Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-26
ECLI:NL:RBAMS:2024:6308
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,002 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/6029
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. G.I. Beij),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,
hierna: het college
(gemachtigde: mr. C. Schölvink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het intrekken van de tijdelijke vergunning voor vakantieverhuur verleend voor de periode van 16 maart 2022 tot 31 maart 2023 voor de woning op het adres [adres] in Amsterdam (hierna: de woning).
1.1.
Eiser heeft op 16 maart 2022 een aanvraag ingediend voor het tijdelijk onttrekken van de woning voor vakantieverhuur. Deze vergunning is op 16 maart 2022 aan eiser verleend (het primaire besluit). Hiertegen is door drie omwonenden bezwaar gemaakt.
1.2.
Op 16 april 2022 en 10 juni 2022 hebben toezichthouders een huisbezoek gebracht aan de woning. Op 1 november 2022 heeft het college de bezwaren van buurtbewoners gegrond verklaard op het advies van de bezwaarschriftencommissie. Eiser heeft volgens het college niet voldaan aan de meldplicht waaraan bij toeristische verhuur voldaan moet worden. De vergunning van eiser is op basis hiervan ingetrokken (het bestreden besluit).
1.3.
Eiser heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en een van de buurtbewoners. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het college de tijdelijke vergunning van eiser voor vakantieverhuur van de woning terecht heeft ingetrokken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had het college de bevoegdheid de vergunning in te trekken?
4.1.
Volgens artikel 3.7.3, tweede lid van de Huisvestingsverordening (Hvv) is het verboden om een woonruimte in gebruik te geven voor vakantieverhuur zonder voorafgaand (elektronisch) melding te doen bij de burgemeester en wethouders. Artikel 3.9.5, tweede lid van de Hvv schrijft voor dat er moet worden voldaan aan de meldplicht. Wanneer dit niet het geval is, biedt artikel 3.9.3. van de Hvv een grondslag voor het college om de vergunning in te trekken.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft vastgesteld dat sprake is geweest van een overtreding van de meldplicht. Uit de rapporten van bevindingen van de huisbezoeken volgt genoegzaam dat er op 16 april 2022 en op 10 juni 2022 toeristen op het adres van eiser verbleven, terwijl het verblijf van de toeristen beide keren niet was aangemeld.
16 april 2022
4.3.
Wat betreft de bevindingen op 16 april 2022 heeft eiser aangevoerd dat er van 14 april 2022 op 15 april 2022 een storing was op de website van de gemeente waardoor hij de toeristen niet kon aanmelden. Dit verklaart echter niet waarom eiser heeft nagelaten om de vakantieverhuur alsnog op 16 april 2022 te melden. Dit geldt temeer nu uit het bij het rapport van bevindingen gevoegde boekingsbewijs volgt dat de toeristen tot en met 18 april 2022 in de woning zijn gebleven. Eiser voert aan dat de gasten hadden besloten hun vakantiehuur te verlengen, maar dat neemt de verplichting om hun verblijf te melden niet weg.
10 juni 2022
4.4.
Ten aanzien van de bevindingen op 10 juni 2022 overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft aangevoerd dat de bevindingen onjuist zijn, en dat hij de woning op deze datum niet heeft verhuurd aan toeristen, maar dat er Engelse vrienden van hem in de woning verbleven. Verweerder mag echter in beginsel mag uitgaan van de juistheid van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte rapporten van bevindingen. De stellingen van eiser geven geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouders die dag een man, een vrouw en twee kinderen in de woning hebben aangetroffen. Er werd aanvankelijk niet opengedaan, maar later – als de politie erbij is gekomen – wel. De personen in de woning waren terughoudend bij het beantwoorden van vragen, maar verklaren wel dat zij gebruik maken van de gehele woning (behalve het souterrain). Daarbij blijkt uit de gesprekken dat er sprake is van een boekingsbewijs en de man laat desgevraagd een Amerikaans paspoort zien. Daaruit volgt genoegzaam dat de woning verhuurd was aan toeristen. Eiser heeft zijn andersluidende standpunt, dat op gespannen voet staat met de bevindingen, niet van een nadere onderbouwing voorzien.
4.5.
Het college heeft dus terecht vastgesteld dat eiser twee keer een overtreding in de zin van de Hvv heeft begaan en was daarom bevoegd de vergunning van eiser in te trekken.
Mocht het college van de bevoegdheid tot intrekking gebruik maken?
4.6
Eiser heeft gesteld dat het college toch niet tot het intrekken van de vergunning had mogen overgaan, omdat de bezwaren van de buurtbewoners geen intrekking van de vergunning rechtvaardigden, er geen rekening mee gehouden is dat de buurtbewoners inbreuk maken op de privacy van eiser en het zware middel van intrekking niet evenredig en proportioneel is.
4.7
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het college heeft er terecht op gewezen dat de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden ertoe strekken om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen en eiser mocht redelijkerwijs bekend worden verondersteld met de regels. De rechtbank vindt het ook niet onredelijk, onevenredig of disproportioneel dat het college in dit geval niet gekozen heeft voor het geven van een waarschuwing, maar tot intrekking van de vergunning is gekomen. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die dit anders maken.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers tijdelijke vergunning voor vakantieverhuur terecht is ingetrokken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Versie geldend vanaf 1 januari 2022 tot 1 april 2022.