankelijk gemaakt. Deze zijn, voor zover zij al deel uitmaakten van het door de rechter-commissaris goedgekeurde plan van aanpak voor Marengo, binnen de Marengo-dataset nooit zichtbaar geweest. Uit een latere controle van de Marengo-dataset is gebleken dat het deel afkomstig uit de PGP-safe-data geen (potentiële) geheimhoudersberichten bevatte. Het deel afkomstig uit de Ennetcom-dataset bleek bij die controle uiteindelijk 71 dataregels (36 unieke berichten) te bevatten die als geheimhoudersbericht waren aan te merken. Die zijn vervolgens alsnog ontoegankelijk gemaakt.52 Op het onbetwiste totaal van ruim 875.000 dataregels die de Marengo-dataset bevat is dit aantal gering te noemen. Bovendien zijn, zoals hiervoor al is vastgesteld, vanuit de Marengo-dataset geen geheimhoudersberichten in het Marengo-dossier terechtgekomen en gesteld noch gebleken is dat het gaat om enige communicatie tussen een van de verdachten en hun raadslieden.
De stelling van de verdediging dat geheimhouderscommunicatie bij de start van de verdenking, bij het samenstellen van het dossier of bij beslissingen in de opsporing een rol hebben gespeeld, is op geen enkele manier onderbouwd. Ook de stelling dat geheimhoudersberichten lange tijd voor velen zichtbaar zijn geweest is niet onderbouwd.
Dictum
De rechtbank concludeert dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.
Los van het bovenstaande levert het voegen van uit andere onderzoeken afkomstige geheimhouderscommunicatie in het strafdossier Marengo – zoals hiervoor beschreven – ook een vormverzuim op. Het verstrekken van geheimhoudersberichten die onderdeel uitmaken van een proces-verbaal in een ander onderzoek aan Marengo is niet toegestaan. De omstandigheid dat deze communicatie pas op een later moment als geheimhouderscommunicatie wordt onderkend maakt dat niet anders. Met uitzondering van het door het Openbaar Ministerie aangehaalde tweede voorbeeld, uit de telefoon van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), lijken die (doorstuur)berichten communicatie tussen [verdachte] en zijn toenmalige raadsvrouw te bevatten en die communicatie hoort uiteraard niet in dit strafdossier thuis. Het belang om deze communicatie uit strafdossiers te houden is groot. Nu de communicatie echter geen relevantie heeft voor de strafzaak en hoogstens eruit afgeleid zou kunnen worden dat zij met elkaar communiceren, is er geen nadeel voor [verdachte] veroorzaakt door het vormverzuim. Ook voor de andere Marengo-verdachten geldt dat zij geen nadeel lijden door dit verzuim.
De verdediging van [verdachte] betoogt dat het geheimhoudersbericht in het eerste voorbeeld waarin de bijnaam van [betrokkene 16] (de verdachte in de zaak Tandem II, hierna: [betrokkene 16] ) voorkomt tactisch gebruikt is en verweven blijft met de aan [verdachte] toegeschreven accounts. Voor zover de verdediging daarmee bedoelt dat de identificatie van de PGP-lijn 39x7w1nz2h@ennetcom.biz (hierna ook: 39x7) van [verdachte] (mede) heeft kunnen plaatsvinden doordat kennis is genomen van dat geheimhoudersbericht, volgt de rechtbank haar daarin niet. De identificatie van de 39x7 heeft in het onderzoek Tandem II immers plaatsgevonden aan de hand van berichtenwisseling tussen [verdachte] en diens broer en zus.53 De rechtbank concludeert het voorgaande beschouwend ook hier dat met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.
3.3.6
Netwerkmetingen
3.3.6.1 Standpunten
De verdediging stelt dat in het kader van de opsporing van [verdachte] geheimhoudersrechten zijn geschonden door het doen van netwerkmetingen en door analyse van historische gegevens. Contacten van naasten van [verdachte] met de advocaat van [verdachte] zijn ook geheimhouderscontacten. De netwerkmetingen waren gericht op de tijdstippen dat een familielid van [verdachte] op het kantoor van de advocaat van [verdachte] was en waren dus specifiek gericht op de vertrouwelijke relatie tussen een geheimhouder en een cliënt. Daarbij zijn in grote delen van Nederland persoonsgegevens geschonden, inclusief die van zich daarin bevindende geheimhouders en onverdachte personen en specifiek de geheimhouders die kantoor houden binnen een straal van vijftig meter van het kantoor van de advocaat van [verdachte] . Het recht om zich vrijelijk en vrij van vrees voor openbaring tot een geheimhouder te wenden, wordt met deze opsporingsmethode geraakt, aldus de verdediging.
