Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-09
ECLI:NL:RBAMS:2024:6555
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,458 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-259869-24 (EAB III)
Datum uitspraak: 9 oktober 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 14 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 augustus 2024 door the Regional Court in Bydgoszcz III criminal division in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [gbeoortedag] 1989.
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 19 september 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 september 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak 3 oktober 2024
De rechtbank heeft op 3 oktober 2024 tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst wegens het stellen van vragen inzake het EAB met parketnummer 13-176342-23 (EAB I) terwijl de rechtbank ten aanzien van het onderhavige EAB en de EAB’s met parketnummers 13-176342-23 (EAB I) en 13-236486-24 (EAB II) gelijktijdig uitspraak wil doen.
Zitting 9 oktober 2024
De behandeling van het EAB is voorgezet op de zitting van 9 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is in strijd met de opgelegde schorsingsvoorwaarden niet verschenen. Zij is op de zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft op de zitting van 9 oktober 2024 het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan. De schorsing van de gevangenneming is derhalve geëindigd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon opnieuw onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Tussenuitspraak van 3 oktober 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 3 oktober 2024. Hierin heeft de rechtbank de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten, artikel 11 OLW en artikel 12 OLW al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 225 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz III criminal division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James - Pater, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van S. van Gerven, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
ECLI:NL:RBAMS:2024:6167.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).