Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-22
ECLI:NL:RBAMS:2024:6434
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,341 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-177527-24
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 12 augustus 2024, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Veiligheid en Justitie ontvangen verzoek van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika van 5 augustus 2024 tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De rechtbank heeft op 15 oktober 2024 de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. D. Wiedeman, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie, mr. A. Keulers, ter openbare zitting gehoord.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2De identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd juist zijn en dat hij niet de Nederlandse maar de Dominicaanse en Spaanse nationaliteit heeft.
3Het verzoek tot uitlevering
Het verzoek tot uitlevering is gedaan bij diplomatic note nr. 59/24 van 5 augustus 2024 van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika in Den Haag.
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in het Affidavit in support of request for extradition van de United States District Court Southern District of Florida van 15 juli 2024.
Op het verzoek is van toepassing het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag).
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten in artikel 9, tweede lid, onder a-d, derde lid, onder a en b en zesde lid van het Verdrag, gelet op het hiervoor genoemde Affidavit met bijlagen, waaronder een gewaarmerkt afschrift van het aanhoudingsbevel van de United States District Court for the Southern District of Florida van 20 september 2022.
4Dubbele strafbaarheid
Feiten
- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;
- medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
- deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.
Conclusie
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, is bevonden dat aan alle daarvoor in de Uitleveringswet en het Verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 2 en 10 en 11b van de Opiumwet;
artikel 2 van de Uitleveringswet;
de artikelen 1, 2, 9 en 11 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, met bijlage, gesloten te 's-Gravenhage op 24 juni 1980 (Trb. 1980, 11, Trb. 1980, 133, Trb. 2004, 296);
het Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie, ondertekend te Washington op 25 juni 2003, inzake de toepassing van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te ’s-Gravenhage op 24 juni 1980 (Trb. 2004, 299).
Dictum
Verklaart TOELAATBAAR de door de Verenigde Staten van Amerika verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] voornoemd ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in de Affidavit in support of request for extradition van de United States District Court Southern District of Florida van 15 juli 2024.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2024.
Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.