Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-29
ECLI:NL:RBAMS:2024:6593
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,328 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/181517-24
Datum uitspraak: 29 oktober 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 27 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 maart 2024 door the Györ Regional Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] , Hongarije, op [geboortedag] 1973,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.D.W. Siccama, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Sopron No. B.110/2022/28 (referentie: Szv.735/2023).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en veertien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis; en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):
3.4.
the person was not personally served with the decision. but
- the person will be personallv served with this decision without delav after the surrender; and
- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined. and which may lead to the original decision being reversed; and
- the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal. ,which is not subject to anv deadline.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
4Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW; verzoek om aanhouding
Verzoek om aanhouding van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de zaak aan te houden. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. De opgeëiste persoon was enkele jaren geleden als blogger een prominente figuur op sociale media en hij maakt zich grote zorgen over zijn veiligheid in Hongarije. Hij heeft een contactpersoon in Hongarije, die een brief met bewijsmateriaal heeft opgesteld die nu onderweg is naar de penitentiaire inrichting waar de opgeëiste persoon gedetineerd is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de zaak, omdat het verzoek niet concreet is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af en licht dit als volgt toe.
Op de zitting heeft de rechtbank de opgeëiste persoon uitvoerig ondervraagd over de achtergronden van zijn verzoek, maar de antwoorden van de opgeëiste persoon hebben weinig duidelijkheid gegeven. De opgeëiste persoon heeft niet verder geconcretiseerd waarom hij voor zijn veiligheid vreest en wat de te ontvangen brief daarover zou kunnen verhelderen. Voor het geval dat de opgeëiste persoon heeft bedoeld te stellen dat hij vreest voor zijn veiligheid in detentie in Hongarije vanwege (politieke) activiteiten in het verleden, geldt daarbij het volgende.
Wat betreft de detentieomstandigheden in Hongarije ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van haar eerdere oordeel, te weten dat in het algemeen geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen. De raadsman en de opgeëiste persoon hebben geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens naar voren gebracht over de detentieomstandigheden in Hongarije, die tot een ander oordeel moeten leiden. Dergelijke gegevens zijn ook niet ambtshalve bij de rechtbank bekend. Gelet op het gegeven kader in de uitspraak Aranyosi en Căldăraru komt de rechtbank dan ook niet toe aan het nader onderzoeken van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon, zoals verzocht door de raadsman.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Györ Regional Court, Hongarije voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2020:2673.
C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198.