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van inzet op een geheimhouder of het beperken van de vrije toegang van een verdachte tot zijn advocaat. Er is slechts geprobeerd om achteraf aan de hand van analyse van telecomgegevens te achterhalen of de zus van [verdachte] wellicht over een tweede PGP-toestel beschikte waarmee zij contact had met [verdachte] . Het doel daarvan was [verdachte] ’s verblijfplaats te achterhalen, zodat hij kon worden aangehouden.
3.3.6.2 Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat in het opsporingsonderzoek CapeCoral, dat zag op de opsporing van [verdachte] , sprake was van inzet van middelen op grond van de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: BOB-middelen) op een zus van [verdachte] , onder andere toen zij de advocaat van [verdachte] bezocht. Uit het dossier leidt de rechtbank verder af dat met betrekking tot 14 mei 2019 en 6 november 2019, zijnde momenten dat deze zus van [verdachte] (vermoedelijk) het advocatenkantoor bezocht, mastbevragingen zijn gedaan op de basisstations in de directe omgeving waar onder andere het kantoor van [naam advocatenkantoor] is gevestigd. Ook zijn in dit verband historische verkeersgegevens gevorderd. Het doel van al dit onderzoek was het achterhalen van een mogelijk tweede PGP-toestel van deze zus van [verdachte] , omdat vermoed werd dat zij daarmee contact met hem had. De mogelijke verblijfplaats van [verdachte] is uit dit onderzoek echter niet gebleken. Daarbij geldt overigens dat een vergelijkende analyse van de mastbevraging van 6 november 2019 met die van 14 mei 2019 niet meer heeft plaatsgevonden omdat [verdachte] inmiddels – op 16 december 2019 – was aangehouden in Dubai.54
In het kader van de opsporing van een voortvluchtige verdachte mag het Openbaar Ministerie BOB-middelen inzetten. Destijds is dat gebeurd op de voet van het bepaalde in artikel 565 Sv (oud). Dat daarbij BOB-middelen worden ingezet op familieleden van deze voortvluchtige verdachte is – mits is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit – toegestaan.
De inzet van de BOB-middelen heeft zich niet gericht op de communicatie, maar was gericht op het lokaliseren van [verdachte] . Dat daarbij geheimhoudersrechten zijn geschonden of dat de opsporing anderszins niet aan de eisen voldoet, is op geen enkele wijze onderbouwd. Dit verweer wordt daarom verworpen.
In het kader van het opsporingsonderzoek naar [verdachte] zijn (dus) verkeersgegevens gevorderd op grond van artikel 126n Sv. Het Openbaar Ministerie heeft dat op de wettelijk voorgeschreven wijze gedaan. Sinds het Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie EU van 2 maart 202155 en het arrest van de Hoge Raad van 5 april 202256 is echter duidelijk, kort gezegd, dat dergelijke informatie met een rechterlijke machtiging had moeten worden opgevraagd. De omstandigheid dat dit niet is gebeurd levert een vormverzuim op. Hieraan verbindt de rechtbank in dit geval geen rechtsgevolg, reeds omdat het niet heeft geleid tot voor het onderzoek Marengo relevante bewijsresultaten. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering ervan.
3.3.7
Tactische en technische verwerking van de PGP-data
3.3.7.1 Verweren van de verdediging
De verweren van de verdediging over de tactische en technische verwerking van de PGP-data zien voor een belangrijk deel op de stelling dat geen sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, in het bijzonder omdat het recht op gelijke proceskansen (equality of arms) als invulling van artikel 6 lid 3 onder b EVRM zou zijn geschonden. De verdediging meent dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om het met Hansken verkregen bewijsmateriaal te kunnen controleren en betwisten omdat zij geen toegang heeft gekregen tot de brondata en de software van Hansken. De ontwikkeling en het gebruik van Hansken zijn niet gereguleerd en er is geen mogelijkheid tot contra-expertise. Hansken had bovendien niet gebruikt mogen worden omdat het een buitenwettelijk technisch hulpmiddel is, nu het niet voldoet aan de eisen die daaraan in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (hierna: het Besluit) worden gesteld. Ten slotte zijn de data onvolledig en forensisch onbetrouwbaar.
