Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-27
ECLI:NL:RBAMS:2024:6109
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,439 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/150276-18
Datum uitspraak: 27 september 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].
1Onderzoek op de zitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 13 september 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. A. Zeeman, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1 primair: medeplegen van oplichting van [persoon 1] in de periode van 10 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 in Nederland;
feit 1 subsidiair: medeplegen van verduistering van een DJ-set van [persoon 1] in de periode van 11 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 in Nederland;
feit 2: het doen van een valse aangifte in de periode van 16 januari 2017 tot en met 2 maart 2017 te Amsterdam.
De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3Waardering van het bewijs
3.1
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij zich schuldig zou maken aan het medeplegen van oplichting. Ook het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat er geen sprake is van opzet. Een belangrijke contra-indicatie voor de aanwezigheid van (voorwaardelijk) opzet is het gegeven dat verdachte haar eigen, originele identiteitsbewijs heeft afgegeven. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman geen bewijsverweren gevoerd.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde
De rechtbank vindt het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verdachte heeft op de zitting van 13 september 2024 verklaard niet te hebben geweten dat de DJ-set onder een valse voorstelling van zaken zou worden gehuurd en niet zou worden teruggebracht. Haar bevestiging aan aangever dat zij de DJ-set de volgende dag zou terugbrengen was volgens verdachte ondoordacht gedaan, waarmee zij enkel bedoelde te zeggen dat zij ervan uitging dat de DJ-set de volgende dag zou worden geretourneerd. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte deze wetenschap wel had of dat zij anderszins het oogmerk – dus vol opzet – heeft gehad op wederrechtelijke bevoordeling van haarzelf en/of haar medeverdachten. Anders dan door de officier van justitie gesteld, is voorwaardelijk opzet voor bewezenverklaring van het oogmerk bij het medeplegen van oplichting onvoldoende. Ook het medeplegen van verduistering kan niet worden bewezen. Het dossier bevat namelijk evenmin bewijs dat verdachte wist dat of zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de DJ-set niet zou worden teruggebracht. De bevestiging van verdachte ter plaatse maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank geeft verdachte, gelet ook op het feit dat zij haar eigen identiteitsbewijs heeft getoond, hierin het voordeel van de twijfel, en gaat ervan uit dat deze bevestiging onvoldoende bewust en specifiek is gedaan.
3.3.2.
Bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde
De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van feit 2 op grond van de bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – omdat verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van 13 september 2024;
het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte met nummer PL1300-2017011715-1 van verbalisant [verbalisant 1] van 16 januari 2017 (doorgenummerde pagina’s 3000-3004);
het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangeefster met nummer PL1300-2017011715-8 van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 7 maart 2017 (doorgenummerde pagina’s 3005-3012).
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht, op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte:
op meerdere tijdstippen in de periode van 16 januari 2017 tot en met 2 maart 2017 te Amsterdam, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1], brigadier van politie Eenheid Amsterdam, en [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, en [verbalisant 3], inspecteur van politie Eenheid Amsterdam, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van wederrechtelijke vrijheidsberoving, gepleegd op 11 januari 2017 door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].
5Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7Strafoplegging
7.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten een taakstraf voor de duur van 120 uur wordt opgelegd. Daarbij heeft zij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn met ruim 3 jaar, uitgaande van de aanvang van de redelijke termijn op het moment van dagvaarden op 24 mei 2019. Dit is voor de officier van justitie reden om een strafkorting toe te passen.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen en aan verdachte geen straf op te leggen. Subsidiair heeft hij verzocht om te volstaan met een voorwaardelijke straf. Er dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat de redelijke termijn al eerder is aangevangen, namelijk met de aanhouding van verdachte op 8 mei 2017, waardoor de overschrijding ruim 7 jaar betreft.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uur, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.
Bepaalt dat de taakstraf niet tenuitvoergelegd wordt, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 6 (zes) maanden vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart de benadeelde partij [persoon 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C. Wildeman, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en G. Demmink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.A. Olsen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 27 september 2024.
[...]