Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-03
ECLI:NL:RBAMS:2024:6468
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,685 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/195807-24
Datum uitspraak: 3 september 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 17 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 april 2024 door The Regional Court of Wloclawek, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] verblijfadres: [verblijfsadres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie.
De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. W. Suttorp, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding, onder onmiddellijke schorsing tot aan de uitspraak, bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
- II K 1584/10: Cumulative sentence of the District Court in Wloclawek of 6th October 2010,
covering the following sentences;
- a. II K 126/09 - the District Court in Wloclawek of 8ᵗʰ April 2009;
- b. II K 554/09 - the District Court in Wloclawek of 10ᵗʰ December 2009.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de hierboven genoemde beslissing II K 1584/10 (hierna: het verzamelvonnis) heeft geleid. Uit de e-mail van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 juli 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon eveneens in persoon is verschenen bij de processen die tot de hierboven genoemde beslissingen II K 126/09 en II K 554/09 hebben geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog 364 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zij nooit heeft vastgezeten voor deze zaak en dat deze gegevens dus niet kloppen.
De rechtbank gaat op grond van het vertrouwensbeginsel uit van de juistheid van de door de Poolse autoriteiten in het EAB verstrekte informatie dat de opgeëiste persoon reeds 364 dagen in deze zaak heeft vastgezeten. De niet onderbouwde stelling van de opgeëiste persoon dat dit anders is, doet hier niet aan af.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
en
oplichting, meermalen gepleegd.
5Detentieomstandigheden in Polen
De raadsman heeft zich onder verwijzing naar het rapport van de Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 22 februari 2024 op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd danwel aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Poolse autoriteiten over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering zal worden gedetineerd en op welke wijze wordt gegarandeerd dat zij in de betreffende gevangenis niet wordt blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet slaagt, omdat de zorgen die in het CPT-rapport worden geuit met name betrekking hebben op de omstandigheden in de remand prisons en in dit geval sprake is van overlevering in verband met de tenuitvoerlegging van een reeds opgelegde vrijheidsstraf en de opgeëiste persoon dus niet in een detentie-instelling voor voorlopig gedetineerden zal worden geplaatst.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 225 en 326 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan The Regional Court of Wloclawek (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 september 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.