Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-11-01
ECLI:NL:RBAMS:2024:6651
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,625 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/6807
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)
(gemachtigde: mr. C. Vos).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [belanghebbende] uit Amsterdam (belanghebbende)
(gemachtigde: mr. O.V. Wilkens).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek.
Met een besluit van 20 april 2023 heeft het college eisers handhavingsverzoek gedeeltelijk niet in behandeling genomen en gedeeltelijk afgewezen.
Met het bestreden besluit van 18 oktober 2023 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 20 april 2023 in stand gelaten, onder aanpassing van de motivering in die zin dat het handhavingsverzoek op alle punten wordt afgewezen.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van verweerder, belanghebbende en de gemachtigde van belanghebbende.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden eisers handhavingsverzoek heeft afgewezen. Zij doet dat door aan de hand van de beroepsgronden van eiser te beoordelen of de motivering die is opgenomen in het bestreden besluit de afwijzing van het handhavingsverzoek kan dragen.
2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat aan deze procedure voorafging
3. Eiser is eigenaar van de [adres] [huisnummer 1] in Amsterdam en verhuurt dit appartement. Belanghebbende is eigenaar van het daarboven gelegen appartement [adres] [huisnummer 2]
4. Met een besluit van 24 december 2020 heeft het college aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van het gebouw door het plaatsen van een dakterras en het omzetten van de functie berging naar verblijfsruimte.
5. Op 1 maart 2023 heeft eiser bij het college een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen de volgende (vermeende) overtredingen door belanghebbende:
voor de trap intern die naar de berging leidt is geen vergunning afgegeven;
het dakterras is niet conform de omgevingsvergunning op de kapverdieping, maar op de uitbouw geplaatst;
de toetreding tot het dakterras is met een raam en niet met een dakluik. Ook mag de toetreding alleen op het hoogst gelegen dak en niet op lagere daken;
er is een cv-ketel geplaatst in de gemeenschappelijke ruimte;
bij de aanvraag omgevingsvergunning is niet de tekening van de bestaande toestand weergegeven omdat de dichtgezette lichtschacht niet op de tekening staat;
de lichtschacht is dichtgemaakt zonder omgevingsvergunning; en
er zijn kunststof kozijnen geplaatst en de indeling van de kozijnen is veranderd.
6. Met het besluit van 20 april 2023 heeft het college het handhavingsverzoek, voor zover het de tekening bij de aanvraag omgevingsvergunning (onderdeel 5) en de interne trap (onderdeel 1) betreft, niet in behandeling komen omdat eiser volgens het college geen belanghebbende is bij die verzoeken. Voor de overige onderdelen is geen sprake van overtredingen, dan wel staan de ingrijpende gevolgen van handhaving volgens het college niet in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
7. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een advies van de bezwaarschriftencommissie van 5 oktober 2023 ten grondslag. Het college merkt eiser in het bestreden besluit wel aan als belanghebbende bij alle onderdelen van zijn verzoek tot handhaving. Dit leidt echter niet tot een andere uitkomst omdat op beide onderdelen (1 en 5) geen sprake is van een overtreding, net als op de onderdelen 2, 3 en 4. Voor zover wel sprake is van overtredingen, acht het college het niet doelmatig, evenredig en proportioneel om tot handhaving over te gaan.
Overwegingen
8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 1 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
9. De rechtbank stelt voorop dat het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, bij een overtreding van een wettelijk voorschrift in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Zo kan handhavend optreden dusdanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
10. De rechtbank bespreekt de beroepsgronden van eiser hieronder aan de hand van de door hem in zijn handhavingsverzoek gestelde overtredingen (onderdelen 1 tot en met 7).
Onderdeel 1), de trap
11. Eiser voert aan dat er een trap, zoals die is ingetekend door de architect op de tekeningen bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, afwijkt van de feitelijke situatie. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat de omgevingsvergunning weliswaar geen betrekking heeft op werkzaamheden aan de trap, maar dat het hem erom gaat dat de trap niet voldoet aan de eisen die het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) daaraan stelt in verband met de functiewijziging van de bovenste verdieping van berging naar verblijfsruimte.
12. De rechtbank overweegt dat het college in 1994 een bouwvergunning heeft afgegeven voor het veranderen van de eerste, derde en zolderverdieping met bestemming daarvan tot twee woningen. Blijkens de tekeningen bij deze vergunning is hiermee ook een verblijfsruimte (slaapkamer) op de vierde verdieping vergund. In de bouwvergunning staat dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit (zoals dat toen gold). Sindsdien is de trap – die dus ook toen al toegang gaf tot een verdieping met een verblijfsruimte – niet gewijzigd. De rechtbank volgt de besluitvorming van het college op dit punt dat geen sprake is van een overtreding.
Onderdeel 2) en 3), (toegang tot) het dakterras
13. Eiser voert aan dat het dakterras wat betreft de uitvoering niet voldoet aan het advies van de welstandscommissie en de in 2020 verleende omgevingsvergunning. De toegang tot het dakterras mag alleen via een dakluik, maar is uitgevoerd met een openslaand raam. Deze toegang is volgens eiser bovendien onveilig. Ook is er een negatief advies van de constructeur, omdat de balklaag niet voldoet. Eiser vraagt zich af of de gemeente Amsterdam daadwerkelijk heeft gecontroleerd of bij de uitvoering de benodigde maatregelen zijn getroffen.
