Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-10-09
ECLI:NL:RBAMS:2024:6124
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,896 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/243092-24
Datum uitspraak: 9 oktober 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 30 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 juni 2024 door the Court of Law Craiova, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats], Roemenië, op [geboortedag] 1973,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 september 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
een vonnis van the Court of Law Craiova van 5 december 2023 (referentie: no. 3232/05.12.2023);
een arrest van the Court of Appeal Craiova van 9 mei 2024 (no. 612/09.05.2024)
(referentie: no. 24737/215/2022, hierna: het arrest van 9 mei 2024).
De aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 augustus 2024 vermeldt daarnaast een vonnis van the Court of Law Craiova van 24 oktober 2017 (referentie: no met kenmerk 3429/24/10/2017), hierna het vonnis van 24 oktober 2017.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is uiteindelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 4 september 2024.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De facultatieve weigeringsgrond van artikel 12 OLW ziet op de toetsing van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure die ten grondslag ligt aan het EAB. In dit artikel is bepaald dat overlevering kan worden geweigerd wanneer de opgeëiste persoon niet is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij zich een van de in dat artikel onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan dan wel voordoet.
Uit door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie blijkt dat de procedure die uiteindelijk heeft geleid tot het arrest van 9 mei 2024 zowel de strafoplegging voor nieuwe strafbare feiten, gepleegd op 9 november 2020, als de tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van 24 oktober 2017 voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf (voor feiten gepleegd op 8 september 2016) betreft. Er is uiteindelijk één totaalvrijheidsstraf opgelegd bij het arrest. Verder blijkt dat de nieuwe strafbare feiten, waarvoor de opgeëiste persoon uiteindelijk bij het arrest van 9 mei 2024 is veroordeeld, aan de tenuitvoerleggingsbeslissing ten grondslag liggen.
De rechtbank stelt vast dat de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 24 oktober 2017 aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. Uit de verstrekte informatie van 4 september 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting die heeft geleid tot dit vonnis. Weigering op grond van artikel 12 OLW is dus niet aan de orde ten aanzien van dit vonnis.
Ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het arrest van 9 mei 2024 is van belang dat als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Nu het arrest van 9 mei 2024 mede een tenuitvoerleggingsbeslissing betreft, is ook van belang dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie volgt dat dezelfde strafbare feiten van 9 november 2020 die tot de veroordeling hebben geleid, ook de zogenaamde “triggering facts” zijn.
Gelet op het voorgaande moet dus de beroepsprocedure die heeft geleid tot het arrest van
9 mei 2024 aan artikel 12 OLW worden getoetst voor zover die procedure ziet op de strafoplegging voor het nieuwe strafbare feit. Uit de verstrekte informatie van 4 september 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep en een door de hem gekozen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren op het proces, en dat die advocaat daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd op de zitting die tot het arrest van 9 mei 2024 heeft geleid. De omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW doet zich dus voor ten aanzien van het arrest, wat maakt dat toepassing van de weigeringsgrond niet aan de orde is.
Tot slot merkt de rechtbank nog op dat tenuitvoerleggingsbeslissing bij het arrest van 9 mei 2024 op zich niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. Bij de beslissing tot tenuitvoerlegging is namelijk de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf niet gewijzigd, zo begrijpt de rechtbank.
4Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten, die ten grondslag liggen aan het vonnis van 24 oktober 2017 en het arrest van 9 mei 2024 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel a/b van de Wegenverkeerswet 1994.
5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, waaronder met name de overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
Bij brief van 21 augustus 2024 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie, verstrekt door the National Penitentiary Administration, overgelegd.
De raadsman heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat onvoldoende is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon voldoende persoonlijke ruimte zal hebben in zijn cel gedurende de quarantaine periode. Subsidiair heeft hij om aanhouding verzocht om hierover nadere vragen te stellen.
De officier van justitie vindt dat met de verstrekte detentiegarantie het gevaar voor schending op grondrechten in detentie in Roemenië voor de opgeëiste persoon is weggenomen.
De rechtbank overweegt als volgt.
In de verstrekte detentiegarantie is onder meer het volgende opgenomen:
“In view of your letter formulated in case no. 24737/215/2022 dated 12.08.20024,
regarding the request of the Dutch authorities, regarding the conditions of detention to be enjoyed by the named [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag]1973, residing in [plaats]
County, sentenced to 2 years and 8 months imprisonment),in the event that he would be surrendered to Romania, we communicate the following:
If the prisoner shall he surrendered to the Romanian authorities on Henri Coanda Airport-Bucharest, he shall be initially placed in the Bucuresti-Rahova Penitentiary in order to be subject to the quarantine period for a period of 21 days in a room that will ensure him a minimum space of 3 m2.
(…)
Each person deprived of liberty, during the quarantine and observation period, is entitled to a daily walk for 2 hours. Furthermore, each prisoner is provided with a range of activities to choose from, thus creating the possibility to spend a much longer period of time outside the detention room, if they choose to participate.
(…)
Having regard to the length of the sentence, this will most likely serve the custodial sentence initially in the semi-open regime. Furthermore, having regard to his domicile, this will most likely serve the sentence, tor the start, in the CraiovaPelendava Penitentiary.
(…)
Therefore, the prisoners that serve the sentences in semi-open regime have the possibility to spend their spare time outside the detention room, throughout the day. They are taken into the rooms only tor serving the meals and a half hour before the night appeal. In conclusion, besides the time meant to participating in activities and programes and the exercise of the rights, this category of prisoners may spend its spare time outside the detention room, in fresh air, practically using the detention room only tor rest or for different administrative activities and activities to maintain the personal hygiene.
(…)
In view of the express request from the authorities of the Netherlands, by virtue of good cooperation in the field of international law, the name Gheorgio Birniou will not be kept in custody in Giurgiu penitentiary.
(…)
With regard to the prospect of implementation of the measures included in the 'the Action Plan tor the period 2020-2025 developed with a view to implementing the Rezmives and others v. Romania pilot judgment, as well as the judgments rendered in the Bragadireanu v. Romania group of cases" and the number of prisoners in the custody of the National Administration of Penitentiaries, as a result of the penal policies adopted by the Romanian state, the National Administration of Penitentiaries guarantees that, during the entire term of the sentence, including the bed and furniture, without including the space for the sanitary group. he will benefit of a minimum personal space, thus:
- 3 sqm during the quarantine and observation period;
(…)
- 3 sqm during the execution of sentence in semi-open regime.”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is gelet op deze toezeggingen van de Roemeense autoriteiten – in overeenstemming met het standpunt van de officier van justitie – van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in de detentie-instelling waar hij na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garantie ten aanzien van de opgeëiste persoon in deze detentie-instellingen immers weggenomen.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het primaire verweer van de raadsman en wijst de rechtbank zijn subsidiaire verzoek om aanhouding af.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 van de OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Court of Law Craiova, Roemenië voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.
Zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam, 11 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2513, rechtsoverweging 5.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.