Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-12
ECLI:NL:RBAMS:2024:6796
Strafrecht; Materieel strafrecht
Beschikking
994 tokens
Dictum
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. W. van Vliet, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht (H.J.E. Wenckebachweg 150D, 1114 AD Amsterdam-Duivendrecht),
hierna te noemen: verzoeker.
Feiten
Verzoeker is op 14 april 2024 aangehouden en op in verzekering gesteld op verdenking van een (poging) tot diefstal met geweld (overval).
Op 17 april 2024 is de bewaring bevolen en op 29 april 2024 is de voorlopige hechtenis geschorst.
De officier van justitie heeft beslist verzoeker niet verder te vervolgen en heeft dat bij brief van 3 juni 2024 aan verzoeker meegedeeld. Deze beslissing is onherroepelijk geworden. De door de officier van justitie aan de niet (verdere) vervolging verbonden voorwaarden zijn vervuld.
Procedure
Het verzoekschrift is op 17 juni 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 12 september 2024 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde raadslieden van verzoeker, mrs. W. van Vliet en A. van den Does, en de officier van justitie op zitting gehoord.
Verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Verzoek
Het verzoek strekt tot vergoeding van de immateriële schade die verzoeker als gevolg van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden tot een bedrag van in totaal
€ 1.690,-.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen het toekennen van de gevraagde vergoeding.
Verzoeker heeft zichzelf bij de politie gemeld met de mededeling dat hij diverse (gewapende) overvallen had gepleegd, waaronder een recente overval in een hostel in [adres]. De modus operandi van die overval kwam overeen met de modus operandi waar verzoeker over verklaarde. Nadien heeft hij zich echter bij herhaling beroepen op zijn zwijgrecht en geen medewerking willen verlenen aan het onderzoek. Bij deze stand van zaken heeft verzoeker de voorlopige hechtenis en de duur daarvan aan zichzelf te wijten en is vergoeding niet billijk.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank acht geen gronden van billijkheid aanwezig om verzoeker een bedrag toe te kennen als vergoeding voor de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Immers, doordat verzoeker zichzelf heeft gemeld met de mededeling dat hij een groot aantal (gewapende) overvallen wilde bekennen, heeft hij het voorarrest over zichzelf afgeroepen. Vervolgens heeft hij er voor gekozen om geen (volledige) openheid van zaken te geven. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat gronden van billijkheid bestaan voor toekenning van een schadevergoeding.
De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door
mr. P.L.C.M. Ficq, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2024.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat hoger beroep open bij het gerechtshof, voor de officier van justitie binnen veertien (14) dagen en voor de verzoeker binnen een maand na betekening van deze beslissing, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank.