Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-18
ECLI:NL:RBAMS:2024:6288
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,389 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/151034-24
Datum uitspraak: 18 september 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 14 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 april 2024 door de rechtbank Eger (Egri Törvényszék), Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Hongarije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [detentieplaats] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 september 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. R.M.F.R. Ketwaru, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van de rechtbank Eger (Egri Törvényszék) van
16 december 2022 (referentienummer: 15.B.2/2020/182) alsmede het arrest van de Appelrechtbank Debrecen (Debreceni ítélőtábla), in de hoedanigheid van gerecht van tweede aanleg, van 29 augustus 2023, in kracht van gewijsde gegaan op dezelfde datum (referentienummer: Bf.I.330/2023/11).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog zes jaren, zeven maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. In het EAB en de aanvullende informatie van 10 september 2024 staat vermeld dat de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van haar recht om ter zitting te verschijnen en een advocaat heeft gemachtigd, maar uit de stukken blijkt niet of de opgeëiste persoon de advocaat ook heeft gemachtigd ten aanzien van de procedure in hoger beroep. De overlevering dient daarom te worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat uit het EAB en de aanvullende informatie van 10 september 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon bij één zitting van de procedure in hoger beroep aanwezig is geweest en dat haar toen de datum van de volgende zitting is aangezegd. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de procedure in hoger beroep en zij is bij de procedure in hoger beroep vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat. Daarmee doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat zowel een proces in eerste aanleg als in hoger beroep heeft plaatsgevonden. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Gelet op de informatie in de aanvullende informatie van 10 september 2024 stelt de rechtbank vast dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en dat zij is veroordeeld, na een onderzoek, in feite en in rechte, van belastend en ontlastend materiaal, zodat alleen de procedure in hoger beroep moet worden getoetst aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Hoewel in de aanvullende informatie van 10 september 2024 is aangegeven dat er een gemachtigde raadsman was in de procedure, volgt uit de informatie niet met voldoende zekerheid of die machtiging voor de gehele beroepsprocedure gold en of de raadsman in hoger beroep ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. Verder valt op dat in de aanvullende informatie wordt aangegeven dat de moeder van de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen of de opgeëiste persoon in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door haar gemachtigde advocaat
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 10 september 2024 blijkt het volgende. De opgeëiste persoon heeft op 27 december 2022 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in eerste aanleg (referentienummer: 15.B.2/2020/182). De opgeëiste persoon is in persoon aanwezig geweest op de eerste zitting van de Appelrechtbank Debrecen, rechter in tweede aanleg, gehouden op 29 januari 2023. Zij is toen mondeling op de hoogte gebracht van de plaats en de datum van de volgende zittingsdag op 11 juli 2023. Op de zittingen van 11 juli 2023 en 29 augustus 2023 is de opgeëiste persoon vervolgens niet verschenen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, worden vastgesteld dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon meebrengt. Door niet ter zitting te verschijnen op 11 juli 2023, terwijl die zitting haar wel mondeling was aangezegd, heeft zij immers impliciet afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij een deel van het proces dat tot het arrest heeft geleid.
4Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechtbank Eger (Egri Törvényszék), Hongarije voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 september 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.