14. De rechtbank overweegt dat belanghebbende in 2020 aanvankelijk twee dakterrassen heeft aangevraagd: een dakterras op de kaplaag en een dakterras op het platte dak. De welstandscommissie CRK heeft vervolgens op 10 november 2020 als volgt geadviseerd: “De twee dakterrassen voldoen aan redelijke eisen van welstand, alleen het realiseren van een trap tegen de gevel is niet wenselijk. Een buitentrap is zeer oneigenlijk in deze architectuurstijl en detonerend in het gevelbeeld. De commissie adviseert het dakterras op de kapverdieping van binnenuit te ontsluiten en binnen het terrashekwerk een dakluik te realiseren.” Belanghebbende heeft vervolgens haar aanvraag om een omgevingsvergunning aangepast en alleen nog een dakterras op het platte dak aangevraagd. Het bezwaar in het welstandsadvies van 10 november 2020 ten aanzien van de buitentrap en het advies om een dakluik te realiseren is daarmee niet langer relevant; een dakterras op de kapverdieping is immers geen onderdeel meer van de aanvraag. Het dakterras op het platte dak, waarvoor het college aan belanghebbende een omgevingsvergunning heeft verleend, voldeed blijkens dit welstandsadvies aan de redelijke eisen van welstand en noch uit het welstandsadvies, noch uit de omgevingsvergunning volgt dat voor de toegang tot dit dakterras een dakluik moest worden gerealiseerd.
15. Dat de toetreding niet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen voldoet heeft eiser niet onderbouwd en is ook niet gebleken. Voor zover dat al het geval zou zijn, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheidseisen die hierover zijn opgenomen in het Bouwbesluit niet strekken tot bescherming van de belangen van eiser. Eiser kan dus geen succesvol beroep doen op die vereisten.
16. Wat betreft de balklaag overweegt de rechtbank dat het college ter zitting heeft bevestigd dat in verband met de omgevingsvergunning een controle heeft plaatsgevonden. Er is een bouwinspecteur ter plaatse geweest die heeft vastgesteld dat de constructie voldoet. Eiser heeft geen concrete punten naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank daaraan twijfelt.
Onderdeel 4), de cv-installatie
17. Eiser voert aan dat de cv-ketel is geïnstalleerd in de gemeenschappelijke ruimte, die tevens fungeert als vluchtroute. Dit is brandonveilig en levert strijd op met het Bouwbesluit en de norm NEN 6068. Ook zijn leidingen door muren geboord die de scheiding vormen tussen privé- en gemeenschappelijke gedeelten en zijn er leidingen die ‘buitenom’ lopen. Volgens eiser moet de cv-ketel in een gesloten ruimte hangen en moet de stookruimte uitgevoerd worden als afzonderlijk brandcompartiment.
18. De rechtbank overweegt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat eisers handhavingsverzoek niet ziet op de cv-installatie. Eiser heeft de cv-installatie wel genoemd in zijn handhavingsverzoek, zodat het college hier in het besluit van 20 april 2023 ten onrechte niet op heeft besloten. In het bestreden besluit heeft het college dit gebrek hersteld. Het college heeft in de bezwaarfase geconstateerd dat de leidingen van de cv-ketel moeten worden voorzien van pur brandwering om volledig te voldoen aan het Bouwbesluit. Op de zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij dit inmiddels gedaan heeft, zodat in zoverre geen sprake (meer) is van een overtreding. Voor het overige is de rechtbank niet gebleken dat de cv-installatie, zoals die is geplaatst, in strijd is met het Bouwbesluit. Dat de vluchtroute belemmerd wordt heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Ook is niet gebleken dat de cv-installatie volgens het Bouwbesluit in een besloten ruimte geplaatst moet worden. Eiser verwijst naar de bepalingen in het Bouwbesluit met betrekking tot aanrechten en kooktoestellen, die niet gaan over cv-installaties. Dat sprake is van een stookruimte die volgens het Bouwbesluit in een afzonderlijk brandcompartiment geplaatst moet worden, is de rechtbank niet gebleken. Ook van een stookplaats als bedoeld in het Bouwbesluit is geen sprake: dit is een opstelplaats voor een verbrandingstoestel dat bestemd is voor open verbranding van vaste brandstoffen.
Onderdeel 5) en 6), de lichtschacht
19. Eiser voert aan dat de lichtschacht van [adres] [huisnummer 2] is dichtgemaakt. Dit beperkt de luchtventilatie. Omdat voor het dichtzetten van de lichtschacht geen omgevingsvergunning is verleend, is niet gecontroleerd of deze voldoet aan het Bouwbesluit. Eiser stelt dat hij zelf wel een omgevingsvergunning heeft voor het dichtzetten van de lichtschacht.
20. De rechtbank overweegt dat eisers belang wat betreft deze beroepsgrond alleen kan zien op de constructieve veiligheid. Alleen daar heeft eiser belang bij; bij de ventilatie in de woning van belanghebbende heeft hij geen belang.
Conclusie
25. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De NEN 6068 geeft een methode voor de bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten in gebouwen.
Artikel 2.83, zevende lid, en artikel 7.8 van het Bouwbesluit.
Artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit.