Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-03
ECLI:NL:RBAMS:2024:6167
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,531 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.259.869-24 (EAB III)
Datum uitspraak: 3 oktober 2024
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 14 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 augustus 2024 door the Regional Court in Bydgoszcz III criminal division in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 september 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevolen onder gelijktijdig schorsing hiervan tot aan de uitspraak.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist
zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of the District Court in Bydgoszcz van 11 oktober 2022 met zaaknummer IV K 389/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Dit is aangekruist en vermeld in het EAB.
De raadsman heeft primair bepleit dat de opgeëiste persoon geen gebruik van haar verdedigingsrechten heeft kunnen maken en dat artikel 12 OLW daarom aan overlevering in de weg staat. Er bestaat geen aanleiding om af te zien van weigering op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon verblijft namelijk al sinds 2017 in Nederland en had een Nederlands adres opgegeven waarop zij bereikbaar was voor de Poolse justitiële autoriteiten. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat zij haar adres in [plaats] had doorgegeven, welk adres ook in het EAB is genoemd. De raadsman heeft subsidiair om aanhouding verzocht voor het stellen van nadere vragen die zien op het adres in Nederland dat de opgeëiste persoon stelt te hebben doorgegeven en het opvragen van - naar de Polen stellen door de opgeëiste persoon persoonlijk in ontvangst genomen - stukken die haar handtekening zouden bevatten.
De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd. Weliswaar is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing, maar er is sprake van een verstrekte adresinstructie. De opgeëiste persoon heeft stilzwijgend afstand gedaan van haar recht om ter zitting te verschijnen. Om die reden dient te worden afgezien van weigering.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt het volgende:
EAB
3.1.b. the person was not summoned in person but by other means on August 3, 2022 she actually received official information of the scheduled date and place of the trial of the District Court in Bydgoszcz, which resulted in passing the decision in the case files reference number IV K 389/20, in such a manner that it was unequivocally established that she was aware of the scheduled trial, and was informed that a decision may be handed down if she does not appear for the trial;
The convicted [de opgeëiste persoon] was aware of the criminal proceedings pending against her. She participated in it in the course of the preliminary proceedings. She was instructed about her rights and obligations in criminal proceedings, including the content of the article 139 of the code of criminal procedure, according to which if a party, without providing a new address, changes his or her place of residence or does not reside at the address he or she has indicated, a letter sent to that address is considered delivered. [de opgeëiste persoon] acknowledged receipt of the instruction with her signature. The convicted person did not inform the Court about the change of her address. (…)Notice of the date of the hearing of the District Court in Bydgoszcz in the case with the reference IV K 389/20 was sent to the address of residence [de opgeëiste persoon] . The above letter was left at the nearest post office of the postal operator, of which [de opgeëiste persoon] was notified twice, leaving an advice letter at the addressee's place of residence on July 18, 2022 and July 26, 2022. (…)
Aanvullende informatie van 9 september 2024
The accused [de opgeëiste persoon] was notified of the dates of the court hearing at the address she indicated in the pre-trial proceedings: [adres 2] . In the same way, she was notified of the date of the court hearing on September 27, 2022, at which the court proceedings was closed and passing of the judgment was postponed until October 11, 2022. In accordance with the provisions of the Code of Criminal Procedure, she was not notified of the date of the court hearing on October 11, 2022, at which the passing of the judgment was made.
De rechtbank stelt vast dat zich geen van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Blijkens de verstrekte informatie was de opgeëiste persoon op de hoogte van het feit dat een strafrechtelijke procedure tegen haar zou worden geïnitieerd en heeft zij tijdens het vooronderzoek een adres opgegeven. Door middel van een door haar ondertekende adresinstructie is zij toen op de hoogte gesteld van de op haar rustende verplichtingen om op dat adres bereikbaar te zijn voor de Poolse justitiële autoriteiten, alsmede iedere adreswijziging door te geven. Ten slotte zijn de gevolgen van het niet aan die verplichtingen voldoen aan haar meegedeeld. De oproeping voor de zitting is aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres betekend. De opgeëiste persoon heeft deze oproeping niet in ontvangst genomen dan wel opgehaald en is niet ter zitting verschenen. Zij heeft geen adreswijziging doorgegeven, zodat de Poolse autoriteiten van de juistheid van het adres in [adres 2] mochten uitgaan.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo zij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor de officiële correspondentie.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 1, 3, 5, 7, 9, 11, 13, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:
Oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van die feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20, 22, 24, 26 en 28 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
Valsheid in geschrifte
6Artikel 11 OLW
6.1
Rechten van de kinderen van de opgeëiste persoon
Door de raadsman is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de opgeëiste persoon twee jonge kinderen heeft die aan haar zorg zijn toevertrouwd. Haar huidige partner is niet in staat om alleen de zorg voor haar kinderen te dragen, nog daargelaten dat hij geen gezag over de kinderen heeft. Op grond van het arrest GN van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient ook te worden getoetst in hoeverre de rechten van het kind bij een overlevering worden geëerbiedigd. In een andere overleveringszaak heeft de rechtbank daarom al deskundigen benoemd om alternatieven te onderzoeken voor de zorg voor de kinderen. Daarom dient overlevering te worden geweigerd (de rechtbank begrijpt: de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering) dan wel uitgesteld. Als de rechtbank de opgeëiste persoon zonder nadere onderzoek overlevert, doet zij dit zonder te weten hoe de situatie van de kinderen daarna zal zijn.
