Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-05
ECLI:NL:RBAMS:2024:6838
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,385 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/255544-24
Datum uitspraak: 5 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 23 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 maart 2022 door de Sąd Okręgowy w Olsztynie II Wydział Karny [Circuit Court in Olsztyn, Criminal Matters Division 2], Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of the District Court in Olsztyn of 12 February 2021, case file ref. II K 1085/17, amended by the judgment of the Circuit Court In Olsztyn of 30 June 2021, case file ref. VII Ka 488/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de zitting in hoger beroep. Hij heeft ook geen advocaat gemachtigd om hem bij te staan in de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon was dus niet op enigerlei wijze op de hoogte van het proces in hoger beroep en heeft zijn verdedigingsrechten niet kunnen uitoefenen. Dit betekent dat er een verzetgarantie moet worden afgegeven en die bevindt zich niet in het dossier. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de zaak aan te houden, omdat de Poolse advocaat een verzoek tot uitstel van de executie van de straf heeft ingediend. Dit zou kunnen leiden tot intrekking van het EAB.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voordoet. Zij heeft zich verzet tegen het aanhoudingsverzoek.
De rechtbank overweegt als volgt.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit het EAB volgt dat de zaak in hoger beroep is behandeld en dat dat de laatste instantie is geweest. De rechtbank toetst daarom alleen het proces in hoger beroep aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep en dat hij een gemachtigd advocaat had die hem tijdens het proces in hoger beroep heeft verdedigd. De enkele niet-onderbouwde stelling van de opgeëiste persoon dat hij niet op de hoogte was en geen gemachtigd advocaat had, is onvoldoende om niet uit te gaan van de informatie in het EAB. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van het verzoek om aanhouding overweegt de rechtbank het volgende. Uit de overgelegde brief van de Poolse advocaat van 21 oktober 2024 in de Poolse taal, met daarbij gevoegd een met ‘Google translate’ door de raadsvrouw vertaalde versie van die brief, leidt de rechtbank af dat de Poolse advocaat na bestudering van de documentatie zo spoedig mogelijk een verzoek tot uitstel van de executie van de straf zal indienen. Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn waaruit de rechtbank kan afleiden dat de Poolse autoriteiten overwegen om het EAB in te trekken binnen het verstrijken van de beslistermijn. Het subsidiaire aanhoudingsverzoek wordt daarom afgewezen.
4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 250 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Olsztynie II Wydział Karny [Circuit Court in Olsztyn, Criminal Matters Division 2], Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).