3.3.7.2.1 Inzage in brondata
De rechtbank stelt voorop dat de brondata geen deel uitmaken van de processtukken. De Hoge Raad heeft in het eerste Ennetcom-arrest van 28 juni 2022 het juridisch kader voor de beoordeling van verzoeken van de verdediging om voeging van althans inzage in niet tot de processtukken behorende gegevens (nogmaals) uiteengezet.57
De maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak daarvan is gebleken.
Dictum
Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken.
De verdediging kan – mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier – een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken. Tijdens het vooronderzoek kan een dergelijk verzoek worden gedaan overeenkomstig de in artikel 34 Sv geregelde procedure. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting beslist de zittingsrechter – zo nodig op basis van de bevindingen van nader onderzoek dat door een ander dan de zittingsrechter, bijvoorbeeld de rechter-commissaris, is verricht naar de aard en de inhoud van de betreffende stukken en gegevens – of en zo ja, in welke mate en op welke wijze, die inzage kan worden toegestaan.
In dit proces heeft de verdediging meerdere malen verzocht om inzage in de brondata, welke verzoeken door de rechtbank zijn afgewezen. Anders dan de verdediging stelt volgt uit de Europese jurisprudentie niet dat de verdediging daar recht op heeft. Het EHRM overweegt ten aanzien van grote datasets onder meer dat het beginsel van equality of arms niet inhoudt dat de verdediging het ongeclausuleerde recht heeft op toegang tot de volledige dataset. Als de opsporingsinstantie niet op de hoogte is van de inhoud van de totale dataset en de verdediging niet duidelijk vermeldt welke specifieke kwesties in de data onderzocht moeten worden en daarvoor redenen aandraagt of specifieke zoekopdrachten voorstelt, is er geen sprake van het achterhouden van bewijs.58 Het onderzoeksteam Marengo en het Openbaar Ministerie hebben allebei geen inzage in de brondata. De verdediging wenst in feite dus verdergaande toegang tot de Ennetcom- en PGP-safe-data te verkrijgen dan het Openbaar Ministerie heeft en daartoe bestaat, ook bezien in het licht van artikel 6 EVRM, geen aanleiding. Ten aanzien van de toegang tot de Ennetcom-data komt daar nog bij dat een verdergaande toegang in strijd zou zijn met de door de Canadese rechter gestelde voorwaarden. De verdediging heeft evenwel steeds de mogelijkheid gehad zich te wenden tot de rechter-commissaris met een onderbouwd verzoek, bijvoorbeeld met opgave van relevante zoektermen, om binnen de brondata te (laten) zoeken naar specifieke berichten waarvan de verdediging meent dat de Marengo-dataset daarmee zou moeten worden uitgebreid. Van deze laatste mogelijkheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het vooraf moeten opgeven van zoektermen een ongeoorloofde inperking is van haar rechten, volgt de rechtbank haar daarin niet. Overeenkomstig artikel 34 Sv mag van de verdediging immers een concrete onderbouwing verlangd worden. Vanwege de met een ongeclausuleerde inzage gepaard gaande inbreuk op de privacy van zeer veel andere personen en gelet op de in het geding zijnde opsporingsbelangen, is de restrictie dat zij concreet, bijvoorbeeld door het opgeven van zoektermen, vermeldt waarnaar in de brondata gezocht zou moeten worden, gerechtvaardigd. De verdediging heeft alleen gesteld dat zich in die brondata mogelijk ontlastende PGP-berichten bevinden, maar deze enkele algemene stelling is onvoldoende voor het oordeel dat inzage in alle brondata noodzakelijk is voor de voorbereiding van de verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot voeging.
