Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-03
ECLI:NL:RBAMS:2024:6163
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,451 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-237114-24
Datum uitspraak: 3 oktober 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 31 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 maart 2024 door het Landgericht Heilbronn in Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
nu gedetineerd in P.I. [locatie te plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 september 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.H.J. Kortz, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van de zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 29 november 2023 van het Staatsanwaltschaft Heilbronn, referentienummer: R760 VRs 61 Js 23011/22, welk bevel is uitgevaardigd in verband met de tenuitvoerlegging van een bij vonnis van 27 februari 2023 van het Landgericht Heilbronn (Duitsland) opgelegde gevangenisstraf, referentienummer: 8 KLs 61 Js 23011/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en plaatsing in een ontwenningskliniek. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 784 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
De rechtbank leidt uit het dossier, waaronder de stukken zoals die door de opgeëiste persoon zijn overlegd in het kader van een verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie, af dat de opgeëiste persoon was begonnen met het uitzitten van de bij vonnis van 27 februari 2023 opgelegde vrijheidsstraf en vervolgens voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, maar dat hij zich kennelijk niet aan de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Zo heeft hij zich na zijn invrijheidstelling niet gemeld in de ontwenningskliniek, maar is hij naar Nederland vertrokken. De beslissing tot tenuitvoerlegging van 29 november 2023 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling van 27 februari 2023 waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.
Het EAB vermeldt ten aanzien van die beslissing dat dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij dat proces. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is hiermee niet van toepassing op deze procedure.
4Strafbaarheid;
4.1.
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst een deel van het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid wordt vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een ander deel van het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo een situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat de feiten deels op Nederlands grondgebied zijn gepleegd maar de weigeringsgrond niet aan de orde is, omdat de vervolging in Duitsland een aanvang heeft genomen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat:
de vervolging in Duitsland is aangevangen;
het bewijs zich in Duitsland bevindt;
de Duitse autoriteiten de wens tot vervolging hebben geuit middels uitvaardiging van het EAB;
het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
Gelet op het voorgaande, vormt het gegeven dat het feit wordt geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Duitsland opgelegde vrijheidsstraf en de maatregel van plaatsing in een kliniek kan worden overgenomen.
Met betrekking tot de maatregel van plaatsing van een kliniek overweegt de rechtbank het volgende.
Conclusie
Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8 en 176 WVW 1994, 2 en 10 Opiumwet, 47 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Landgericht Heilbronn (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van (het restant van) de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf, voor zover deze bestaat uit een gevangenisstraf, in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel en L.P. van Kessel, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
Rechtbank Amsterdam, 9 mei 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2951.