Indien de rechtbank de overlevering wel toestaat, wordt verzocht om de feitelijke overlevering op te schorten om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen zelf onderzoek te doen naar hoe de zorg voor haar kinderen dan moet worden vormgegeven.
De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd. De opgeëiste persoon heeft haar verweer niet onderbouwd. Niet is gebleken welke bijzondere omstandigheden zich voordoen in haar situatie, behalve dat zij twee kinderen heeft. De verdediging moet onderbouwen waarom overlevering in dit geval wegens de rechten van haar kinderen niet mogelijk zou zijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Naar de rechtbank begrijpt beroept de opgeëiste persoon zich op artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) in het licht van het arrest GN. Tevens heeft de opgeëiste persoon gerefereerd aan de tussenuitspraak van deze rechtbank van 7 juni 2024.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is deze zaak niet vergelijkbaar met het arrest GN en de andere door hem genoemde overleveringszaak. De opgeëiste persoon heeft geen onderbouwing verstrekt van enige bijzondere omstandigheden betreffende haar twee dochters (die respectievelijk drie en vijf jaar oud zijn), alsmede van de situatie waarin zij (vanwege die omstandigheden) terecht zouden komen indien de opgeëiste persoon wordt overgeleverd.
Het enkele feit dat zij kinderen heeft en haar huidige partner niet voor hen kan zorgen, en overigens ook geen gezag over de kinderen heeft, is niet toereikend om aan te nemen dat er geen adequate zorg voor de kinderen voorhanden is indien de opgeëiste persoon aan Polen zou worden overgeleverd. Daar komt bij dat ten aanzien van de vaders van haar beide kinderen gesteld noch gebleken is dat zij niet voor de kinderen zouden willen en/of kunnen zorgen. Integendeel, de vader van haar jongste kind heeft aangifte tegen de opgeëiste persoon gedaan wegens het onttrekken van hun kind aan zijn ouderlijk gezag, waarmee hij naar het oordeel van de rechtbank impliciet te kennen heeft gegeven het ouderlijk gezag over hun dochter te willen uitoefenen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon tijdens haar voorgeleiding tegenover de officier van justitie verklaard dat haar oudste (derde) dochter bij haar grootmoeder (van moederskant) in Polen verblijft. Niet is onderbouwd dat de andere dochters van de opgeëiste persoon daar niet ook zouden kunnen verblijven indien de opgeëiste persoon in Polen gedetineerd is.
De rechtbank verwerpt het verweer.
De rechtbank kan ten slotte in het kader van de vraag of overlevering kan worden toegestaan of niet, geen uitspraak doen over uitstel van de eventuele feitelijke overlevering. Daarom wordt het daartoe strekkende subsidiaire verzoek niet besproken.
6.2
Detentieomstandigheden
6.2.1
Medische situatie van de opgeëiste persoon
Door de raadsman is aangevoerd dat de gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon dusdanig is dat zij na overlevering aan Polen het risico loopt om aan een schending van artikel 4 Handvest te worden onderworpen. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat de opgeëiste persoon ernstige maagklachten heeft en recent is geopereerd. De opgeëiste persoon heeft daaraan toegevoegd dat zij geen maag meer heeft en om die reden een speciaal dieet moet volgen en extra vitaminen moet innemen. Gevreesd wordt dat zij in Poolse detentie-instellingen geen adequate behandeling krijgt en daarom aan een vernederende en onmenselijke behandeling wordt onderworpen. Dit blijkt uit het meest recente rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van februari 2024 waar in paragraaf 58 en 59 over de medische omstandigheden wordt gesproken. Die informatie ziet op alle detentie-instellingen en niet alleen op remand prisons.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet slaagt. De verdediging heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt op grond waarvan kan worden aangenomen dat in Poolse detentie-instellingen geen goede gezondheidszorg aan gedetineerden wordt verstrekt. Weliswaar worden er enkele zorgen geuit, deze zijn echter niet zodanig dat kan worden aangenomen dat een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die in Polen zijn gedetineerd en gezondheidsklachten hebben, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Aan de bespreking van de individuele situatie van de opgeëiste persoon komt de rechtbank dan ook niet toe.
6.2.2
Algemeen gevaar ten aanzien van ‘remand prisons’ in Polen
Ten aanzien van de opgeëiste persoon zijn naast het onderhavige EAB nog twee andere EAB’s uitgevaardigd die zien op de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, maar waarvan één EAB ook deels op vervolging ziet. Deze twee EAB’s zijn tegelijkertijd door de rechtbank behandeld met het onderhavige EAB en in deze EAB’s wordt tegelijkertijd met het onderhavige EAB uitspraak gedaan.
Bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft deze rechtbank een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het ‘remand regime’ in Poolse detentie-instellingen terechtkomen, aangenomen. Om die reden wordt de zaak met parketnummer 13.176.342-23 (EAB I) aangehouden voor het stellen van een vraag. Teneinde in alle zaken tegelijk einduitspraak te kunnen doen, zal de rechtbank daarom ook in deze zaak het onderzoek ter zitting heropenen onder gelijktijdige schorsing van het onderzoek.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;
BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 15 oktober 2024 weer op zitting moet worden aangebracht;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens en L.P. van Kessel, griffiers
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, arrest GN (Motif de refus fondé sur l’intérêt supérieur de l’enfant), C-261/22, ECLI:EU:C:2023:1017.
Rechtbank Amsterdam, 7 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4954
Respectievelijk parketnummer 13.176.342-23 (EAB I, welk EAB mede ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen) en 13.236.486-24 (EAB II).
ECLI:NL:RBAMS:2024:3311