3.3.7.2.2 Inzage in Marengo-dataset
Uit de Marengo-dataset zijn berichten geselecteerd die volgens het Openbaar Ministerie redelijkerwijs van belang konden zijn voor enige door de rechtbank in de strafzaken van verdachten te nemen beslissing. Deze berichten zijn aan het procesdossier toegevoegd. De volledige Marengo-dataset behoort echter niet tot de processtukken. Daarvoor geldt hetzelfde juridisch kader uit het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022. De gedurende dit proces (herhaalde) verzoeken van de verdediging om de Marengo-dataset aan haar te verstrekken zijn door de rechtbank steeds afgewezen.59 Hoewel het onderzoeksteam Marengo wel over de Marengo-dataset beschikt acht de rechtbank het niet verstrekken daarvan aan de verdediging gerechtvaardigd. De daartoe aangedragen argumenten – de privacybelangen van (onbekende) derden en het algemene belang dat berichten die mogelijk relevant zijn voor de opsporing in andere zaken, niet onnodig worden verstrekt – acht de rechtbank valide. De rechtbank wijst in dit verband op de mededeling van het Openbaar Ministerie op de zittingen van 27 en 28 februari en 6 maart 2020 dat ‘slechts’ tien procent van de (toen nog circa 610.000) berichten in de Marengo-dataset uit communicatie van de aan verdachten toe te schrijven PGP-lijnen bestaat en dat het bij de overige negentig procent van de berichten gaat om communicatie van derden of van verdachten via op dat moment (nog) niet geïdentificeerde PGP-lijnen. Ook het EHRM heeft in dit kader overwogen dat het noodzakelijk kan zijn om de verdediging de toegang tot materiaal te beperken om de fundamentele rechten van anderen of een belangrijk algemeen belang te waarborgen.60 Dat de verdediging niet de beschikking heeft gekregen over de volledige Marengo-dataset maar daarin alleen inzage heeft gekregen acht de rechtbank – mede gelet op wat hierna over die inzagemogelijkheden wordt overwogen – dan ook niet in strijd met het beginsel van equality of arms.
De verdediging heeft wel recht op inzage in de Marengo-dataset. Zij heeft die inzagemogelijkheid gekregen vanaf 10 februari 2020. De Marengo-dataset kon door de raadslieden op afspraak bij politiebureaus in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht worden ingezien. De Marengo-dataset was daarnaast ook op afspraak in te zien op een laptop in de penitentiaire inrichting in aanwezigheid van de gedetineerde verdachte. In de Extra Beveiligde Inrichting (hierna: EBI) in Vught waren op afspraak twee laptops met daarop de Marengo-dataset beschikbaar, zodat aan beide zijden van de glazen wand tussen de raadsman en de verdachte een laptop beschikbaar was. Ook kon de verdediging zelf op afspraak bij het NFI in de Marengo-dataset zoeken met behulp van Hansken. Enkele raadslieden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Verder heeft de rechtbank op 13 maart 2020 beslist dat de zogenoemde ‘eigen lijnen’ – te weten alle berichten van een door de politie aan een specifieke verdachte toegeschreven PGP-adres – tijdelijk ter beschikking moeten worden gesteld aan de raadslieden van die verdachte. Naar aanleiding van deze beslissing heeft het Openbaar Ministerie aan de raadslieden een laptop met die ‘eigen lijnen’ verstrekt. Het gaat dus om berichten uit de Marengo-dataset, maar die berichten zijn geen processtukken, behalve voor zover berichten van die lijnen al aan het procesdossier waren toegevoegd. Enkele raadslieden hebben nadat zij inzage hebben gekregen in de Marengo-dataset en/of de aan hen verstrekte ‘eigen lijnen’ verzocht om voeging van extra berichten, waarna die berichten aan het procesdossier zijn toegevoegd.
De verdediging heeft in de loop van dit proces herhaaldelijk gesteld dat de geboden inzagemogelijkheden onvoldoende waren vanwege – samengevat – praktische bezwaren rondom de inzage en problemen die zich bij het zoeken in de dataset voordeden. De rechtbank wijst erop dat zij op 11 en 12 maart 2021 een regiezitting heeft gehouden waarbij de verdediging specifieke PGP-onderzoekswensen kon indienen en zij de rechtbank heeft kunnen tonen tegen welke problemen zij aanliep bij de geboden inzagemogelijkheden.