Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-03
ECLI:NL:RBAMS:2024:6461
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,267 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-194839-24
Datum uitspraak: 3 september 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 24 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juni 2024 door het Amtsgericht Weiden (Duitsland), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 1989 zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland gedetineerd in [detentieplaats]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 september 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Arabische (Syrisch-Libanese) taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor de sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Syrische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een op 14 juni 2024 door het Amtsgericht Weiden uitgevaardigd arrestatiebevel met dossiernummer: 1 Gs 665/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Genoegzaamheid van de stukken
Standpunt van de raadsman
Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de door de Duitse autoriteiten verzochte persoon de opgeëiste persoon betreft. Duitsland verzoekt de overlevering van een persoon die de naam [naam] draagt: de opgeëiste persoon ontkent dat hij dat is. Er zijn door Duitsland vingerafdrukken verstrekt die overeenkomen met die van de opgeëiste persoon maar deze vingerafdrukken zijn echter afkomstig uit Servië. Hoe het Servische document tot stand is gekomen is niet duidelijk en bovendien verklaart de opgeëiste persoon dat hij nooit vingerafdrukken heeft laten afnemen in Servië.
Primair dient de overlevering op grond van het voorgaande te worden geweigerd. Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie op te kunnen vragen bij de Duitse autoriteiten over de identiteit van de verzochte persoon.
Standpunt van de officier van justitie
Op basis van de match van de door de Duitse autoriteiten verstrekte vingerafdrukken met die van de in Nederland afgenomen vingerafdrukken van de opgeëiste persoon, kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon de door de Duitse autoriteiten verzochte persoon betreft. De overlevering kan dan ook worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de ter zitting aanwezige opgeëiste persoon de door de Duitse autoriteiten verzochte persoon betreft.
Uit het Rapport Dactyloscopisch identiteitsonderzoek van 21 juni 2024 blijkt dat de vingerafdrukken, zoals verstrekt door de Duitse autoriteiten van een persoon die zich [naam] noemt, zijn vergeleken met die van de in Nederland afgenomen vingerafdrukken van [opgeëiste persoon] , geb. [geboortedag] , SKN [nummer] , geregistreerd in HAVANK onder incidentnummer [nummer] en biometrienummer [nummer] . Uit de door de Duitse autoriteiten verstrekte documenten blijkt dat de door hen verstrekte vingerafdrukken zijn afgenomen in Servië.
Het resultaat van het dactyloscopisch onderzoek is dat voornoemde vingerafdrukken van één en dezelfde persoon afkomstig zijn.
Daar komt bij dat de opgeëiste persoon bij de Nederlandse officier van justitie heeft verklaard dat hij denkt dat op de door de Duitse autoriteiten bij het EAB verstrekte foto een persoon staat afgebeeld waarvan hij denkt dat hij dat betreft. Ten slotte heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat in Nederland vingerafdrukken van hem zijn afgenomen.
De enkele ontkenning door de opgeëiste persoon dat zijn vingerafdrukken in Servië zijn afgenomen vormt voor de rechtbank geen aanleiding om niet op grond van het vertrouwensbeginsel van de juistheid van de door de Duitse autoriteiten verstrekte informatie uit te gaan. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van voornoemd dactyloscopisch rapport en verwerpt het verweer. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden.
5Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemd lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 13, te weten:
hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd.
In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat:
- het onderzoek in Duitsland is aangevangen;
- het bewijs zich in Duitsland bevindt;
- de Duitse rechtsorde het meest is geschaad omdat de meeste feiten op Duits grondgebied
hebben plaatsgevonden;
- - het Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor deze feiten te
vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. De gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de argumenten van de officier van justitie, het gegeven dat de feiten geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] alias [naam] aan het Amtsgericht Weiden (Duitsland) voor de feiten zoals deze zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 september 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Bestandnaam: Fingerabdrücke_ [opgeëiste persoon] - (Optimized). pdf
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.